Dutch swing

Ooit keken de Amerikanen hooghartig neer op Europese jazz. Nu wordt het werk van met name Nederlanders met open armen ontvangen. De veroveraars van Amerika over hun succes.
NOG NIET ZO LANG geleden bestond in de Verenigde Staten het begrip ‘a European rhythm section’. Als de ondersteuning door bassist en drummer te wensen overliet, draaide de solist zich om en klaagde: ‘Jullie klinken als Europeanen!’ De betreffende begeleiders stonden zich dan met het schaamrood op de kaken af te vragen of ze wel het goede beroep hadden gekozen. Europeanen konden immers niet swingen. De term ‘Europese jazz’ werd beschouwd als een contradictio in terminis.

Natuurlijk was er een uitzondering die de regel bevestigde: Django Reinhardt. Een Franse zigeuner die niet alleen op gelijk niveau met de Amerikanen kon samenspelen, maar die ook nog een geheel eigen stijl had uitgevonden: de Hot Club de France-jazz. Maar dat was een speling van de natuur geweest, de Allerhoogste had zich even vergist bij de distributie van jazz-talent.
Sommige Europeanen dachten er net zo over. Willem Breuker verkondigde in de jaren zeventig dat musici alleen adequaat gebruik konden maken van hun eigen roots. Aangezien hij dichter bij Haarlem dan bij Harlem was opgegroeid, ontwikkelde hij een soort klompendans-jazz.
En tegenwoordig? De Utrechtse gitarist Jesse van Ruller won in november vorig jaar in Washington de prestigieuze Thelonious Monk Competition. Bassist Joris Teepe, opgegroeid in Amsterdam, heeft zich in Manhattan gevestigd en neemt daar cd’s op met de beroemde Newyorkers Tom Harrell en Carl Allen als sidemen. Platen van de Nederlandse formatie Nueva Manteca en de Utrechtse zangeres Denise Jannah worden uitgebracht door het gerenommeerde Amerikaanse label Blue Note. Het Ben van den Dungen/Jarmo Hoogendijk Quintet en The Houdini’s krijgen jubelende recensies in de Amerikaanse pers. Zangeres Fleurine Verloop is door producer Don Sickler op sleeptouw genomen. De Newyorkse drummer Gerry Hemingway leidt een kwintet met Amsterdamse musici. Nederlanders doen het opeens heel goed in Amerika. Wat hadden de Amerikanen dat de rest van de wereld niet had, en hoe werd de achterstand ingelopen?
HELEMAAL IN HET begin was het met de verspreiding van de jazz niet zo best gesteld. Amerikaanse musici staken zelden de Atlantische Oceaan over en hun platen werden maar mondjesmaat buiten hun landsgrenzen uitgebracht. Inmiddels is de verspreiding van de jazz aanzienlijk verbeterd. Je wordt overstelpt met platen uit alle delen van de wereld. Vooral sinds het gemeengoed worden van de cd, zo'n tien jaar terug, is de stroom niet meer bij te houden. Wie als jazzrecensent werkt, krijgt honderden cd’s per jaar toegestuurd.
Het kosmopolitische karakter van de huidige jazz is ook te danken aan de levendige samenwerking tussen Europese en Amerikaanse musici. De meeste jazzvedetten zijn tegenwoordig een groot deel van het jaar op wereldreis. Ze laten overal hun muziek horen en geven workshops. Vaak treden ze op met plaatselijke musici. De Amsterdamse drummer John Engels kreeg de muziek van Ben Webster en Chet Baker onder de knie door eenvoudigweg heel veel met deze musici op te treden.
En sinds halverwege de jaren tachtig hebben ook bijna alle muziekvakopleidingen in Nederland een jazzafdeling of een sectie ‘lichte muziek’, wat grotendeels op hetzelfde neerkomt. Aanvankelijk werd er nog veel geklaagd over deze opleidingen. Ze zouden niets dan slaafse epigonen afleveren. Tegenwoordig hoor je nog maar zelden dergelijke geluiden. In tegenstelling tot wat vooral de randstedelijke avantgardisten vreesden, heeft de snelle opkomst van de jazzopleidingen - die in de rest van Europa overigens aanzienlijk trager lijkt te verlopen - niet geleid tot grote aantallen kleurloze imitatoren.
Musici die uitgesproken muzikale ideeen hebben, kunnen die dank zij de begeleiding die ze op zo'n opleiding krijgen, snel en adequaat vormgeven. Ze hoeven immers niet meer zelf het wiel uit te vinden. Jarmo Hoogendijk en Ben van den Dungen behoren tot de grote persoonlijkheden van de nieuwe conservatoriumgeneratie. Ze kennen de traditie en voegen daar hun persoonlijke noten aan toe.
