Recensie: Literatuurgeschiedenis voor dummies

Dummies verdienen beter Recensie

Herman Beliën e.a. De canons: Wat iedereen wil weten over geschiedenis, literatuur, filosofie en wetenschapBert Bakker, 155 blz., e 9,95 Annette Portegies en Ron Rijghard Nederlandse literatuur in een notendopBert Bakker, 138 blz., e 9,95 Dick Jan Braggaar Nederlandse letterkunde voor dummiesAddison Wesley, 356 blz., e 27,9

Stemmen op Schrift van Frits van Oostrom en Altijd weer vogels die nesten bouwen van Hugo Brems vormen het magistrale openingsakkoord van een nieuwe literatuurgeschiedenis (zie elders in deze aflevering). Meer dan 550 pagina’s over de literatuur vóór 1300, ruim 650 pagina’s over de laatste zestig jaar: wie zich op de hoogte wil stellen van de Nederlandse literatuur kan even vooruit. En kan dat nog jaren, want de 645 jaar tussen 1300 en 1945 zullen even bloemrijk worden beschreven in zes boeken, te verschijnen tot 2010, die samen minstens 3500 bladzijden zullen beslaan. Uiteindelijk zal de Nederlandse literatuur beschreven zijn in bijna vijfduizend pagina’s – een woudreus te midden van het sprokkelhout van de neerlandistiek – en als de eerste delen representatief zijn voor het vervolg valt er nog veel te genieten. Maar wie zich snel wil informeren is misschien op zoek naar beknopter overzichten. Maar zijn die er?

Wie heel snel wil weten hoe het zit, zou De canons kunnen opslaan, waarin naast canons van de vaderlandse geschiedenis, de wereldgeschiedenis, de filosofie en de wetenschap ook de canon van de Nederlandse letteren is opgenomen. Het is de licht bewerkte versie van een stuk dat op 5 maart 2005 in NRC Handelsblad verscheen. Drie Amsterdamse hoogleraren, Herman Pleij, Marita Mathijsen en Thomas Vaessens, laten ons hier weten welke vijftig boeken we gelezen moeten hebben – «Dit is het minimum» – en vertellen in minder dan twintig pagina’s zoiets als een literatuurgeschiedenis. De letterkunde tot 1300 krijgt 499 woorden toebedeeld: minder dan één woord voor elke pagina in Stemmen op Schrift. Zo’n canon kan een rol spelen in discussies over nationale identiteit, over het onderwijscurriculum, over Delta- en andere reeksen, maar is als overzicht te beknopt – en bovendien wat al te stellig: de voorzichtige suggestie van Van Oostrom over een Spaans-Arabische achtergrond van Hebban olla vogala… wordt bij Pleij al bijna een islamitisch begin van onze literatuur; de ambivalente Reinaert – gewetenloze schurk die afschuw inboezemt, maar ook bewondering wekkende ontmaskeraar van machtsmisbruik – is «een anarchist die demonstreert dat verstand verder reikt dan botte macht». Het is een aardige bijdrage aan de canondiscussie, maar vanzelfsprekend geen beknopte literatuurgeschiedenis.

De meest serieuze kandidaat – en de duurste, dus je mag iets verwachten – is het zoveelste boek in een overbekende reeks: Nederlandse letterkunde voor dummies door Dick Jan Braggaar. Het omvat 356 bladzijden, bestaat uit 23 hoofdstukken waarin eerst enkele preliminaria aan bod komen (wat is taal? wat is literatuurgeschiedenis?) voordat de echte literatuurgeschiedenis begint. Aan het slot twee «hoofdstukjes» met tien beroemde romanopeningen en tien beroemde gedichten.

Wat heeft dit boek de onwetenden, de «dorpers» van de literatuur, te bieden op het gebied van de middeleeuwse letterkunde (om ons daartoe te beperken)? Veel feiten en feitjes. Verbazingwekkend veel teksten en auteurs komen ter sprake: min of meer bekende als Hebban olla vogala, Wachtendonckse psalmen, Heliand, Heinric van Veldeke, Karel ende Elegast, Brandaan, Roelantslied, Floris en Blancefloer, Roman van Walewein, Hadewijch, Reinaert. Maar ook teksten waar niemand buiten de muren van de academische neerlandistiek ooit van heeft gehoord: Vanden bere Wisselau, Seghelijn van Jerusalem, Flandrijs, Beerte metten brede voeten, Walewein en Keye. Over vrijwel alles heeft de auteur wel iets te melden, maar vaak is het zo beknopt dat er zelden iets sprekends te lezen valt. Veel problematischer is de ordening, of beter misschien, de afwezigheid van een beargumenteerde ordening. Een voorbeeld: op pagina 39 begint de afdeling over voorhoofse literatuur: Voorhoofs, van dik hout. Om te beginnen is de aanduiding voorhoofs discutabel voor een literatuur die pas tot ontwikkeling komt als de hoofse cultuur zich al ruim heeft verbreid. Maar gekker nog wordt het als onder dit kopje Heinric van Veldeke de rij opent. Als er in de Nederlandse literatuur één auteur de belichaming vormt van de hoofse literatuur is het juist Veldeke. Tot in het zuiden van Duitsland zag men hem al in de twaalfde eeuw als aartsvader van hoofse roman en minnelyriek.

