Essay De relevantie van wetenschappelijk onderzoek

Dus ik betaal jou eigenlijk?

Zou het subsidiegeld voor politicologisch onderzoek niet beter linea recta naar de voedselbank overgemaakt kunnen worden? Een briefwisseling over de onzekerheid van de wetenschappelijke elite.

Beste Meindert,
Afgelopen weekend bezocht ik een verjaardagsfeestje waar ik bij voorbaat al liever niet naartoe was gegaan. Een kwestie van loyaliteit aan mijn vriend. Omdat de jarige en ik de deur niet bij elkaar platlopen werd op een gegeven moment over tafel geroepen: ‘En wat doe jij nou eigenlijk?’ Ik antwoordde naar waarheid: 'Ik promoveer aan de UvA bij de afdeling politicologie, op de demonisering van politici en politieke partijen.’ Mijn mededeling werd beantwoord met een scheef gezicht, gevolgd door: 'Maar wat doe je dan echt?’ Ik legde uit dat ik grotendeels bezig was met het doen van onderzoek en dat ik daarnaast ook onderwijs moet geven. Zoals verwacht scoorde die laatste toevoeging het beste. Onderwijs geven, ja dat kon zijn instemming wel krijgen. Maar dat geneuzel over onderzoek doen naar demonisering was hem nog te vaag. Waarom werd daar überhaupt onderzoek naar gedaan? Dat de media Fortuyn letterlijk kapot gedemoniseerd hadden, was toch zo klaar als een klontje?
Ik had niet mijn sterkste dag en bracht slechts wat flarden aan argumentatie in: het lag allemaal wel wat meer genuanceerd en ik voegde nog iets toe over het belang van een inhoudelijk en open democratisch debat. Volgens mij gebruikte ik ook nog de woorden maatschappelijke relevantie. Met de onbedoelde strategie van Truman if you can’t convince them, confuse them was de zaak hiermee afgedaan. Maar op de fiets terug naar huis zat het me toch niet lekker.
Enkele weken later werd ik opgebeld door een kennis die mij om een gunst wilde vragen. Hij startte het gesprek als volgt: 'Hé! Ben je nog steeds betaald studentje aan het spelen?’ Die aanhef kwam niet uit het niets. Eerder hadden wij een kort gesprek gehad over subsidies voor wetenschappelijk onderzoek waarna hij mij had gevraagd: 'Dus ik betaal jou eigenlijk?’
Bij de wekelijkse lunch besloot ik eens te peilen wat mijn collega-promovendi hiervan vonden. Een van hen stelde dat ik mij niet uit het veld moest laten slaan door dit soort opmerkingen. Ieder land heeft toch zijn culturele elite nodig? Hoewel goed bedoeld en waarschijnlijk ook terecht, vond ik deze opmerking eerder ongemakkelijk dan geruststellend. Want met de nadruk op elite wordt, zo stel ik me voor, juist de vinger op de zere plek gelegd: wij promovendi bij politicologie (of alle politicologen for that matter) zijn de 'vrijgestelden’ terwijl anderen 'echte’ arbeid moeten verrichten.
