Bloody Sunday is nog niet vergeten

Dumdum Derry

Bloody Sunday, het bloedbad in het Noord-Ierse Derry, is nog niet vergeten. Deze week begonnen de openbare hoorzittingen van het tweede onderzoekstribunaal. Waar de schuld ligt is wel duidelijk. Maar de belangrijkste vraag wordt niet gesteld.

LONDONDERRY, 30 januari 1972. Denis McLaughlin (16) zoekt dekking achter een barricade. Britse militairen schieten met rubberkogels — althans, dat dacht hij. ‘Ik wierp me op de grond en kroop (naar de getroffen man toe — jb). Op het moment dat ik hem bereikte stierf zijn geschreeuw weg tot een zucht. Ik begon hysterisch tegen hem te praten. “Maak je geen zorgen. Het komt goed met je. We brengen je naar binnen.” Ik keek omhoog naar mijn vriend, George, en hij zei me dat de man dood was. Ik keek angstig om me heen en zag een ander vallen. (…) Een ander liep langzaam en voorzichtig op ons af. Meer schoten klonken en hij viel boven op me. Mensen aan de andere kant van de straat in de flats gilden: “Er zijn doden”, waarmee ze ons bedoelden. Ik hoorde ook de stem van iemand die zei dat ze aan het schieten waren vanaf de Derry Walls. Ik ging op mijn rug liggen en toen ik dat deed zag ik iemands hoofd openbarsten, het bloed gulpte eruit. Alles wat ik zag was rood. Het lichaam viel aan mijn kant (van de barricade — jb) en het bloed stroomde over mijn handen. (…) Al deze mensen waren, zonder twijfel, ongewapend.’


Die zondagmiddag demonstreren in Londonderry, of Derry, zoals de voornamelijk katholieke inwoners van Noord-Ierlands tweede stad haar liever noemen, duizenden mensen tegen de internering van ‘nationalisten’ die aansluiting zochten bij Ierland. De demonstratie, de grootste sinds het begin van de enkele jaren eerder uitgebroken troubles (zoals de Britten de burgeroorlog in Noord-Ierland eufemistisch noemen) is vreedzaam op weg naar Guildhall Square in het centrum van de stad.


Ter hoogte van de flatwijk Bogside gaat het mis. Het leger houdt de mars tegen. De demonstranten antwoorden met stenen. Plotseling komen de gevreesde ‘Saracen’-pantserwagens aanscheuren. Er springen soldaten uit met parachutistenhelmen op. Geen van hen draagt wapenstok en schild, zoals de katholieke demonstranten gewend zijn van de Britse ordetroepen. De paratroopers zijn allen in volledige gevechtsuitrusting gestoken en bewapend met SLR-geweren. Er klinken schoten, overal traangas. Aanvankelijk zijn het rubberkogels die worden afgevuurd, maar dan beginnen er mensen te vallen die niet meer opstaan. Eerst in de omgeving van Rossville Street, dan dringen de parachutisten Glenfada Park binnen en vallen ook daar de doden. Aan het eind van de dag liggen in de Bogside dertien lijken en veertien gewonden. Eén daarvan zal later alsnog bezwijken.



DE TROUBLES hebben in ruim dertig jaar aan meer dan drieduizend mensen het leven gekost, vooral door toedoen van de IRA en haar unionistische paramilitaire tegenhangers. En nog zijn ze niet helemaal voorbij. Weliswaar zwijgen de wapens, maar de spanning is weer terug. Het vredesproces is sinds 11 februari opgeschort omdat de IRA niet kon aantonen te streven naar volledige ontwapening. De Noord-Ierse Assemblee, van waaruit katholieken en protestanten in samenwerking het gebied zouden besturen, en de gemengde overgangsregering onder leiding van de unionist David Trimble werden door de Britten ontbonden. Pas als de IRA weer praat met de internationale ontwapeningscommissie kan het zelfbestuur van de (vooralsnog) Britse provincie weer in gang worden gezet. Afgelopen week echter bleek dat de ‘duif’ David Trimble binnen zijn Ulster Unionist Party — de grootste partij van Noord-Ierland — flink aan steun ingeboet heeft. De unionistische haviken, die minder heil zien in samenwerking met de katholieken en een kleinere rol van Groot-Brittannië, zijn in opkomst.


