De groene elite redt het niet alleen

‘Duurzaam leven is een privilege’

Het creëren van een duurzame samenleving vergt een collectieve inspanning. Maar vooralsnog blijft een groene levensstijl voorbehouden aan een bevoorrechte klasse. Hoe realiseren we een rechtvaardige en inclusieve transitie?

Medium groene duurzaamheid

In 2016 staat Thiëmo Heilbron voor het eerst in de ‘Duurzame 100’, de ranglijst waarmee dagblad Trouw ieder jaar ‘groene denkers en doeners’ in het zonnetje zet. Als debutant op plaats 95, Heilbron is er trots op. Het is een erkenning voor zijn werk als oprichter van Fawaka Nederland, een organisatie die jongere generaties wil betrekken bij de grote uitdagingen van de toekomst. Heilbron is opgeleid als bioloog, al tijdens zijn studie leerde hij dat er in ecologisch opzicht van alles misgaat: klimaatverandering, milieuvervuiling, bedreigde diersoorten, noem maar op. Tegelijkertijd weet hij dat je dit soort problemen niet los kunt zien van bredere sociale kwesties. De overgang naar een duurzame samenleving is een herculestaak die alleen een kans van slagen heeft als iedereen z’n schouders eronder zet. Dat is waarom hij Fawaka is begonnen. Maar bij de Duurzame 100 is dat inzicht nog niet doorgedrongen, bleek tijdens de officiële bekendmaking in Pakhuis de Zwijger in Amsterdam.

‘Ik werd helemaal gek tijdens dat evenement’, zegt Heilbron. Natuurlijk wist hij vooraf dat het een onderonsje van groene prominenten zou worden, maar eenmaal binnen schrok hij van het gigantische gebrek aan diversiteit. Het waren vooral witte, hoogopgeleide mensen in pak, die elkaar op de schouders en zichzelf op de borst kloppen. Kijk ons eens goed bezig zijn, zo’n sfeer. ‘Ik vond het oprecht een deprimerend gebeuren’, schreef hij na afloop op Facebook.

Om zijn ergernis te onderbouwen besluit hij de samenstelling van de Duurzame 100 onder de loep te nemen. Maar liefst de helft is ouder dan vijftig, het merendeel is man, slechts vier personen hebben een niet-westerse migratieachtergrond en 74 procent komt uit de Randstad. Niet bepaald een afspiegeling van de samenleving, constateert Heilbron. Het lijstje van Trouw is volgens hem exemplarisch voor wat er mis is met de hele groene beweging. ‘Als we naar een duurzaam Nederland willen, redden we het niet met een klein, elitair groepje mensen’, zegt hij. ‘Als zelfs de voorlopers dat niet inzien, dan kunnen we net zo goed direct de handdoek in de ring gooien.’

Kritiek op de ‘groene elite’ roept direct een karikaturaal beeld op van de vegetarische Tesla-rijder, met zijn dak vol zonnepanelen en zijn boodschappenmandje vol biologische groenten, die op ieder feestje zelfgenoegzaam verkondigt hoe begaan hij wel niet is met de planeet. Een Grünmensch, zeg maar: een Gutmensch, maar dan groen. En al is dit uiteraard een flauwe overdrijving, het raakt wel degelijk aan een terecht ongemak: een duurzame levensstijl blijft vaak beperkt tot een gegoede bovenlaag. De 88.000 abonnees van Trouw zullen zich ongetwijfeld zorgen maken over het milieu, maar of dat geldt voor de 1,3 miljoen lezers van De Telegraaf is maar de vraag. Slechts twee procent van de Nederlanders noemt ‘klimaat’ als een van de grootste maatschappelijke problemen, blijkt uit een rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) uit 2016. Niet voor niets waarschuwde scp-directeur Kim Putters in zijn column in Het Financieele Dagblad dat het duurzaamheidsvraagstuk de sociale tegenstellingen dreigt te vergroten. ‘Klimaatverandering moet geen splijtzwam zijn, maar deel van de agenda van een inclusieve samenleving’, concludeerde hij.