Wellicht kun je nu gaan denken dat ik niet de juiste persoon op de juiste plek ben, maar aannemelijker is dat dit verschijnsel in zijn algemeenheid kleeft aan de sociale wetenschappen. Ik kan me namelijk slecht voorstellen dat mensen zich afvragen waarom er in vredesnaam onderzoek wordt gedaan naar het genezen van leukemie. In The New York Times verscheen vorig jaar een artikel waarin werd aangehaald dat Tom Coburn, Republikeins senator van Oklahoma, eind vorig jaar heeft voorgesteld om de National Science Foundation geen geld meer te laten verspillen aan het subsidiëren van onderzoeken binnen de politieke wetenschappen. Volgens Coburn zijn de journalisten van CNN, Fox News, MSNBC en andere media net zo goed in staat om dezelfde vragen te beantwoorden. En dan ook nog vanuit verschillende perspectieven. Coburn is van mening dat de ruim negentig miljoen dollar die de National Science Foundation de afgelopen tien jaar besteedde aan de sociale wetenschappen beter naar biologie, scheikunde of medicijnen hadden kunnen gaan. Het voorstel van Coburn stuitte veel sociale wetenschappers, en met name politicologen, tegen de borst. Zij wezen hem er daarom direct op dat een van de Nobelprijswinnaars van afgelopen jaar veelvuldig gesubsidieerd werd door ditzelfde instituut. En volgens Jeffrey C. Isaac, professor in de politieke wetenschappen aan Indiana University, is veel van het werk dat voortkomt uit subsidiegelden van de National Science Foundation juist uiterst nauwgezet en waardevol.
Niettemin moeten ook Coburns meest felle tegenstanders erkennen dat binnen de Amerikaanse politieke wetenschappen zelf veel onenigheid bestaat over de gewenste richting van de discipline, en ook over het nut. Onder sommige politicologen heerst momenteel het onaangename gevoel dat de discipline weinig resultaten oplevert die er werkelijk toe doen. De snelle opkomst van vergevorderd statistisch onderzoek en het toenemende gebruik van mathematische modellen zou hier in belangrijke mate aan bijdragen. Steeds vaker worden op deze wijze deelvragen van deelvragen beantwoord. Volgens Jospeh Nye, professor aan Harvards John F. Kennedy School of Government, bepalen statistische technieken inderdaad maar al te vaak de aard van het politicologisch onderzoek, waardoor wetenschappers zich steeds meer distantiëren van de realiteit. De motivatie om nauwkeurig te zijn wint het van de relevantie. Nye stelt zodoende dat momenteel het gevaar bestaat dat de politieke wetenschappen meer en meer gaan zeggen over minder en minder. Robert Putnam, professor aan hetzelfde instituut en voormalig president van de American Political Science Foundation, roept collega’s daarom op om de grote vragen niet te schuwen.
Zelfs Coburns hartstochtelijke tegenstander Isaac erkent deze problematiek en stelt dat politicologen elkaar voor de gek zouden houden wanneer ze beweren dat politicologisch onderzoek ontegensprekelijk het maatschappelijk belang dient. Aan politicologen nu de schone taak om meer aandacht te besteden aan de maatschappelijke relevantie van hun onderzoek, stelt hij.
Meindert, wat vind jij van deze discussie? Heb jij jezelf wel eens betrapt op de gedachte dat subsidiegeld voor politicologisch onderzoek beter linea recta naar de voedselbank overgemaakt had kunnen worden? Ook ben ik benieuwd hoe jij denkt dat het idee dat politicologen essentieel zijn voor het bestaan van een culturele elite zich verhoudt tot de discussie over de toenemende specialisatie en afnemende relevantie binnen het vakgebied. Met andere woorden: doet een toenemende specialisatie afbreuk aan de functie om onderdeel te zijn van een culturele elite?
Sjoerdje

Beste Sjoerdje,
Ik houd nu vakantie in La Jolla (bij San Diego) en woon daar, dankzij home exchange, op driehonderd meter afstand van de Nederlands-Amerikaanse politicoloog Arend Lijphart, die in 1968 beroemd werd met zijn studie Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek. In dat boek ging hij uit van de door alle politieke filosofen, van Aristoteles tot Rousseau, verdedigde stelling dat in sterk verdeelde samenlevingen een stabiele democratie niet mogelijk is. Het verzuilde Nederland liep dus groot gevaar uiteen te vallen doordat de verschillende bevolkingen (protestanten, katholieken en socialisten) door diepe breuklijnen van elkaar gescheiden waren en elkaar bovendien vijandig gezind. Toch was de democratie in Nederland in de periode van de verzuiling juist heel stabiel.
