Pleidooi voor specialisten

Duizend kleine verhalen van de kunstgeschiedenis

Als reactie op het stuk van Henk van Os in deze krant van 8 maart, houdt Maarten Asscher deze week een pleidooi voor de kunsthistorische specialist.

Ter gelegenheid van zijn verjaardag bood de Universiteit van Amsterdam op 28 februari van dit jaar Henk van Os een symposium aan op het thema «kunstgeschiedenis en maatschappij». Het minicollege dat Van Os bij die gelegenheid afstak, werd opgenomen in De Groene Amsterdammer van 8 maart. Er zou iets voor te zeggen zijn om het daarbij te laten. De jarige heeft mooi en treffend gesproken, doorspekt met anekdotes en herinneringen, en het is ongepast daar iets aan af te willen doen.

Maar feit is dat de organisatoren van het verjaardagssymposium zelf hadden gemeend dat er aan de woorden van Van Os juist nog iets kon worden tóegevoegd. Op uitnodiging heb ik zijn wetenschappelijke en museale ervaringslessen onderworpen aan een korte tegenbeschouwing. Nu Van Os zijn verjaardagscollege publiceert, onder de titel «Het grote verhaal van de kunstgeschiedenis», benut ik graag de gelegenheid om ook mijn reactie op schrift te stellen.

Henk van Os verdedigt in zijn stuk drie stellingen:

Kunsthistorici hebben zichzelf en elkaar opgesloten in steeds enger geformuleerde specialismen.

Bij elke gelegenheid hameren op de autonomie van kunsthistorisch onderzoek heeft vakgenoten vaak het zicht ontnomen op de externe vraag naar kunsthistorisch onderzoek en onderwijs.

Verregaande koppeling van kunsthistorisch onderwijs aan onderzoeksspecialisaties heeft een volstrekt onnodige beperking van het onderwijsaanbod ten gevolge gehad.

De derde van deze drie stellingen lijkt mij van enige afstand wel plausibel, maar ik voel mij — als academicus extra muros — nauwelijks competent om er gezaghebbend genoeg over te spreken. Op de eerste twee van Van Os’ verjaardagsstellingen vind ik een reactie mijnerzijds wel gepast. Vanuit het kunstbeleid en vanuit de culturele uitgeverij — de werelden die mij beroepshalve het meest vertrouwd zijn — zijn daartegen de hieronder volgende bedenkingen in te brengen.

Allereerst is er de stelling van Van Os dat de Nederlandse kunsthistorici van onze tijd zich te zeer in specialismen hebben opgesloten en dat zij zich meer om de maatschappelijke vraag naar hun vakmatige productie zouden moeten bekommeren. Twee tegengeluiden. Om te beginnen ben ik dol op specialisten. Ik meen dat zij het hart en het hoofd van iedere wetenschap uitmaken. Zoals de orthodoxie de kern is van iedere religie, zo is het specialisme de bron bij uitstek van het wetenschappelijk bedrijf. Het probleem dat Van Os terecht signaleert — de spagaat tussen het wetenschappelijke en het maatschappelijke — zit hem niet zozeer in het specialisme van de specialisten, als wel in het feit dat ze erin zitten opgesloten. Want met specialisering op zichzelf is niets mis. Specialisering is het toelatingsexamen, het zwemdiploma voor de wetenschapper. Als de 25-jarige Kenneth Clark — mag men hem de Britse Henk van Os noemen? — zich niet in extenso had toegelegd op de Engelse neogotiek en de tekeningen van Leonardo, zou hij later nooit met zoveel inlevingsvermogen over de volle breedte van de kunstgeschiedenis hebben kunnen spreken, schrijven en televisie maken. Of, om een voorbeeld buiten de kunstgeschiedenis te nemen: als Elias Canetti niet zijn dissertatie had geschreven onder de titel Über die Darstellung des Tertiärbutylcarbinols, dan zou hij ook niet bij machte zijn geweest het werk Massa en macht tot een goed einde te brengen.

