Heerlijke nieuwe wereld: Katie Roiphe

‘Durf een rommelig leven te leiden’

De Amerikaanse essayiste Katie Roiphe neemt een sluimerend infantilisme waar onder haar twintigjarige studenten. Ze hebben het te goed en worden te lang verzorgd door hun ouders. ‘Ik ben geneigd ze Philip Roth en John Updike te laten lezen.’

Medium katieroiphe

Een kleine ironie: op een donderdagavond is de Amerikaanse essayiste Katie Roiphe te gast in een nieuwe talkshow van debatcentrum Spui25 in Amsterdam, Weijers Van Saarloos, naar de twee gastvrouwen van dienst die het zelf over ‘een seksistische talkshow’ hebben. Maar dan eens seksistisch vanuit de vrouw. De zaal zit in ieder geval zo vol met meisjes dat de paar aanwezige jongens elkaar wat beteuterd aankijken. Vanuit het publiek wordt een column voorgedragen: schrijfster Hanna Bervoets vertelt, vrij naar Roiphe, over haar rommelige leven, over hoe ze dronken een wachtwoord is vergeten en alleen nog weet dat ze het naar haar eerste huisdier had vernoemd, het konijn Zwartwitje, hoe gek ze op dat beest was en dat ze niet meer weet hoe ze precies zijn naam schrijft, waardoor ze niet kan inloggen.

De middag daarvoor, in de bibliotheek van haar hotel aan de Keizersgracht, had Roiphe het nog over haar studentes aan de New Yorkse universiteit waar ze doceert, en hun obsessie met huisdieren. ‘Je zou verbaasd staan te kijken hoeveel van mijn studenten, vooral de vrouwelijke, als ze de kans krijgen referaten houden en essays schrijven over Disney-films, over hoe belangrijk hun lievelingsknuffel voor ze was, hoezeer ze het verlies van hun eerste huisdier nooit zijn vergeten. En dan heb ik het niet over cultuurkritische essays over Disney-films, of analytische ontledingen. Ze zijn er volledig van overtuigd dat het normaal is om als meerderjarige vrouw bloedserieus over je huisdier te praten. Mijn vraag is dan: hoe geprivilegieerd hebben we onze kinderen opgevoed dat ze hun eigen jeugd zo durven te cultiveren?’

Zowel in Spui25 als in het interview spreekt Roiphe (1968) in duidelijk gearticuleerde volzinnen. Ze is klein en dun, heeft een paar maanden oude uitgroei in haar lange krullen en luistert goed wanneer je spreekt. Ze is erg vriendelijk. En toch is ze al zo’n twintig jaar het haatobject van de intellectuele klasse van de Verenigde Staten. In 1994 dook ze op de opiniepagina’s op met een artikel (dat ze later uitbreidde naar een boek, The Morning After) over seksuele mores op Amerikaanse universiteiten, waarin ze kritiek uitte op de schijnbaar passieve houding van studentes ten opzichte van meer dominante studenten en over het fenomeen date rape, dat in haar ogen veelal ten onrechte zo werd genoemd. Het leverde haar evenveel lof op als woede. Ze zou verkrachting goedpraten, ze zou onverantwoordelijk zijn naar de slachtoffers, ze zou het feminisme hebben verraden, maar ondertussen zwengelde ze wel een heel debat aan over de greep die de politieke correctheid had op seksualiteit in de academische wereld. Daarna schreef ze meer boeken, onder meer over de huwelijken in de literaire Bloomsbury-groep, maar telkens wanneer ze essayerend haar eigen bevolkingsgroep onderzocht (hoogopgeleid, blank, woonachtig in een grote stad) regende het woedende commentaren in de blogosfeer en op de fora van The New York Times of slate.com.

In haar nieuwste essaybundel, Lof op het rommelige leven, staat het nette, veilige, afgebakende leven dat we nu leiden centraal. Het begon met een essay dat ze schreef over de gelauwerde tv-serie Mad Men die net halverwege het eerste seizoen was. Roiphe: ‘Waarom was Mad Men zo populair? vroeg ik me af, nog even afgezien van de plot en de goede acteurs en actrices. Wat ik fascinerend vond was dat dat eerste seizoen zich afspeelt op een reclamebureau in 1960 – als er nog allerlei bekrompen ideeën heersen over man-vrouwverhoudingen of zwart-witverhoudingen – en dat de personages een aanzienlijk wilder leven leiden dan wij vandaag doen. Kijken wij niet zo verlekkerd naar Mad Men omdat wij zelf niet meer zo durven te leven, zijn we niet veel veiliger geworden, als individuen, en zijn we niet, nu we al het seksisme en racisme van die tijd hebben afgegooid, als groep op onze eigen manier conservatief geworden?’