In deze licht ontvlambare situatie zijn afgelopen maandag de openbare hoorzittingen van start gegaan van de Bloody Sunday Inquiry, onder leiding van Lord Saville of Newdigate. Om elke schijn van partijdigheid te voorkomen, laat hij zich bijstaan door twee rechters uit het Gemenebest, één uit Canada en één uit Nieuw-Zeeland. De commissie is al anderhalf jaar bezig en heeft in die tijd ongeveer 60.000 pagina’s documentatie verzameld, meer dan vijfduizend foto’s en 36 uur videotape. Er zijn 1500 mensen geïnterviewd die op een of andere wijze bij het gebeuren betrokken waren, en in de komende maanden komen er zeker nog vijfhonderd aan bod. Hoe lang het onderzoek en de openbare hoorzittingen gaan duren durft niemand precies te zeggen. Het betreft het grootste openbare onderzoek dat Engeland ooit gekend heeft. Tot op heden is zo’n vijftien miljoen pond uitgegeven. Men gaat ervan uit dat de uiteindelijke kosten niet onder de honderd miljoen zullen blijven.


De aanpak van het huidige Bloody Sunday-onderzoek kan de gemoederen weer flink doen oplaaien. Het staat in schril contrast met het eerdere onderzoek, in 1972, van Lord Widgery. Dat werd door de Britse autoriteiten daags na het bloedbad aangekondigd en nam nog geen elf weken in beslag. Widgery’s eindrapport telde slechts 39 pagina’s. Maar de conclusie loog er niet om: de soldaten handelden uit zelfverdediging. Ze werden zélf beschoten en beantwoordden dat vuur. Volgens Widgery’s bevindingen werd alleen geschoten als de soldaten mannen zagen met spijkerbommen of vuurwapens. Tegelijkertijd moest hij echter vaststellen dat niet bewezen kon worden dat ook maar één van de doden en gewonden zich bediende van vuurwapens of explosieven op het moment dat hij werd neergeschoten. Volgens Widgery wezen kruitsporen op kleding en lichamen erop dat de slachtoffers wapens in hun bezit hadden gehad, of dat ze heel dicht bij iemand stonden die een vuurwapen of een bom hanteerde. Dat kruitsporen ook ontstaan als je van heel dichtbij wordt beschoten, meldde hij niet. Verder concludeerde Widgery dat het vuren van sommige parachutisten, met name in Glenfada Park ‘bordered on the reckless’. Om af te sluiten met de opmerking dat er geen doden en gewonden waren gevallen als de verboden demonstratie niet was gehouden.


Al vanaf het startsein was het Widgery-tribunaal omstreden. Het onderzoek vond niet plaats in het katholieke Derry, maar in Coleraine, slechts veertig kilometer verderop, maar wel protestants. Widgery achtte het niet nodig met zijn onderzoeksstaf in Derry de plaatsen te bezoeken waar de slachtoffers waren gevallen. Hij negeerde belangrijk bewijsmateriaal. De gewonden — kroongetuigen — verhoorde hij niet, ook al hadden zes van hen aangegeven te kunnen en te willen getuigen. Een nader onderzoek naar waar de order vandaan kwam om het vuur te openen, leek hem niet nodig. De motieven van de Britse officieren die besloten de parachutisten in te zetten (een elite-eenheid opgeleid om maximaal geweld te gebruiken) als een ‘arrestatiemacht’, noemde hij ‘zonder meer integer’.



HET SPREEKT voor zich dat de katholieken van Noord-Ierland furieus waren. Majoor Hubert O’Neill, de lijkschouwer die pas na veel vertraging onderzoek kon doen aan de lichamen van de slachtoffers, gaf op 21 augustus 1973 een verklaring uit waarin hij zei: ‘Deze zondag is bekend geworden als Bloody Sunday, and bloody it was. Ik zou zeggen, zonder aarzeling, dat het koele, berekende moord was. It was murder.’ Ook de Ierse regering was furieus. Tot ver in de jaren tachtig bleven de verhoudingen met de Britten zeer gespannen.