Dat klinkt mooi, alleen hoe realiseer je zoiets? Hoe creëer je draagvlak onder álle Nederlanders, ongeacht etniciteit, inkomen of opleidingsniveau? Vooral die laatste factor vormt een belangrijke scheidslijn, blijkt uit verschillende onderzoeken naar duurzaam gedrag in Nederland. Iemand die aan een hogeschool of universiteit heeft gestudeerd is eerder geneigd om rekening te houden met het milieu dan een alumnus van het mbo, stelt een rapport van Kaleidos Research uit 2016. Lager opgeleiden hebben minder vertrouwen dat hun eigen bijdrage helpt bij het oplossen van wereldproblemen. Het scp-onderzoek Kiezen bij de kassa kwam tot een soortgelijke conclusie: bewust consumeren is een niche-activiteit, een hobby voor de hoogopgeleiden.

Vandaar dat Thiëmo Heilbron zich met de Fawaka ‘Ondernemersschool’ ook richt op kinderen voor wie een universitaire carrière geen vanzelfsprekendheid is. ‘De oudere generatie – en daar schaar ik mezelf als dertigjarige ook onder – heb ik al opgegeven’, zegt hij. ‘Ik investeer liever in de toekomst.’ Niet dat hij langs basisscholen trekt om met een opgeheven vingertje te preken over hoe ernstig klimaatverandering wel niet is en waarom we allemaal korter moeten douchen. ‘Wie ben ik om tegen die kinderen te zeggen: letten we wel een beetje op het milieu, jongens?’ zegt Heilbron. Hij wil de pupillen inspireren en herkenbaarheid is daarbij enorm belangrijk, merkt hij. ‘Als een jongetje met Surinaamse roots mij hoort praten over duurzaamheid, iemand die net als hij een donkere huidskleur en zwart krulhaar heeft, komt dat eerder aan dan wanneer hij zo’n verhaal hoort van iemand die verder van hem afstaat. Het is belangrijk om rolmodellen te hebben waarmee je je kunt identificeren.’

Op een kleine schaal probeert Fawaka zo groene en sociale thema’s met elkaar te verbinden en duurzaamheid te ontdoen van haar elitaire imago. Een bewonderenswaardige missie, al lijkt de organisatie vooralsnog tegen de stroom in te roeien. Subsidies die bedoeld zijn om duurzaam gedrag te stimuleren stromen vaak naar de hogere inkomens die het zich kunnen veroorloven om te investeren in zonnepanelen en een elektrische auto. Uit een rapport van CE Delft bleek dat de lagere inkomens relatief harder geraakt worden door de kosten van de energietransitie. Als er niets verandert is in 2050 de armste tien procent van de Nederlandse huishoudens zeventien procent van het besteedbaar inkomen kwijt aan energiekosten. Voor de rijkste tien procent is dat slechts 5,7 procent. Terwijl die laatste groep verantwoordelijk is voor zeventien procent van de totale uitstoot van broeikasgassen. De energiewending dreigt zo uit te lopen op een denivelleringsfeestje en dat kan ten koste gaan van het maatschappelijk draagvlak.

‘Wat we eigenlijk nodig hebben is een minister van Klimaat en Armoede­bestrijding’

Vreemd genoeg blijft dit in het politieke debat een blinde vlek, zelfs bij politici die overtuigd zijn van de urgentie van het klimaatprobleem. We hebben geen tijd om te bakkeleien over de sociale effecten van klimaatbeleid, redeneren zij, dat maakt de zaken alleen maar ingewikkelder, terwijl haast is geboden met CO2-reductie. Zo kent het regeerakkoord van het kabinet-Rutte III een prachtig afgebakende klimaatparagraaf met ambitieuze doelstellingen, maar wordt het benaderd als een louter technische uitdaging om zo veel mogelijk broeikasgasuitstoot te verminderen. Een taak die valt onder de portefeuille van vvd-minister Eric Wiebes, tevens verantwoordelijk voor Economische Zaken. En dat is precies de verkeerde verknoping, vindt Shivant Jhagroe: ‘Wat we eigenlijk nodig hebben is een minister van Klimaat en Armoedebestrijding.’