Of zoals ze schrijft in haar bundel: ‘Tegenwoordig leggen mensen van Don Drapers (Mad Men’s hoofdpersoon – jdv) leeftijd en milieu zich toe op mooie vakantiereizen maken of etentjes organiseren met capellini met biologische citroenricotta of risotto met crème fraîche en verantwoord gevangen zalm. Maar gaan ze ook los met dezelfde argeloze drankzucht, laten ze zich ook gaan met dezelfde roekeloosheid, proberen ze elke dag eenzelfde mate van liederlijk “plezier” te beleven?’

Nu zegt ze: ‘Ik denk dat onze progressieve, tolerante maatschappij een eigen vorm van onderdrukking kent, van een heel conservatieve kern die heel onopgemerkt in het leven van de hoog-bourgeois, verlichte, weldenkende klasse is geslopen. Als je de memoires van mijn moeder leest (Anne Roiphe, bekend als feministisch schrijfster – jdv) over haar leven in literair New York in de jaren zestig en zeventig, lees je over een wereld waar mensen niet bang waren om iets te verprutsen, een huwelijk of een baan. Waar mensen op feestjes daadwerkelijk feestten, waar transgressie nog eens in de lucht hing, mooi samengevat door de dichter John Berryman als “Somebody slapped/ Somebody’s second wife somewhere”. Ik verkeer nu in dezelfde cirkels als zij, maar dertig, veertig jaar later, en daar is het doodnormaal als mensen zeggen: “Ik ga vroeg naar huis, dan hebben we nog iets aan onze zondagochtend.”’

Hoe ziet de onzichtbare conservatieve kern van het progressieve leven eruit?

‘Ik denk dat die het best zichtbaar is in de manier waarop we met onze kinderen bezig zijn. Ik kom net iets te vaak op etentjes waar mannen en vrouwen heel bevlogen over de opvoeding van hun kinderen praten. En dat doen ze op een heel intelligente, bijna intellectuele manier: ze weten de voedingsstoffen van allerlei etenswaren uit hun hoofd, lezen rapporten over de veiligheid van bepaald speelgoed. Maar dat is vervolgens het enige waar ze intelligent over willen praten. Al het andere lijken ze te laten lopen. Het is alsof ze het ouderschap in de plaats laten komen van alle andere vormen van volwassen leven. Ze trekken zich terug in de veilige schulp van het ouderschap, waarmee ze het leven heel klein maken.’

‘Mannen en vrouwen trekken zich terug in de veilige schulp van het ouderschap, waarmee ze het leven heel klein maken’

Maar is dat conservatief?

‘Hoe conservatief dat daadwerkelijk is, merk je wanneer je van dit pad afwijkt. Dan merk je dat er voor deze groep maar één manier is om “goed te leven”. Ik denk dat het codewoord in dit verband health is: als je het over health hebt, heb je het ogenschijnlijk over biologisch vlees, organisch voedsel, over dagelijks bewegen, over regelmatig de natuur in gaan. Maar stiekem heb je het over veel meer. Bij een healthy leven ga je met het hele gezin op vakantie, dus gescheiden zijn is niet healthy. Bij een healthy leven drink je weinig en heb je niet te veel afspraakjes met verschillende mannen, dus vrijgezel zijn is niet healthy. In progressief Amerika is het onmogelijk om te zeggen dat je op iemand neerkijkt, maar een concept als health is een manier om goed en fout leven van elkaar te onderscheiden.’

U bent zelf moeder van twee kinderen en ongetrouwd.

‘Ik schrijf erover dat toen ik in scheiding lag mensen me behandelden alsof ik terminaal was, zoveel medelijden hadden ze met me. Het was maar een scheiding! En ik merkte het later toen ik opnieuw zwanger was en de vader nergens in beeld was, dat iemand tegen me zei: “Maar waarom wacht je niet tot je weer getrouwd bent en neem je een normaal kind?” Met andere woorden: een kind buiten het huwelijk is niet normaal. En dat terwijl 53 procent van de kinderen in de VS wordt geboren bij ongetrouwde vrouwen. Onze psychologische instelling loopt achter bij de feitelijke samenleving.’

In het eerste seizoen van Mad Men is Don Draper bij zijn minnares, een mooie, ongetrouwde kunstenares zonder baan of kinderen, en zegt hij: ‘I can’t decide if you have everything or nothing.’