In Groot-Brittannië was vooral op politiek gebied de stilte oorverdovend. In 1992 gaf premier Major weliswaar toe dat de slachtoffers van Bloody Sunday onschuldig waren, maar een nieuw onderzoek vond hij niet nodig. Pas 25 jaar na het bloedbad begon de zaak weer te rollen. De Noord-Ierse schrijver-journalist Don Mullan diepte meer dan vijfhonderd getuigenissen op die meteen na de mars waren opgenomen door de North-Irish Civil Rights Assemblee (Nicra). Lord Widgery had er maar vijftien van gebruikt. Mullan publiceerde excerpten uit de overige getuigenissen in het boek Eyewitness Bloody Sunday. Het verslag van de zestienjarige Denis McLaughlin, die bedolven onder lijken achter een barricade lag, is daar een van. Mullans conclusie: niet alleen de para’s op de grond schoten om te doden. Er bevonden zich bovendien Britse snipers op de Derry Walls, de stadsmuren van Derry. Onafhankelijk forensisch onderzoek bevestigde die visie.


In 1997 begonnen leden van het 1e bataljon van het roemruchte Parachute Regiment, de elite-eenheid die de schietpartij uitvoerde (anoniem) te spreken. Ze vertelden over ‘shameful and disgraceful acts’ die hadden plaatsgevonden, en over Widgery’s tribunaal waar hun getuigenissen werden veranderd omdat ze niet strookten met de ‘lijn van het onderzoek’ — namelijk: het leger boven elke verdenking verheffen. In de Sunday Business Post meldde een paratrooper (Soldier A) dat zijn eenheid in Noord-Ierland al vóór Bloody Sunday deelnam aan ‘roof, marteling, verminking en moord op burgers’. Bovendien, zei hij, was zijn eenheid een dag voor de actie door de luitenant aangemoedigd ‘to get some kills’. Geen probleem: iedereen in zijn eenheid beschikte over een eigen, persoonlijke — en dus oncontroleerbare — voorraad munitie, waaronder dumdumkogels die een spoor van verwoesting door het vlees trekken. Dumdumkogels vallen onder de verboden van de Geneefse Conventie — wie ze gebruikt maakt zich schuldig aan een oorlogsmisdaad. In die categorie valt ook het moedwillig schieten op ongewapende demonstranten — de anonieme parachutist was getuige van het doodschieten van vier weerloze, ongewapende betogers in Glenfada Park. Zeker één lag al gewond op de grond, en werd geëxecuteerd door een parachutist die ‘uit de heup’ schoot. Onlangs is die lezing bevestigd door onderzoekers van het nieuwe tribunaal. Afgaande op de kogelgaten in het jack van Jim Wray (22) bleek dat tenminste twee van de kogels waren afgeschoten terwijl hij op de grond lag. Van ongeveer een meter afstand.



IN 1997 GING ook de Ierse regering zich met de zaak bemoeien. In juni presenteerde de Ierse regering een kritisch onderzoek naar nieuwe en oude feiten aan haar Britse evenknie. Met Lord Widgery werd de vloer aangeveegd. Met behulp van de rechtsgeleerde professor Walsh werd het onderzoeksrapport uit 1972 volledig tot pulp vermalen. Walsh had de beschikking over de verhoren die de militaire politie van de parachutisten had afgenomen meteen na het bloedbad. Die getuigenissen verschilden in vrijwel alle gevallen enorm met de getuigenissen voor de commissie, en wel op zo’n manier dat Walsh niet anders kon concluderen dan dat in de nieuwe verklaringen moedwillig belastende feiten waren weggepoetst. De eerste verhoren (van meteen na het bloedbad) waren volledig bekend bij Widgery’s tribunaal én bij de verdedigers van de parachutisten. De advocaten die optraden namens de slachtoffers wisten niet van het bestaan af. Bovendien bleek dat er — ook dat was achtergehouden door Widgery — getuigenissen waren van vier soldaten die zich op de Derry Walls bevonden. Zij vertelden dat er inderdaad door snipers van boven op de menigte werd geschoten.


Widgery had de opdracht het leger te beschermen, stelden de Ieren. Na bekendmaking van het rapport kon Tony Blair niet anders dan een nieuw onderzoek aankondigen onder leiding van Lord Saville. Uit een geheim verslag tussen Widgery en de toenmalige Britse minister-president Heath bleek dat de laatste de leider van het onderzoek had aangespoord om het tribunaal niet in Derry maar in een protestantse stad te laten plaatsvinden en de rechtsgang ondergeschikt te maken aan de snelheid van het onderzoek. De Britten mochten niet het vertrouwen in de overheid verliezen, het leger móest gezichtsverlies bespaard blijven. Dat slachtoffers daarmee op alle fronten werden geschoffeerd, was van minder belang. ‘We moeten niet vergeten dat we hier niet alleen een militaire oorlog, maar ook een propaganda-oorlog vechten’, zei de premier tijdens het geheime onderhoud tegen de onderzoeksleider.