Waar het om gaat, is dat die specialisten iets met hun specialistische zwemdiploma dóen. Dat zij hun vaardigheden gebruiken om hun vak zo volledig mogelijk uit te oefenen. Niet slechts om de maatschappelijke legitimatie van dat vak veilig te stellen, maar eerst en vooral om hun vak daadwerkelijk uit te oefenen. Een architect die is afgestudeerd op de geschiedenis van de open keuken, gaat vervolgens huizen ontwerpen waarin niet alleen open keukens zijn te vinden, maar ook woonkamers, kelders, slaapkamers en badkamers. En als hij over zijn vak spreekt, dan heeft hij het ook over schouwburgen, watertorens, kantoren en bruggen. Dus: lang leve de specialist, maar weg met de luie en bekrompen specialist.

Ten tweede heeft iemand die van één ding heel veel weet, in aanleg een prima uitgangs positie voor zijn verdere intellectuele en professionele ontwikkeling, ook buiten de universitaire wereld. Dikwijls beter zelfs dan iemand die van veel dingen weinig weet. Bij uitgeverij J.M. Meulenhoff, waar ik tot 1998 werkte, kregen wij vele open sollicitatiebrieven, ook van kunsthistorici. In de jaren tachtig waren dat nog brieven van mensen die echt iets wisten van bijvoorbeeld de Italiaanse Renaissance of de Franse Art Nouveau, die ook behoorlijk Italiaans respectievelijk Frans spraken en die op hun 25ste redelijk bereisd waren. Medio jaren negentig kreeg ik steeds vaker brieven van mensen die «Mediterrane studies» hadden gedaan en die daarin de «managementvariant» hadden gekozen. Een beetje talenkennis en belezenheid waren met een dergelijke achtergrond helaas geen vanzelfsprekendheid meer. Ik ben ervan overtuigd dat die ontwikkeling, weg van het specialisme en in de richting van een soort algemene oriëntatie aan de oppervlakte van alles (en dus niks) de inzetbaarheid van kunsthistorici in de beroepspraktijk buiten de universiteit geen goed heeft gedaan.

In zijn tweede stelling keert Van Os zich tegen het hameren van kunsthistorici op de autonomie van hun onderzoek en onderwijs, en roept hij zijn vakgenoten op om meer te luisteren naar wat overheid en bedrijfsleven van ze nodig hebben. Een pleidooi voor meer wisselwerking tussen wetenschap en maatschappij is mij sympathiek, maar toch geloof ik dat hier een dwaalweg wordt gesuggereerd. Want wat Van Os voorstelt is geen wisselwerking, maar eenrichtingsverkeer: overheid en bedrijfsleven mogen gaan uitmaken waar kunsthistorici zich mee bezig moeten houden. Die suggestie voert naar mijn overtuiging de kunstgeschiedenis weg van haar eigen oever, in een onzekere oversteekpoging naar al die vermeende werkgevers, opdrachtgevers en uitgevers die zich aan de andere kant van het water zouden bevinden.

Want wat gebeurt er als kunsthistorici bezwijken voor de macht van het beleid? Het begint ermee dat alles tegenwoordig «beleid» wordt genoemd. Als een museum opschrijft wat het in de komende jaren gaat doen, dan wordt dat een «beleidsplan» genoemd. Uitgeverijen weigeren tegenwoordig manuscripten met als argument dat een dergelijk boek niet in hun «uitgeefbeleid» past. Dat denken in beleidstermen buiten de wereld van de overheid is een gevaarlijke ontwikkeling omdat het de botsing tussen vakdisciplines frustreert. Een museum waar alleen nog maar mensen met beleid bezig zijn, wordt een soort kantoor, een futloze consensusgemeenschap, in plaats van een professionele organisatie waarin restauratoren andere belangen hebben dan conservatoren, die op hun beurt weer scherp moeten zijn ten opzichte van tentoonstellingsontwerpers en pr-mensen.

In een recente wervingsadvertentie voor een conservator bij een gemeentelijk museum in het zuiden des lands, kwam ik onder meer als functie-eisen tegen: «applicatie met betrekking tot het vakgebied» en «ervaring met de beleidsmatige kanten van het werkveld». Naast dat soort aan de ambtenarij ontleende toverformules, stond in de taakomschrijving wel vermeld dat men werd geacht wetenschappelijk onderzoek te verrichten «ter voorbereiding van beleid, projecten en publicaties», maar voor dat zogenaamde «wetenschappelijk onderzoek» was een HBO-diploma Kunst- of Cultuurgeschiedenis voldoende. En overigens ging het maar om een aanstelling voor 24 uur in de week.