Europese musici hebben daardoor meer zelfvertrouwen gekregen en zijn minder geneigd achter de Amerikaanse trends aan te lopen. Bovendien zijn er in de Verenigde Staten weinig trendsetters meer sinds het overlijden van Miles Davis in 1991. De jazzhelden sterven uit. Dat is heel jammer, maar het heeft ook voordelen. Nu er niet of nauwelijks nog musici zijn die de toon aangeven, durft iedereen zijn eigen gang te gaan. Vooral in Nederland biedt de jazz een grote varieteit. De groepen Nueva Manteca, Lebombo, Klezmokum, het Surinam Music Ensemble, SFeQ en I Compani spelen jazz met respectievelijk Cubaanse, Zuidafrikaanse, jiddische, Surinaamse, hiphop- en Nino Rota-invloeden.
Angelo Verploegen, leider van The Houdini’s, heeft nog een verklaring voor dit individualisme. 'De Newyorkers voelen zich de voortzetters van een grote traditie waar ze verschrikkelijk veel ontzag voor hebben. Wij, als relatieve buitenstaanders, durven meer te experimenteren.’
Deze avontuurlijke houding manifesteert zich op de recente Houdini’s-cd Play The Big Five, waarop een paar heilig verklaarde stukken uit The Great American Songbook van compleet nieuwe bewerkingen worden voorzien. Slechts weinig Amerikanen hadden het gewaagd om zomaar enkele maten te verwijderen uit What Is This Thing Called Love, of om de ballad Dearly Beloved een funky groove te geven en My Funny Valentine een gospel-ritme.
The Houdini’s zijn regelmatig op tournee in de Verenigde Staten; hun laatste Amerikaanse reis vond plaats in april vorig jaar. Verploegen: 'We hebben daar schoolconcerten gegeven op zwarte scholen. Gek hoor, wij moesten de Amerikaanse negers iets vertellen over hun eigen roots! De leerlingen stapten in hun hiphop-outfit de aula binnen en zagen tot hun stomme verbazing dat wij echte instrumenten hadden meegenomen. Ze zijn gewend dat iedereen werkt met samplers en voorbespeelde banden. Vroegen ze of we iets konden spelen van de rockgroep Aerosmith. Iets anders kenden ze niet.’
November vorig jaar vloog Jesse van Ruller naar Washington om deel te nemen aan de Thelonious Monk Competition. Tot zijn eigen verbazing won de 23-jarige, volslagen onbekende gitarist de eerste prijs. De spreekwoordelijke Nederlandse nuchterheid kwam hem daarna goed van pas. 'De andere finalisten waren bloednerveus, het leek of hun leven ervan afhing. Ik had iets van: ach, ik merk het wel. Ik kende niemand daar, dus ik had ook niets te verliezen. Ik ging gewoon lekker spelen. Ik had tien minuten om twee stukjes te laten horen en dat deed ik dus.’ Van Ruller vermoedt dat zijn relaxte recital positief afstak bij de drukke, wat krampachtige verrichtingen van zijn concurrenten.
HET BEN VAN DEN Dungen/Jarmo Hoogendijk Quintet trok ook al de aandacht van de internationale pers. De gerenommeerde auteur Mike Hennessey schreef de tekst voor het inlegvel van de cd Speak Up. Een fragment: 'Het is lang geleden dat ik een jazzgroep hoorde die met zoveel vitaliteit, fantasie, energie en puur plezier speelde. (…) Als deze musici Amerikaanse namen hadden en uit Albany, Rochester en Hoboken kwamen in plaats van uit Amsterdam, Rotterdam of Den Haag, zouden ze tien keer zo veel fans hebben als nu het geval is.’
Met deze laatste opmerking suggereert Hennessey dat Europese jazzmusici zich in een achterstandspositie bevinden. Hij heeft helaas geen ongelijk. De grote platenfirma’s houden zich het liefst bezig met de promotie van de archetypische jazzmuzikant, die bij voorkeur zwart en Amerikaans is. Van Ruller heeft dat aan den lijve ondervonden: in tegenstelling tot eerdere winnaars van de Thelonious Monk Competition als Joshua Redman, Marcus Roberts en Marcus Printup (allen zwart en Amerikaans) kreeg hij geen contract van een grote platenfirma aangeboden. Van Ruller zal vermoedelijk later dit jaar zijn debuut-cd opnemen voor het gerespecteerde doch kleine Nederlandse label Criss Cross Jazz.