IN DAT LICHT moeten ook de recente ontwikkelingen worden bezien. De paratroopers en wellicht ook de sluipschutters op de Derry Walls hebben zich waarschijnlijk bediend van ‘speciale geweren’, gestuurd door generaal-majoor Robert Ford, commandant van de troepen in Noord-Ierland. Die schreef in een geheim memorandum drie weken voor Bloody Sunday: ‘De minimale maatregel die nodig is om recht en orde te herstellen is het neerschieten van bepaalde leiders van de DYH.’ DYH staat voor Derry’s Young Hooligans. De generaal liet speciale geweren vervaardigen die kleinere kogels afvuurden, waardoor minder ‘collateral damage’ zou optreden. Dertig proefexemplaren werden naar Derry gestuurd, aldus The Guardian. Het Britse ministerie van Defensie had er na Bloody Sunday 29 als bewijsmateriaal geconfisqueerd. Enkele dagen voordat premier Tony Blair bekendmaakte een nieuw tribunaal in te stellen, vernietigde het leger veertien geweren. Tien werden verkocht, en twee van de vijf resterende geweren werden zelfs toen het tribunaal al lang en breed draaide, vernietigd. Met die geweren, die nu niet meer aan modern forensisch onderzoek kunnen worden onderworpen, werden Michael Kelly en Gerard Donaghy (17) vermoord. De minister van Defensie maakte zijn excuses en stelde, uiteraard, een onderzoek in.


Het belangrijkste motief van de parachutisten om met scherp te schieten, namelijk dat ze werden beschoten door IRA-elementen tijdens de mars, is onderuitgehaald. Op niet één van de duizenden door Lord Saville bestudeerde foto’s is een wapen of bom in burgerhanden zichtbaar, en uit gelekte intelligence-informatie bleek dat tijdens Bloody Sunday bij de legertop bekend was dat de IRA, die de katholieke burgers niet in gevaar wilde brengen, zich niet zou laten zien. De laatste in het rijtje onthullingen zag afgelopen maandagavond het licht in het Channel 4-journaal. Twee dagen voor Bloody Sunday ving een radioamateur die de legerberichten scande het bevel op van een officier aan een soldaat die een jongen met een spijkerbom zag. Klip en klaar: ‘Shoot him dead.’



LORD SAVILLE of Newdigate wacht een ongehoord moeilijke taak. Het is zijn opdracht om ‘waarheid’ te brengen, niet om te beschuldigen. Maar kan hij wel openbaren dat het Britse leger bereid was (en wellicht nog steeds is) om ongewapende burgers dood te schieten, en dat ook deed? Dat kan een nieuwe lont zijn in het kruitvat dat Noord-Ierland nog altijd is. Want de unionisten steunen het leger, dat ze zien als hun enige veiligheidsgarantie, en het leger is pas weer ‘de trots der natie’ als er nieuwe onlusten uitbreken die ze de kop in moet drukken. Kiest Saville voor een eindrapport waarmee hij de rust in het leger en het unionistische kamp bewaart, dan krijgt hij het aan de stok met de katholieke nationalisten. Ook in dat geval komt het vredesproces verder in gevaar, want de Ierse regering zou zich — gezien de informatie die ze zelf aan het onderzoek leverde — nooit neerleggen bij het vrijuitgaan van het Parachute Regiment en de legertop.


Van Tony Blair heeft het leger vooralsnog echter niets te vrezen. Hij ziet het leger als ‘een voorbeeld voor de wereld: terughoudend en efficiënt’, zei hij in het parlement. Meteen nadat hij bekendmaakte een nieuw onderzoek in te stellen naar de gebeurtenissen op Bloody Sunday, sprak hij: ‘Ik wil uiting geven aan onze grote bewondering voor de manier waarop onze veiligheidstroepen jarenlang hebben gereageerd op het terrorisme in Noord-Ierland. (…) Jonge mannen en vrouwen wagen dagelijks hun leven om de levens van anderen te beschermen, de wetten te handhaven en de taken uit te voeren die wij ze hebben opgedragen.’


Het is een bloody question, die het tribunaal niet zal durven stellen: wie temt het leger?