Dat kwam volgens Lijphart door een self-fulfilling prophecy. Juist omdat de elites zich bewust waren van het gevaar van instabiliteit gingen zij samenwerken en zo ontstonden op eliteniveau de dwarslopende verbindingen tussen de bevolkingsgroepen die tussen hun achterbannen ontbraken. Hij noemde zo'n stelsel een pacificatiedemocratie, die zijn stabiliteit ontleende aan de samenwerking tussen de leiders van de vijandige bevolkingsgroepen. Hij beschouwde dat model destijds als een second best-optie voor langs religieuze of etnische lijnen gespleten samenlevingen zoals Zuid-Afrika, Libanon, België of Zwitserland. Lijphart adviseerde de leiders van de Zuid-Afrikaanse bevolkingsgroepen in het begin van de jaren negentig om de Zuid-Afrikaanse democratie langs de lijnen van het pacificatiemodel op te zetten.
Later concludeerde hij op grond van een studie naar 36 democratieën dat zo'n pacificatiedemocratie - die hij inmiddels consensusdemocratie was gaan noemen - eigenlijk beter functioneerde dan een meerderheidsdemocratie, ook in niet gesegmenteerde samenlevingen. In een consensusdemocratie is meer respect voor minderheden, de kabinetten zitten hun regeringsperiode vaker uit en er gaan meer mensen naar de stembus. Honderden onderzoekers hebben Lijpharts model verder uitgewerkt en met behulp van ingewikkelde statistische modellen getoetst. Vorig jaar nog kwam ons beider collega Tom van der Meer tot de conclusie dat de consensusdemocratieën toch minder goed scoren als het gaat om verschillende vormen van burgerparticipatie.
Sinds de opkomst van Wilders is onze ontzuilde samenleving weer tot op het bot verdeeld. Aan de ene kant staan nu de Nederlandse moslims en hun sympathisanten. Aan de andere kant de aanhangers van Wilders die in de islam de vijand zien van alles wat zij waardevol achten aan de Nederlandse cultuur. De politieke elite doet nu een poging om dit conflict op de klassieke manier te pacificeren via een coalitie gebaseerd op een 'agreement to disagree’. Politicologen zijn, net als andere burgers, verdeeld over de vraag of zo'n ouderwetse poging om op eliteniveau te verbinden wat in de maatschappij gescheiden is kans van slagen heeft. Maar men kan niet ontkennen dat zij met hun onderzoek hebben bijgedragen aan een beter inzicht in de voor- en nadelen van een consensusdemocratie.
Ik vrees dat die vriend van jouw vriend niet erg onder de indruk zal zijn van deze verhandeling. En mogelijk nog minder van een professor die zijn hele leven besteed heeft aan het onderzoeken van een stelling, die eenmaal geformuleerd de indruk wekt een zekere vanzelfsprekendheid te hebben. Het probleem met het meeste politicologische onderzoek is dat het vaak vermoedens bevestigt die veel mensen al hadden. Dat het ook vermoedens die veel mensen hadden weerlegt is minder bekend.
Dat heeft twee redenen. Sommige mensen weigeren hun opvattingen op te geven, ook als ze door de wetenschap weerlegd zijn. Om die reden beschouwen zij wetenschap als onzin. Anderen - al even menselijk - hebben de neiging om te ontkennen ooit opvattingen gehad te hebben die niet waar bleken te zijn. Die mensen maken zich met terugwerkende kracht de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek eigen en beweren vervolgens dat iedereen dat 'al lang wist’. Bijna iedere Nederlander is op verjaarspartijtjes en in het café een politieke filosoof en men ziet daarom het maatschappelijk nut van betaalde filosofen en politicologen niet gemakkelijk in.