vorig jaar promoveerde Jhagroe aan de Erasmus Universiteit met een proefschrift over stedelijke duurzaamheidstransities, waarin hij vooral aandacht had voor de achterliggende politiek. Want in essentie is duurzaamheid een door en door politieke kwestie, maar juist dat wordt tegenwoordig vaak, al dan niet bewust, uit het oog verloren. Eigenlijk gebruikt hij dat woord – ‘duurzaamheid’ – het liefst zo min mogelijk. Door die platgeslagen term worden heikele vragen omzeild en raakt het hele debat gedepolitiseerd, zegt Jhagroe: ‘Het gaat ten onrechte uit van consensus, alsof iedereen automatisch wint. Wie kan er nou tégen duurzaamheid zijn? Het reduceert problemen tot een kwestie van samenwerken, waarbij bedrijven, consumenten en de overheid allemaal hun steentje moeten bijdragen. Het gaat over lifestyle en sustainable business – stakeholders die ieder een plekje aan tafel hebben. Maar die tafel is scheef, van gelijkwaardigheid is in de praktijk amper sprake. Alleen komen machtsverhoudingen niet aan bod in het dominante duurzaamheidsdiscours.’

Tijdens zijn onderzoek in Rotterdam zag hij waartoe dat kan leiden. De gemeente had bedacht dat de publieke ruimte groener moest worden. Waar er in andere stadsdelen ruimte was voor een groenstrookje, een park, of extra bomen hadden de beleidsmakers voor de achterstandswijk iets anders bedacht: natuurposters. Op een blinde muur werd een levensgrote foto van een bos geplakt. Dat was dan de beloofde vergroening. ‘De bewoners werden afgescheept met een fopspeen’, zegt Jhagroe. ‘Dat was pijnlijk om te zien.’

En er zijn soortgelijke voorbeelden te over: laadpalen voor elektrische auto’s worden alleen geplaatst in de betere buurten, waar het ook gemakkelijk is om afval te scheiden, milieuheffingen op vervuilende voertuigen worden betaald door mensen die geen budget hebben voor een nieuwe, zuinige auto, sociale huurwoningen zijn vaak slecht geïsoleerd waardoor de elektriciteitsrekening hoger uitvalt en ‘gehakt’ van de Vegetarische Slager is drie keer zo duur als een bakje half-om-half. ‘Duurzaam leven is een privilege’, zegt Jhagroe.

Bovendien weet de upper class zichzelf beter te beschermen tegen de gevolgen van klimaatverandering of milieuvervuiling. Het zijn de arbeidershuisjes die onder de rook van de schoorstenen staan, niet die van de directeuren. In de Verenigde Staten bouwen de superrijken al doomsday bunkers, of kopen hoog gelegen stukken grond waar ze veilig zijn voor een stijgende zeespiegel. En hoewel dat wellicht extravagante uitwassen zijn, kan iemand met meer financiële middelen zich doorgaans nu eenmaal makkelijker aanpassen en sneller verplaatsen. Bij extreem weer moet een ceo desnoods uitwijken naar zijn tweede huis, een boer wiens akkers zijn ondergelopen of oogst is vernietigd door hagel kan nergens heen. Een paar misoogsten achter elkaar en hij gaat kopje onder. Om nog maar te zwijgen over de desastreuze effecten van droogte en overstromingen in ontwikkelingslanden, waar de rijke bovenlaag evenmin als eerste op de blaren zit. Ook bij de opwarming van de aarde geldt: hoe armer, hoe kwetsbaarder.