Denise Jannah heeft het wat makkelijker; haar imago is minder Europees, aangezien ze haar jeugd doorbracht in Suriname. Bovendien beheerst ze de Engelse taal vlekkeloos. I Was Born in Love with You, haar debuut bij Blue Note, verscheen november vorig jaar in de Verenigde Staten. De eerste recensies waren positief. Volgens de Chicago Tribune beschikt ze over 'a voluptuous instrument and a cunning swing style’. Een andere criticus schreef: 'She is destined to change the order of top jazz singers.’ Bijna alle tot dusverre verschenen kritieken zien over het hoofd dat Jannah (39) al twintig jaar op de podia staat; ze wordt gekarakteriseerd als 'young’, 'up-and- coming’ en dergelijke. Voor de nog immer chauvinistische Amerikaanse journalisten begin je pas te bestaan zodra je binnen hun gezichtsveld komt.
Nueva Manteca zit eveneens sinds kort bij Blue Note, het klassieke jazzlabel. De cd Let’s Face the Music and Dance wordt vermoedelijk in april uitgebracht op de Amerikaanse markt. Eerdere platen op kleine labels en Amerikaanse tournees van de band werden al positief ontvangen. De teneur van de kritieken is steeds hetzelfde: deze groep komt uit Europe, maar daar moet u zich niet door laten afschrikken, want de muziek klinkt prima. De Canadese Toronto Star schreef: 'This band is surely a delightful if unlikely purveyor of Latin passion.’
Nueva Manteca-saxofonist Ben van den Dungen: 'Al die Nederlandse jongens op het podium, daar moesten de latino’s in New York en Los Angeles echt even aan wennen. We werden soms arrogant ontvangen. Een keer vroeg een man voor het concert: Where’s Nicky? Daarmee bedoelde hij Nicky Marrero, een Newyorkse percussionist die een tijdje als gast met de band heeft gespeeld. Ik zei: “Nicky speelt niet meer mee.” “Maar dit is toch Nicky’s band?” “Nee, dit is onze band.” Zei die man kwaad: Who do you think you are? Later bleek de man een journalist die het concert moest verslaan. Hij schreef gelukkig een positief stukje.’
ZANGERES FLEURINE Verloop en bassist Joris Teepe wonen beurtelings in Amsterdam en in Manhattan. Verloop kan beschikken over een piepklein kamertje op Union Square. Teepe woonde aanvankelijk in een sjofel muzikantenappartement op Claremont Avenue - vlakbij Harlem - maar promoveerde enkele maanden geleden naar een wat grotere kamer op Broadway.
Ze hebben jamsessions afgelopen, visitekaartjes uitgedeeld, contacten gelegd en met clubeigenaars onderhandeld en dat begint resultaten op te leveren. Verloop nam een cd op onder supervisie van producer Don Sickler. Het is nog niet duidelijk wanneer en waar deze plaat zal worden uitgebracht, maar de medewerking van Sickler mag worden beschouwd als een kwaliteitsgarantie.
Joris Teepe - Newyorkers zeggen Djarrizz Teppie - verblijft sinds 1 januari 1992 in New York en speelt er letterlijk iedere avond. In het gezelschap van tenorsaxofonist Don Braden heeft hij vijf cd’s opgenomen. De nieuwste daarvan, Bottom Line - met Teepe als leider - wordt op 27 maart gepresenteerd in Birdland, vlakbij Teepes woning.
Wat is volgens Teepe de oorzaak van de recente Nederlandse successen in de Verenigde Staten? 'Nederlanders hebben hart voor de jazz. Kijk maar naar al die jazzopleidingen. De jazzconservatoria die ik elders in Europa heb gezien, zijn minder talrijk en stellen ook niet zo veel voor. Ik geef wel eens workshops op die scholen als ik met Don op tournee ben. De conservatoria in Duitsland en Parijs hebben een laag niveau.
Sinds een jaar of twee zie je opeens jonge Nederlandse musici in New York rondlopen. Ze maken Amerikaans getinte jazz, in tegenstelling tot de Breuker-generatie. Ze hebben in de gaten dat je iets mist als je niet een tijdje in New York rondhangt. Daar is de muziek dieper en intenser, de vibes zijn er gewoon. Het is wel jammer dat de meesten niet blijven hangen. In de eerste jaren is het natuurlijk ook moeilijk hier. Je begint onderaan de ladder, dus moet je in pizzeria’s spelen en op een klein kamertje zitten en zo. Maar daarna kun je met fantastische musici werken. Je moet alleen even doorbijten. Er zijn nog veel meer Nederlanders die daar iets zouden kunnen bereiken. Tegenwoordig wel, tenminste. Aan het niveau ligt het niet.’