Dat ligt anders voor beroepsgroepen die in mijn ogen totaal overbodig werk doen. Neem de schade-experts of civiele advocaten. Die houden zich dagelijks over en weer bezig met het beantwoorden van de vraag welke partij verantwoordelijk is voor een schade waarvoor beide partijen verzekerd zijn met als doel vast te stellen welke verzekeringsmaatschappij die schade moet betalen. Als die verzekeringsmaatschappijen op zouden gaan in één waarlijk Nationale Nederlanden, dan zou het werk van al die schade-experts en civiele advocaten volkomen overbodig zijn. En toch, ik durf te wedden dat die vriend van je vriend een advocaat van het kantoor De Brauw Blackstone Westbroek op een verjaardagsfeestje niet zou toevoegen: 'Hé, speel jij nog steeds het duurbetaalde advocaatje van onzinnige schadezaakjes?’ De meeste mensen die de tijdgeest goed te pakken hebben laten hun waardering voor een beroep afhangen van de vraag wat je ermee verdient. Zij zouden tegen Wesley Sneijder ook nooit roepen: 'Hé, ben jij nog steeds betaald voetballertje aan het spelen?’ Toch zou dat op Wesley Sneijder feitelijk geheel van toepassing zijn.
De beroepsstatus van hoogleraren en hun helpers is de laatste jaren dramatisch achteruitgegaan, maar zij hebben nog steeds een zeer geprivilegieerde positie. Zij kunnen zich de hele dag bezighouden met na te denken over vraagstukken waar andere burgers alleen in hun vrije tijd soms over nadenken. Dat maakt dat zij, ondanks een bescheiden inkomen, toch nog tot de maatschappelijke elite gerekend worden. Ook die maatschappelijke elite heeft daar soms moeite mee, maar toch minder dan de vriend van je vriend. Zij beseft heel goed dat het onderzoeken van - en nadenken over - politieke en maatschappelijke problemen tot de kerntaken behoort van een elite die haar greep op de ontwikkelingen niet kwijt wil raken. Nu is de politieke elite haar greep op de ontwikkelingen wél kwijtgeraakt en dat wordt ook de politicologen aangerekend. En jou dus nu ook.
Het leidt bovendien tot vormen van zelfkritiek binnen de professie die jij in je brief beschreven hebt. Ik ben daar niet erg van onder de indruk. Het hoort bij dezelfde onzekerheid die de huidige elite kenmerkt. Wij weten niet hoe we een aantal maatschappelijke problemen moeten oplossen die veel mensen hoog zitten. Het hoort bij onze beroepsdeformatie om te menen dat je problemen oplost door er onderzoek naar te doen. Daar rookt de politicologische schoorsteen van. Het is niet anders.
Hartelijke groet, Meindert

Beste Meindert,
Dat deze jongen minder snel geneigd zal zijn zich zo denigrerend uit te laten over een duurbetaalde advocaat lijkt mij een juiste veronderstelling. Niettemin valt de vergelijking te betwisten. Advocaten worden over het algemeen namelijk niet van belastinggeld betaald en juist dat gegeven lijkt mij doorslaggevend voor zijn reactie. De zo gangbare vijandige houding tegenover blauwe enveloppen gaat vaak gepaard met een onevenredig sterke vereenzelviging met de belastingdienst wanneer het vermeend overbodige uitgaven betreft. Dat blijkt ook wel uit de opmerking 'dus ik betaal jou eigenlijk’.
Hoewel zo'n opmerking niet getuigt van veel klasse, wordt zijn vereenzelviging onderschreven door de Adviesraad voor het Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT). Zij adviseert regering en parlement over het beleid voor wetenschappelijk onderzoek, technologische ontwikkeling en innovatie en stelt dat de overheid erop toe dient te zien dat publieke onderzoeksinstellingen openstaan voor vragen uit het publiek. Onderzoek wordt per slot van rekening door de belastingbetaler bekostigd en daarom heeft deze recht op informatie. Sterker nog, volgens de AWT zouden universiteiten actiever moeten zijn om 'gevraagd en ongevraagd medewerking te verlenen aan tv-programma’s, interviews, populair-wetenschappelijke artikelen, openbare debatten, enzovoort’.