Het grote gevaar is dat er zo gescheiden werelden ontstaan. Een ‘groene klasse’ tegenover een ‘grijze klasse’, waarbij ecologische en economische ongelijkheid hand in hand gaan. Zolang duurzaamheid vooral wordt voorgesteld als een kwestie van ethisch consumeren, is het voor iemand met een gevulde portemonnee nu eenmaal makkelijker om ‘goed’ te doen. De morele keuze is immers de duurdere keuze. Burgers worden geacht te letten op hun carbon footprint, kunnen CO2-uitstoot van vliegreizen compenseren door bomen te planten in Latijns-Amerika, en de supermarktschappen staan vol met producten met Eco- en Fair Trade-keurmerken. Een beter milieu begint bij jezelf – de bekende slogan van de Postbus 51-campagne uit de jaren negentig – lijkt nog steeds het voornaamste adagium.

‘Ook binnen de duurzaamheidsbeweging ligt de nadruk te veel op individuele verantwoordelijkheid’, zegt Donald Pols, directeur van Milieudefensie. Dat was twintig jaar geleden, toen hij milieusociologie studeerde in Maastricht, wel anders. Toen werden milieuproblemen bestudeerd vanuit een interdisciplinaire benadering en werd duurzaamheid niet gezien als koopwaar, maar als een publiek goed. Nu signaleert Pols een zelffeliciterende groene elite die zich afkeert van de massa. Het baart hem zorgen: ‘We maken een fout door te denken dat we de transitie wel gaan redden met een groepje koplopers.’ Hij pakt een papier en een pen en tekent een S-curve die het transitietraject moet voorstellen. ‘In het begin heb je inderdaad mensen nodig die op de troepen vooruitlopen’, tikt hij op de linkerkant van het vel, ‘maar die fase zijn we al lang voorbij. We zitten in de verbredingsfase, waarin je mensen mee moet krijgen. Dat lukt niet zolang we blijven hameren op groen consumentisme dat enkel is weggelegd voor kapitaalkrachtigen. Klimaatverandering is een collectief probleem dat vraagt om collectieve oplossingen.’

Als je de kosten en baten eerlijker verdeelt neem je het verkapte klimaatscepticisme de wind uit de zeilen

Vandaar dat Pols klimaatrechtvaardigheid tot speerpunt heeft gemaakt bij de campagnes van Milieudefensie. Hij was de opdrachtgever van het onderzoek door de CE Delft, waaruit blijkt dat de lusten en lasten van het klimaatbeleid ongelijk zijn verdeeld. En bij de International Trade Unions Confederation is Pols een van de twee vertegenwoordigers van de milieuwereld, omdat hij vindt dat de milieubeweging en de vakbonden de handen ineen moeten slaan.

‘Het klimaatvraagstuk is geen geïsoleerd probleem dat kan worden opgelost door een stel slimme ingenieurs’, zegt Pols. Het gaat niet alleen over het terugdringen van de CO2-uitstoot, het gaat over werkgelegenheid, ongelijkheid, mobiliteit, democratie en macht. Dat betekent dat je al die factoren in ogenschouw moet nemen bij het vormgeven van de transitie. Zorg je ervoor dat de vervuiler betaalt? Of subsidieer je vooral het bedrijfsleven om te verduurzamen? Wil je een maatschappij waarin de middenklasse een Tesla voor de deur heeft? Of investeer je vooral in het openbaar vervoer? Dragen de sterkste schouders ook de zwaarste lasten van de overstap naar groene energie? Of krijgen ze juist een extra zetje om hun eigen huis off the grid te halen?

Betrek mensen direct bij de oplossingen, luidt het advies van Pols. Dus geef geen overheidssteun aan omslachtige oplossingen als ondergrondse CO2-opslag, maar verstrek subsidies via wijkfondsen, waarmee buurtbewoners hun woningen kunnen isoleren. Dat levert én klimaatwinst op én een lagere energierekening. Mensen staan waarschijnlijk niet direct te springen om een windmolen in hun achtertuin, maar dat verandert als je de hele gemeenschap serieus laat meeprofiteren van de opbrengsten.

