Sport

Duo

Het Sociaal en Cultureel Planbureau deed onderzoek naar misstanden in de breedtesport. Mooi begrip, ‘breedtesport’. ‘De sport fungeert niet alleen als spiegel maar ook als vergrootglas van maatschappelijke ontwikkelingen’, schrijven de onderzoekers.

Daarom strekt het belang van het onderzoek Een gele kaart voor de sport: Een quick scan naar wenselijke en onwenselijke praktijken in de breedtesport verder dan alleen de sport zelf. De hele samenleving heeft er iets aan – en kan zich schamen.

Want het vergrootglas laat ons verontrustende dingen zien. Uit de quick scan komt naar voren dat ‘de breedtesport (…) niet gevrijwaard is van onwenselijke praktijken. Vooral teamcontactsporten beoefend door mannen hebben hier mee te maken.’

Er zijn vier onderscheiden onwenselijke praktijken: verbale en fysieke agressie, discriminatie en intimidatie van specifieke groeperingen, drankgebruik en tot slot roken.

Dat is allemaal heel erg, maar het ergst is natuurlijk het roken. Roken is een onwenselijke praktijk in de breedtesport. Want: ‘Ruim de helft van de sporters ergert zich eraan wanneer collega-sporters roken. De tolerantie jegens roken (en alcoholgebruik) ligt bij teamsporters het hoogst en bij solosporters het laagst (duosporters nemen een middenpositie in).’

De irritatie viert hoogtij in de sport. Vaak over het hoofd gezien worden de duosporters. In de duosport luistert het allemaal erg nauw hoe de leden van het duo zich tot elkaar verhouden. Kleine misstandjes kunnen grote gevolgen hebben. Dat geldt voor bijvoorbeeld de duo-sportende roeier, de twee zonder stuurman, of het tennisdubbel: als het tweetal geen geoliede machine is, zal de prestatie minder zijn.

Het gaat in verhevigde mate op voor synchroon-duosporten, bijvoorbeeld synchroonschoonspringen, waarbij de synchroonschoonspringers van de driemeterplank naar het water moeten zweven als waren ze één. Elkaars spiegelbeeld. Daar mag niks misgaan. Als één van het duo zich bijvoorbeeld stoort aan het rookgedrag van de ander, tijdens of na de wedstrijd zullen er spanningen ontstaan, die de concentratie aantasten.

En dan hebben we het alleen nog maar over roken. Dus is Een gele kaart voor de sport op zichzelf niet voldoende. We hebben iets nodig als Samen sporten doe je niet alleen: Een verkenning naar misstanden en ergernissen in en om de duosport. Met cijfers en statistieken die alles verhelderen.

Van de duosporters heeft 58 procent in zekere mate last van andere sporters in het algemeen, en 76 procent van de teamgenoot (m/v) in het bijzonder. Onder synchroonsportbeoefenaars ligt dat percentage nog hoger. Met name de synchroontrampolinespringers blijken gevoelig te zijn voor het gedrag van collega’s.

Als we de gedragingen van collega-sporters uitsplitsen naar de diverse subvormen, zien we het volgende.

De duosporter stoort zich het meest aan het eetgedrag van de collega. Met name genoemd worden ‘smakken en tjompen’, ‘lippenlikken met natte tong’, ‘een slok nemen en op iets kauwen tegelijkertijd’, ‘praten met volle mond’, ‘verlekkerd doen’ en ‘stom zuchten tijdens het eten’.

Het praatgedrag kan ook irritatie wekken. 74 procent stoort zich wel eens, en 44 procent stoort zich vaak aan de teamgenoot. Vooral ‘stoer doen’, ‘aanstellen’, ‘overdreven lachen’, ‘suffe woorden gebruiken’, ‘fluisteren’, ‘giechelen’ en ‘lachen waar je bij bent’ scoren hoog. Maar ook ‘plat praten’, waarbij Limburgs de lijst aanvoert.

Telefoneer- en omkleedgedrag blijken ergerniswekkend te zijn (‘bepaalde dingetjes’, ‘zo heel schel en hoog lachen, als een wijf’, ‘eerst zijn broek uit en dan pas zijn sokken’, ‘staat uren voor de spiegel, terwijl-ie oerlelijk is’, ‘die belachelijke inlegzooltjes’, ‘als ik zulke benen had ging er naast lopen’).

Samen sporten doe je niet alleen laat verder haarscherp zien dat op diverse gebieden wrijving kan ontstaan onder beoefenaars van duo-breedtesporten. In de denksporten blijkt de grens tussen een soepele en een stroeve samenwerking het dunst. Bridgers, die vaak urenlang aan een tafel zitten, in slecht geventileerde ruimtes, onder spanning, geven aan (88 procent!) wel eens te hebben opgemerkt dat de ander, de partner, vies rook (‘naar oude sokken’, ‘ongewassen knieën’, ‘een muffe kelder’, ‘zo’n pluche gordijn als je bij je oma op bezoek ging’, ‘poezenmand van de benedenburen’, ‘een gracht op een hete zomerdag’).

Als het gedraaggedrag van de collega-sporter de duo-breedtesporter eenmaal ergert, is er weinig kans op verbetering van de verhouding. De statistieken wijzen uit dat binnen twee maanden na de eerste irritatie een onwerkbare situatie kan ontstaan (‘die kop van hem kon ik niet meer zien. Ik werd misselijk als we samen moesten trainen. Het waren bepaalde dingetjes’).

Verder onderzoek is geboden.