Zo’n baan is in alle opzichten de dood in de pot voor de kunstgeschiedenis (en trouwens ook voor het betreffende museum). Als dit de weg is waarlangs kunsthistorici de maatschappelijke legitimatie van hun vak moeten gaan veiligstellen, dan staat die maatschappelijke legitimatie gelijk aan het wetenschappelijk failliet van diezelfde kunstgeschiedenis. Kunsthistorici moeten niet worden gedwongen om te kiezen tussen de wetenschap en de maatschappij; zij moeten een verbinding tussen die twee vormen — als docent, als auteur, als conservator, als redacteur et cetera. Om die verbinding te kunnen vormen, moeten zij aan beide zijden stevige grond onder de voeten hebben, anders zakt die verbinding onherroepelijk weg in de modder.

Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de invloed van de markt. Maatschappelijke legitimatie en een maatschappelijke functie voor kunsthistorici laten zich heel goed realiseren door het publiceren van artikelen en boeken. Maar het idee van Van Os dat kunsthistorici vooral zouden moeten willen schrijven wat uitgevers hebben bedacht, dat spreekt mij als oplossing voor het gestelde probleem niet aan. Het omgekeerde lijkt mij aanmerkelijk interessanter: kunsthistorici — althans de minderheid onder hen die over een goede pen beschikt — moeten artikelen en boeken, bundels en biografieën, studies en monografieën bedenken en schrijven die zo interessant zijn dat uitgevers ze wel móeten willen uitgeven. Als de aanpak deugt, de stijl goed is en er sprake is van een auteurschap met toekomst, dan is het onderwerp in veel gevallen niet doorslaggevend. Dan wil een uitgever zo’n auteur graag aan zich binden. Of deze nu schrijft over middeleeuwse kathedralenbouw, over het symbool van de tijger in de negentiende-eeuwse schilderkunst, over hedendaagse modefotografie, over de rol van de glimlach in de beeldhouwkunst door de eeuwen heen of over de verhouding tussen het neoclassicisme en het totalitaire in de architectuur. De stijl, de aanpak, de visie, kortom het auteurschap maakt dergelijke en andere onderwerpen vanzelf interessant. En als een auteur die kwaliteiten niet in zich heeft, dan heeft het geen zin om eenvoudigweg naar «de markt» te luisteren. Die laat dan namelijk, zo leert de ervaring, niks van zich horen.

Dat levert bij elkaar vier stellingen op die ik naar Van Os heb willen terugwerpen, al was het maar om hem op zijn verjaardag niet met lege handen tegemoet te treden:

Lang leve de specialist, maar weg met de luie en bekrompen specialist.

Goede en actieve specialisten hebben een groter ontwikkelingspotentieel op de arbeidsmarkt dan matige generalisten.

Kunsthistorici moeten met de unieke kracht van hun vak weerstand bieden aan de hedendaagse «beleidsmimesis» die over alle disciplines een nondescripte grauwsluier legt.

Kunsthistorici moeten niet schrijven wat uitgevers willen dat ze schrijven, maar ze moeten datgene schrijven wat erom schreeuwt om geschreven en uitgegeven en — last but not least — gelezen te worden.

In de slotalinea’s van zijn betoog herhaalt Van Os de bewering die ook in de titel van zijn beschouwing besloten ligt: dat het in de kunstgeschiedenis eerst en vooral om «de grote samenhangen» zou gaan, om «het grote verhaal» van de kunst. Ik kan dat met Van Os eens zijn, op één voorwaarde: dat hij met mij eens is dat dat grote verhaal een noodzakelijke fictie is, te schrijven door enkele zeer briljante en literair begaafde kunsthistorici. Maar dat grote verhaal kan niet worden geschreven en evenmin worden begrepen als het niet is opgebouwd uit en vervolgens ook weer uitmondt in de duizend kleine verhalen waar het dagelijks werk van kunsthistorici uit bestaat.

Hoe spannender, verrassender, trefzekerder en inspirerender die kleine verhalen zijn, des te succesvoller kan de kunstgeschiedenis zich in wetenschappelijk en maatschappelijk opzicht blijven ontwikkelen.