Openstaan voor vragen uit het publiek lijkt mij een begrijpelijk streven, maar in de praktijk zal het toch voornamelijk de maatschappelijke elite zijn die bepaalt wat wel of niet relevant is. Het lijkt me in ieder geval sterk dat de NWO alvorens subsidies toe te kennen peilt wat Henk en Ingrid graag onderzocht zouden zien van hun belastingafdrachten. Hun gedrag zal eerder leidend zijn dan hun wensen.
In principe lijkt deze gang van zaken mij ook niet zo bezwaarlijk, maar wat dan wel blijft staan, is de doelstelling dat wetenschappelijke bevindingen vertaald zouden moeten worden naar het grote publiek. In die zin ligt de nadruk bij de AWT niet alleen op de veronderstelling dat wetenschappelijk onderzoek maatschappelijk relevant moet zijn, maar ook op de veronderstelling dat het brede publiek waar voor zijn geld moet krijgen.
Ab Osterhaus plukte hier onlangs nog de zure vruchten van. De publieke opinie keerde zich tegen de viroloog toen bleek dat zijn voorspelling van een desastreuze pandemie niet uitkwam. Osterhaus werd niet alleen weggezet als onbekwaam wetenschapper, maar naar aanleiding van zijn banden met de farmaceutische industrie werd tevens zijn moraal betwijfeld. Iets wat ook de algemene reputatie van wetenschappelijk onderzoek niet ten goede kwam. Osterhaus stelt dat hij deze gevolgen vrij goed naast zich neer kan leggen: 'Zolang ik mijn wetenschappelijke verhaal in Nature en Science kwijt kan, vind ik het allemaal goed hoor.’ Een uitspraak waarmee hij duidelijk onderscheid maakt tussen het publieke domein en het wetenschappelijke domein.
En dat is ook niet zo gek. Om de simpele reden dat wanneer wetenschap vertaald moet worden naar het bredere publiek de inhoud dikwijls verwatert. Binnen de meeste tv-programma’s is er geen tijd voor een genuanceerd verhaal omdat te veel kijkers dan afhaken. Dr. Harry van den Berg stelt in een uitgave van Stichting Weten, naar eigen zeggen een knooppunt van publiekscommunicatie over wetenschap en techniek, dat wetenschappers nu dikwijls fungeren als goeroe. Zij vertellen wat er moet gebeuren of hoe het nu verder zal gaan. Onderzoek wordt daarbij gereduceerd tot een voetnoot. Daarbij worden vaak politieke meningen verpakt in pseudo-wetenschappelijke jasjes en speelt de disciplinaire herkomst nauwelijks meer een rol. Hoewel dit beeld herkenbaar is, brengt het gros van de wetenschappers zijn tijd nog altijd anders door. Het zal ook niet makkelijk zijn om de stereotiepe wetenschapper - stoffig uiterlijk, sociaal onhandig en zonder rijbewijs - commercieel te presenteren. Bovendien doen academici vaak wat geringschattend over populair-wetenschappelijke optredens. Het gangbare idee is dat een zichzelf respecterend wetenschapper zich daar niet voor leent. KNAW-voorzitter Robbert Dijkgraaf met promovendi te gast bij De wereld draait door is zo'n beetje the limit.
Nu zou ik jou direct de uitzondering op de regel willen noemen. Ik herinner mij nog goed een optreden in het Avro-programma Zóóó rechts!, dat op de website stond aangekondigd als: 'Een avond vol muziek, lifestyle en scherpe vragen in de Hoe rechts ben jij-test.’ Om de zoveel tijd werd jij opgevoerd als professor Fennema, waarna je binnen tien seconden zaken moest uitleggen als waarom rechts toch zo'n negatief imago heeft. Voordat je je antwoord goed en wel gegeven had, werd je enthousiast onderbroken om de kijker te laten zien hoe je een VVD'er kunt verkleden als PVDA'er. Zóóó rechts! was bepaald geen Buitenhof.