‘Precies. En ik denk dat we als maatschappij die vraag beantwoord hebben. We vinden dat ze niets heeft, alleen dat zeggen we niet hardop.’

Op de avond in Spui25 lacht Roiphe veel, maar grijpt ze één keer in – een beetje – als ze zegt dat het gevaar op de loer ligt dat van haar bundel een parodie wordt gemaakt, dat het lijkt alsof ze pleit voor roken, voor vreemdgaan, voor met een permanente kater door de dag heen gaan. We moeten haar ‘rommelige leven’ niet opvatten als het tegenovergestelde van healthy life – ‘Eet vooral fruit’, zegt ze – maar als een leven dat niet via een vaststaand parcours verloopt, binnen vaststaande kaders. Roiphe: ‘Het gekke is dat zoveel ouders van nu niet op die manier zijn opgegroeid. Hun ouders rookten waarschijnlijk thuis, of gaven feestjes waar de kinderen hielpen de cocktails te maken, en zij zijn toch prima terechtgekomen?’ (Of zoals ze het in haar boek schrijft: ‘Tijdens de lange, taaie uren van verveling, op de eenzame, toezichtloze, ongestructureerde momenten, kon iets tot bloei komen; in die speelruimte werden we onszelf.’)

Als die conservatieve kern er dertig jaar geleden niet was, wat is er dan veranderd?

‘Kinderen van nu zullen minder snel denken: hé, laat ik een arme maar geëngageerde dichter worden’

‘Geld. We zijn niet alleen heel rijk geworden, de samenleving is geobsedeerd geraakt door die rijkdom. Tv-series spelen zich bij voorkeur af in lommerrijke buitenwijken of aan Fifth Avenue. De meeste schrijvers schrijven niet alleen over de high bourgeoisie, maar maken er ook deel van uit. Zoiets als outsider writing bestaat nagenoeg niet meer. En we zijn ons zo bewust geworden van onze rijkdom dat we steeds meer dingen gaan zien als statusobject. Zo ook dat goede leven, the healthy life. Om de hele dag met je kind bezig te zijn – that’s money. Dat moet je je maar kunnen veroorloven, zoals je je het moet kunnen veroorloven om privé-les voor je peuters te kunnen betalen, of de ergonomische duizend dollar kostende babywagen, of het winkelen bij de dure biowinkels. Kun je deze dingen in Nederland voor je zien?’

Wij hebben die babywagens ook. Of onze bakfietsen, die een soort statussymbool zijn geworden.

‘Echt waar? Mijn buurvrouw in Brooklyn is Nederlands en zij heeft haar bakfiets helemaal laten invliegen.’

Een collega vergeleek de bak op de bakfiets met een soort openbaar verlengstuk van je baarmoeder.

‘Natuurlijk, zoiets heeft ook alles met display te maken. Zo werkt status.’

Maar wat voor kinderen voeden we op deze manier op?

‘Ik geef les aan begin-twintigers, dagelijks. Dus ik hoop dat ik er wel een goede kijk op heb. Je merkt dat er bij hen een sluimerend infantilisme is geïnternaliseerd. Zie hun voorliefde voor overleden huisdieren. Om even terug te komen op hun ouders: je kunt elke keer dat kinderen online gaan over hun schouders meekijken. Je kunt hun dag volstoppen met afspraakjes en vioolles en sporttraining en ze als persoonlijke chauffeur overal naartoe brengen – maar ik heb niet het idee dat je ze dan opvoedt als onafhankelijke personen. Ze leren niet zelf denken en zelf dingen doen. Of zoals een sociologe treffend zei: “Ik denk dat er meer dan drie jaar moet zitten tussen het moment dat een kind voor het eerst zonder ouderlijke begeleiding de straat mag oversteken en het voor het eerst een condoom om doet.” Op universiteiten is het gebruikelijk geworden dat aan het eind van bezoekdagen wordt omgeroepen dat de ouders de campus weer moeten verlaten, anders gaan ze gewoon niet weg.