Bij het aanbrengen van historische lijnen gaat er veel mis in dit boek, en niet anders is het bij de bespreking van afzonderlijke werken. Opnieuw een voorbeeld. Op pagina 54-55 komt de Walewein (die toch wel eenmaal Roman van Walewein genoemd had mogen worden) ter sprake. Deze roman over Walewein die een complexe zoektocht onderneemt naar een zwevend schaakbord dateert uit de dertiende eeuw, weten we al lang, en wordt tegenwoordig rond 1260 gedateerd. Hier lezen we «laat twaalfde eeuw» als datering. Het verhaal is een oorspronkelijke Nederlandse roman, al schrijft Pieter Vostaert, de auteur van het laatste deel van de roman (hij zette het werk van Penninc voort), dat het uit het Frans vertaald zou zijn. Hij doet dit, uiteraard, aan het einde van de roman. Maar dummies krijgen te lezen dat hij dit in het begin deed.

Walewein slaagt in zijn queeste en mag ten slotte trouwen met de mooie Isabele. De verteller vraagt zich echter af of hij dit werkelijk gedaan heeft. Walewein heeft immers de reputatie van eeuwige vrijgezel op zoek naar telkens een ander lief. De schrijver van Nederlandse literatuur voor dummies meent echter dat Walewein niet wil trouwen omdat dit het einde zou betekenen van zijn hoofse liefde voor de vrouw van koning Artur. Maar ieder die bekend is met de verhalen rond Artur weet dat niet Walewein maar Lancelot een geheime relatie heeft met Guinevere, de koningin… Jammer genoeg zijn deze missers geen uitzondering. Ze komen in het hele boek voor en zijn illustratief voor de al te gemakzuchtige wijze waarop uitgever en auteur dummies menen te moeten bedienen.

Sommige boeken in deze reeks zijn in ieder geval verteerbaar door een toon van lichtheid en bravoure, maar ook dat heb ik hier te weinig aangetroffen: de toon in het boek varieert tussen te joviaal en wel heel oubollig. En daarbij bevat de tekst stijlbreuken die, als ik ze bij studenten tegenkom, vaak regelrechte aanwijzingen blijken voor slordig citeren (plagiaat). En uit niets blijkt beter hoe gedateerd veel visies en feiten in dit boek zijn dan uit het regelmatig citeren van de meer dan een eeuw oude literatuurgeschiedenis van Jonckbloet, bijvoorbeeld wanneer de Brandaan ter sprake komt: «Zonderlinger mengelmoes van allerhande feiten, met zo weinig innerlijke waarde, is nauwelijks aan te wijzen.»

Gelukkig is er dan nog de juist in een geactualiseerde versie verschenen Nederlandse literatuur in een notendop van Annette Portegies en Ron Rijghard. Zo’n 130 pagina’s voor elf eeuwen literatuur. De auteurs laveren behendig langs alle stromen van de literaire delta en slagen er uitstekend in alle pleisterplaatsen aan te doen. Grote omissies kent dit boekje niet, en voor vroege hoogtepunten als Heinric van Veldeke en Vanden vos Reynaerde is zelfs iets meer dan een bladzijde ingeruimd. Toch blijven te veel teksten en auteurs in dit boekje slechts namen. Voor een snelle rondblik en als opfrissing van het geheugen voldoet het, maar een echte literatuurgeschiedenis is het niet – en wil het natuurlijk ook niet zijn.

Er is geen enkele reden voor een besluit in mineur: de «Notendop» is een mooi boekje en de grote literatuurgeschiedenis is indrukwekkend en goed – en weerlegt daarmee naar het schijnt alle voorafgaande scepsis. Maar tussen notendop en woudreus is er behoefte aan een handzame literatuurgeschiedenis waarin alle feiten te vinden zijn voor de leraar, de student, de bevlogen literatuurliefhebber, de beleidsambtenaar, en wat mij betreft de bewoner van de De Genestetstraat die meer wil weten over de naamgevers van straten in zijn buurt. Alle ons omringende literaturen hebben zulke boeken. In drie of vier pockets de hele Duitse, Franse of Engelse literatuur. En ze hebben er meestal verscheidene, vaak door gerenommeerde letterkundigen geschreven. Ze vormen de onmisbare schakel tussen encyclopedische compleetheid en tergende beknoptheid. Zo’n geschiedenis schrijf je niet op een achternamiddag, en moet de gebruikers niet als dorpers behandelen. Je hebt een paar kenners nodig die er tijd in willen steken. Maar zo’n beknopte literatuurgeschiedenis zou toch voor 2010 gereed moeten kunnen zijn. Aan de slag, neerlandici! * Johan Oosterman is docent Nederlandse letterkunde voor 1650 aan de Radboud Universiteit Nijmegen