Dat jij je doorgaans niet laat leiden door gangbare normen werd ook duidelijk met het verschijnen van de biografie van Geert Wilders. Niet alleen de keuze van je onderwerp werd een hoogleraar onwaardig bevonden, maar ook de stijl. Aaf Brandt Corstius schreef in haar column: 'Meindert Fennema is hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, maar hij wil best wat niet al te dood gecheckte verhalen in zijn boek opnemen, in bewoordingen die in een gemiddeld Bouquetreeksje niet zouden misstaan.’
Zoals jij aangaf tijdens een bijeenkomst binnen onze afdeling mag jij de biografie van Geert Wilders, ongeacht de kwaliteit, niet mee laten tellen als wetenschappelijk werk. Daarmee wordt een vreemde situatie geïllustreerd: omdat wetenschap wordt bekostigd door de gemeenschap zouden wetenschappers zich moeten richten op de wensen van het bredere publiek, maar een al te commerciële instelling van wetenschappers wordt niet gewaardeerd en bovendien degradeert daarmee de inhoud. Bijgevolg: optredens in de media of boeken over een politicus waar het bredere publiek klaarblijkelijk niet genoeg van kan krijgen worden niet erkend als wetenschappelijk werk, hoewel je daarmee wel tegemoet komt aan de wens om het bredere publiek te informeren.
Meindert, deze situatie kan weinig bevredigend zijn.
Hartelijke groet, Sjoerdje

Beste Sjoerdje,
Je brief raakt mij in het hart, het is allemaal nog veel erger dan jij denkt. Want de meest pijnlijke tegenspraak is niet die tussen de eis van publicatie in internationale 'peer reviewed’ tijdschriften en de wens om voor een breed publiek uit te leggen wat je aan het doen bent. Die tegenspraak is namelijk meer schijn dan werkelijkheid, omdat een goede onderzoeker die in zogenaamde A-tijdschriften publiceert vaak ook uitstekend in staat is aan een groot publiek uit te leggen wat hij aan het doen is. Niet voor niets maken in het programma Zomergasten wereldberoemde onderzoekers vaak de meeste indruk. Toch wordt er, daar heb je gelijk in, op de universiteiten neergekeken op wetenschappers die ook bij het grote publiek bekend zijn. Afgunst doet het altijd goed. Dat is niet nieuw. Robespierre schreef over de beroemde wiskundige Condorcet, toen die zich verzette tegen de terechtstelling van Lodewijk XVI: 'Hij is een groot mathemaat in de ogen der literaten en een groot literaat in de ogen der mathematen.’ Kort daarop werd hij vogelvrij verklaard.
Maar er is ook een andere tegenspraak, die jij wel aanstipt maar niet uitwerkt. Enerzijds moet wetenschap onafhankelijk zijn en 'zuiver’, anderzijds wordt bij de verdeling van middelen steeds meer gelet op 'maatschappelijke relevantie’. Als je onderzoek doet waardoor kanker beter bestreden kan worden, als je onderzoek doet waardoor je mensen gemakkelijk en goedkoop van hun verslaving af kunt helpen, als je onderzoek doet naar islamitisch radicalisme of extreem-rechts, dan krijg je geld en tel je mee. Nu ben ik erg voor wetenschappelijk onderzoek naar kankerbestrijding, verslaving, of islamitisch radicalisme. Maar door bijna al het geld voor onderzoek te oormerken dat maatschappelijk relevant moet zijn blijft er voor zuiver wetenschappelijk onderzoek vrijwel geen tijd en geld meer over.
