Dunne huid

Er zijn dagen dat ik woest word van een barst in mijn koffiekopje. Dat ik uit het raam kijk en plotseling in tranen ben om de reliëfloze grijze lucht die zich daarachter uitstrekt, zonder enig mededogen voor de kleine mensen op deze planeet die maar wat ploeteren en halve levens verdoen met formulieren invullen, mails beantwoorden en zich afvragen of ze niet alles verkeerd hebben aangepakt, al een hele poos, en hoe ver zoiets eigenlijk teruggaat.

Op zulke dagen heb ik iemand nodig die uit professionele overwegingen aan me plukt. Mijn kapper, bijvoorbeeld.

Ik word gek van dit rothaar, zeg ik tegen hem als ik zijn zaak binnenstamp.

Mijn kapper werd me ooit aangeraden door een redacteur van dit tijdschrift, die zich na het uitspreken van haar tip onmiddellijk voor het hoofd sloeg omdat ze de kapper eigenlijk het liefst voor zichzelf wilde houden. Dat is begrijpelijk. Het is nooit leuk als iemand anders zich iets toe-eigent wat van jou is, zeker niet als je het zelf niet met goed fatsoen kan claimen.

Net als ik heeft mijn kapper een voorliefde voor bitchen op andere mensen, of liever gezegd op typen mensen. Mensen die zich niet gedragen in publiek, kappers die op een bijscholingscursus betweterig gaan zitten doen, vervelende huurders, domme toeristen die over straat lopen alsof het een doldwaze filmset is. Het heeft een zuiverende werking, dat categoriseren en veroordelen, het is gemakkelijk en behaaglijk, iets om je handen aan te warmen als het kil is.

Sommige van mijn vriendschappen zijn geheel rond dit principe georganiseerd. Dan heb ik het niet over de mindere vriendschappen, integendeel. Ik heb een voorkeur voor mensen die oordelend zijn, zoals ik ook een voorkeur heb voor mensen die van nature niet heel vrolijk of (erger) extreem energiek zijn. Met mijn beste vrienden deel ik een algehele zwaarmoedigheid van de ziel, een laagje roest tussen onszelf en de wereld. De mensen van wie ik het meest houd verdragen het niet om altijd onder de mensen te zijn. Soms verdwijnen ze een poosje in zichzelf, om dan plotseling weer op te duiken in mijn keuken, een glas wijn in hun hand, glurend naar mijn overburen, die avond aan avond bij elkaar aan een grote tafel zitten, badend in het warme licht van hun eigen perfectie. Daar gaat een hoop ellende achter schuil, verzeker ik mijn vrienden, die instemmend knikken.

Ik haat de moeder ogenblikkelijk. Met het kind is niks aan de hand

Van een goede vriendin heb ik geleerd dat de mensheid is op te delen in twee categorieën: zij die een dikke huid hebben en zij die een dunne huid hebben. Dat is niet in eerste instantie een beeldspraak. Er zijn gewoonweg mensen wier huid dun en broos om hun botten en spierweefsel ligt, en mensen met een huid die zich romig en vanzelfsprekend om hun lichaam vormt. Ik vraag haar in welke categorie mijn huid valt. Dik, natuurlijk, antwoordt ze. Anders zou onze vriendschap bij voorbaat al verdoemd zijn.

In haar memoire The Odd Woman and the City beschrijft Vivian Gornick haar decennialange vriendschap met Leonard. Al meer dan twintig jaar ontmoeten ze elkaar wekelijks voor een lange wandeling door hun stad New York, een etentje en een film. Alleen tijdens de film houden ze hun mond, voor het overige is hun vriendschap een eindeloze conversatie. Ze delen een hang naar het negatieve, hun glazen zijn altijd halfleeg, in welke omstandigheid dan ook. Meer dan ééns per week verdragen ze elkaars ironie en meedogenloze oordeelsvermogen niet, minder ook niet.

‘How does your life feel to you these days?’ vraagt Vivian bij aanvang van het boek aan Leonard. ‘Like a chicken bone stuck in my craw,’ antwoordt die. ‘I can’t swallow it and I can’t cough it up. Right now I’m trying to just not choke on it.’

Als ik met mijn pas geknipte hoofd de kapperszaak uit loop, bots ik op tegen een kleine jongen die wordt meegetrokken aan de hand van zijn moeder. Het is mijn schuld, een volwassene hoort te weten hoe je je door een stad beweegt en waar de kinderen zich bevinden. Oei, zeg ik, sorry, en even weet ik niet precies wie ik ben, wie die vrouw is met dat kapsel, of het de lucht is die me deprimeert of mijn leven.

Woedend kijkt de moeder me aan. Ze hurkt zich neer bij het kind, dat er bedremmeld bij staat. Gaat het? vraagt ze hem, gaat het wel liefje?

Ik haat haar ogenblikkelijk. Met het kind is niks aan de hand, het loopt op straat en leeft en leert dat er ook andere mensen op straat lopen. Rotwijf, denk ik.

Rotwijf met je dunne huid.