Die enorme splendid isolation waar ze in opgroeien, werkt als oogkleppen. Ze groeien op in een uniforme wereld, met soortgelijke kinderen van soortgelijke ouders – want anders zouden die ouders ze niet met elkaar laten omgaan – waardoor ze niet zullen bedenken dat het leven dat zij moeten gaan leven er anders uit zou kunnen zien. Ze zullen minder snel denken: hé, laat ik een arme maar geëngageerde dichter worden, of: laat ik eens verslaggeving vanuit Afghanistan doen. Ze weten dat veiligheid met geld te maken heeft, dus ze mikken op geld. Deze kinderen krijgen een existentiële crisis geïndoctrineerd, want je kunt makkelijk voorspellen dat dit de mensen zijn die zich over twintig jaar als veertiger te pletter vervelen. En dat terwijl de kinderen op de universiteiten vaak juist uit milieus komen waar ze het zich zouden kunnen veroorloven niet het standaard succestraject te kiezen. Toen hij een jaar of twintig was, vroeg ik aan mijn neefje wat hij later wilde worden en hij antwoordde: iets waarmee ik een heel mooi appartement kan kopen. Dat is hetzelfde neefje dat op de universiteit Tolstoj moest lezen en tegen mij zei: “Ik snap niet hoe Tolstoj mijn leven productiever zal maken.” Op zo’n manier sluit je je bij voorbaat af van andere manieren van denken dan je gewend bent. Je merkt dat de studenten klein leren denken, je merkt het ook aan hoe ze praten, hun woordgebruik, alles is ironie. Alles knijpt de grote levensambities af, het staat het ondergaan van ervaringen – het soort dat je leven kan veranderen – in de weg.’

‘Mijn buurvrouw in Brooklyn is Nederlands en zij heeft haar bakfiets helemaal laten invliegen’

Is ironie het ultieme symbool?

‘Ik denk dat ironie een gevaar op zichzelf is. Het gaat er niet alleen om hoe ze praten, want zoals Orwell schreef: “Als gedachten taal kunnen corrumperen, dan kan taal ook gedachten corrumperen.” Een tijdje terug had ik een studente die een brief wilde schrijven aan haar stagebegeleider, om hem te bedanken. In de kladversie van de brief had ze een knipoog-emoticon getekend. Ze begreep wel dat ze in een officiële brief aan een professionele relatie geen emoticon kon zetten, maar ze vroeg of ik haar wilde helpen, want ze wist niet hoe ze de emoticon in woorden kon uitdrukken. Als ze niet ironisch kon zijn, wist ze niet welke toon ze moest aanslaan. De ironie knijpt ze af.

Natuurlijk is dat een uitzondering. Ik ben gek op mijn studenten, ze doen enorm hun best. Maar ik doceer onder meer literatuurkritiek en dan laat ik ze een boek lezen en dan moeten ze twee recensies schrijven: een negatieve en een positieve. De negatieve is stelselmatig beter, zonder uitzondering. Dat venijnige, dat ironische, gaat hun zo vanzelfsprekend af.’

Zegt het dan veel dat David Foster Wallace gezien wordt als de invloedrijkste schrijver van de laatste jaren?

‘David Foster Wallace maakte ooit John Updike belachelijk omdat hij zoveel over seks schreef. Een fallus met een woordenboek noemde hij hem omdat Updike geloofde dat seks een verlossende, verheffende ervaring kon zijn. Maar wat Wallace’s eigenlijke probleem was – en dat geldt in meer of mindere mate ook voor generatiegenoten als Jonathan Franzen en Jeffrey Eugenides – is dat hij überhaupt niet kon geloven dat liefde of een relatie of welke ervaring dan ook iets verheffends, life changing kon zijn. En dat kan natuurlijk wel. Dus ben ik meer geneigd mijn studenten Updike dan Wallace te laten lezen. Ik blijf geloven dat door ze Mad Men te laten zien, door ze Philip Roth en John Updike te laten lezen, je ze een alternatief levenspad kunt tonen. Je moet de luiken naar de wereld open zetten. En dat werkt. Daar ben ik heel optimistisch over. Of heel naïef.’

Katie Roiphe, Lof op het rommelige leven, De Bezige Bij, 264 blz., € 22,90. Vertaald door Toon Dohmen


Heerlijke nieuwe wereld?

De wereld bevindt zich op een snijvlak. De alomtegenwoordige crisis – niet alleen in de economie, maar ook in de politiek en het milieu – doet vermoeden dat er een tijdperk is afgesloten. ‘Niets wordt meer als vroeger’, betogen politici van links tot rechts. Maar hoe wordt het dan wel? Hoe moeten we de huidige crises begrijpen, wat kunnen we verwachten van de stormachtige technologische ontwikkelingen, wat betekent dit voor ons mensbeeld, en waar gloort er hoop?

In een serie interviews met De Groene Amsterdammer buigen de meest toonaangevende denkers van het moment, uit binnen- en buitenland, zich over deze vragen – en komen al tastend tot een antwoord: hoe ziet die heerlijke nieuwe wereld eruit?

Beeld: Anna Schori / Eyevine / HH