Er was ooit een Nederlandse organisatie voor Zuiver Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO), maar die werd in 1988 omgedoopt in Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Sindsdien wordt het onderzoek almaar maatschappelijk relevanter, wat in de praktijk betekent dat de overheid steeds inhoudelijker optreedt bij de verdeling van gelden. Als gevolg daarvan gaan steeds meer onderzoekers zich op hetzelfde terrein begeven, terwijl andere terreinen braak liggen. Wij zijn op de universiteit bijna allemaal met hetzelfde bezig, namelijk het oplossen van maatschappelijke problemen. Dat versterkt het idee dat de maatschappij maakbaar is. Een onderzoeker die zegt dat er voor veel maatschappelijke problemen geen oplossingen zijn, heeft weinig vrienden.
Daar komt in het geval van de politicologie nog iets bij. Negentig procent van mijn collega’s stemt links (ikzelf vorm daarop geen uitzondering). De meeste Nederlandse politicologen schrijven in Socialisme & Democratie, een tijdschrift dat gelieerd is aan de PVDA. Amsterdamse politicologen beschikken over een Den Uyl-leerstoel, waardoor vooraanstaande PVDA'ers die niet gepromoveerd waren toch professor konden worden. Toen ik daar als voorzitter van de afdeling een eind aan probeerde te maken door te eisen dat ook de Den Uyl- leerstoelhouder tenminste gepromoveerd diende te zijn, waren de rode rapen gaar.
In Leiden liepen op een gegeven moment twee hoogleraren politicologie rond die allebei voorzitter van de PVDA wilden worden. Zij werden verslagen door universitair hoofddocent Ruud Koole, ook een Leidse politicoloog. Koole mocht, nadat hij de PVDA een aantal jaren geleid had, als hoogleraar terugkomen. Hij had een politieke stage gelopen, zullen ze daar wel gedacht hebben. Je begrijpt dat voor Nederlandse politicologen maatschappelijke relevantie bijna samenvalt met wat in kringen van de PVDA relevant wordt geacht. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er door politicologen geen goed en ook wetenschappelijk onderzoek gedaan wordt, maar de politieke oriëntatie van dat onderzoek is bijna altijd links.
Dat laatste is natuurlijk een doorn in het oog van de PVV, die zich daar al herhaaldelijk in zeer negatieve bewoordingen over uitgelaten heeft. Wilders heeft in dat opzicht volkomen gelijk, al vrees ik dat hij er niet op uit is de wetenschappelijke autonomie te herstellen, maar gewoon de politieke bordjes wil verhangen. We komen dan van de regen in de drup. Als ik moet kiezen, dan sta ik liever in de regen van Job Cohen dan in de drup van Martin Bosma.
En ja, die Aaf Brandt Corstius is natuurlijk een geval apart, maar tegelijkertijd ook weer ideaaltypisch voor het traditionele beeld van de wetenschap. Zij komt, zoals je ongetwijfeld weet, uit een linkse hooglerarenfamilie. Zowel haar vader als haar grootvader was professor in de Nederlands taal- en letterkunde. Alleen maar nette mensen, zou Robert Vuijsje zeggen, voor wie de Bouquetreeks-mens een soort Neanderthaler is. Maar het verschil tussen high culture en low culture is aan het vervagen en daarmee ook de identiteit van schrijver of hoogleraar. Tegenwoordig kan iedere boerenlul hoogleraar worden en schrijven in bewoordingen die in een gemiddeld Bouquetreeksje niet zouden misstaan, stelt ABC met afschuw vast, en Anil Ramdas schrijft: 'Wat kun je anders zeggen van de meeste Telegraaf-lezers, SBS6- en RTL-kijkers en PVV-stemmers dan dat ze plat, vulgair, ordinair en ongemanierd zijn.’
We leven in een tijd waarin de meeste Telegraaf-lezers, SBS6- en RTL-kijkers zich niet meer straffeloos laten beledigen door mensen die zichzelf als elite beschouwen. Het lijkt me goed dat ook de lezers van De Groene Amsterdammer daar nota van nemen.
Hartelijke groet, Meindert