Nu kan een rechts-populist als Wilders nog roepen dat vooral Henk en Ingrid opdraaien voor de klimaatkosten en dat we daarom moeten stoppen met dat soort onzinnige maatregelen. Als je de kosten en baten eerlijker verdeelt neem je dit verkapte klimaatscepticisme de wind uit de zeilen, gelooft Pols: ‘We hebben dit thema van rechts afgepakt. Je ziet nu dat linkse politici oog beginnen te krijgen voor rechtvaardigheid in het duurzaamheidsdossier. In de tegenbegroting van de SP, pvda en GroenLinks heet het niet voor niets een “eerlijk en ambitieus klimaatbeleid”.’

Het belangrijkste obstakel op de weg naar een duurzame toekomst is ook niet zozeer de groene voorhoede, als wel de gevestigde elite die daadwerkelijk aan de touwtjes trekt en de lijnen uitzet. De mensen in een positie van macht. Omdat een transitie altijd een machtswisseling betekent gaat zo’n overgang niet zonder slag of stoot, zegt Derk Loorbach. Als directeur van het drift, instituut van de Erasmus Universiteit, doet hij onderzoek naar de voorwaarden en kansen van de duurzaamheidstransitie. ‘Sommige partijen in het huidige regime hebben extreem veel te verliezen, die proberen uit alle macht hun posities te behouden, door de regels van het spel naar hun hand te zetten. Ze willen grofweg op dezelfde voet doorgaan en de bestaande structuren intact laten. Dat betekent centraal gerichte, grootschalige projecten zoals windparken op zee of het afvangen en opslaan van CO2. Ze denken volgens de oude logica, gebaseerd op een marktmodel waarin een handjevol grote bedrijven de dienst uitmaken en burgers nauwelijks invloed hebben.’

Terwijl het hele denkraam moet kantelen om te zorgen dat Nederland duurzaam wordt. Het is niet voldoende om het bestaande te verbeteren, de kunst is om een compleet nieuwe maatschappijvisie te ontwikkelen. Noem het een paradigma-shift. Dat roept weerstand op, maar biedt ook kansen, gelooft Loorbach: ‘Het is niet alleen de vraag “waar moeten we vanaf?”, maar ook “waar willen we naartoe?”. We kunnen een mobiliteitssysteem bouwen dat veel klimaat- én gebruiksvriendelijker is dan het huidige model. We kunnen ervoor zorgen dat huishoudens die nu een groot deel van hun inkomen kwijt zijn aan de energierekening als eerste geïsoleerde woningen en eigen zonnepanelen krijgen.’ Het kan, kortom, efficiënter, socialer, schoner en democratischer. ‘Er zit een enorme ecologische en sociale potentie in transitie’, zegt Loorbach. ‘Al betekent dat niet automatisch dat we die ook gaan benutten.’

Of dat lukt hangt af van de houding van wat hij de ‘transitie-elite’ noemt. Als groene pioniers hebben zij hun taak al vervuld: door af te wijken van de fossiele norm hebben ze ervoor gezorgd dat de ontwikkeling van zonnepanelen een vlucht nam, dat energiecoöperaties windmolens kochten en dat Nederlanders minder vlees zijn gaan eten. Ze rammelden voorzichtig aan de poorten van de gevestigde orde. Nu komt het erop aan die poorten open te breken door ook de rest van Nederland te verenigen achter de duurzaamheidsmissie.

dat is wat Thiëmo Heilbron met Fawaka stapje voor stapje, van onderop, probeert te realiseren: ‘Er zijn een hoop mooie en inspirerende initiatieven. Maar die moeten toegankelijk worden voor een veel groter publiek. Ik wil iedereen bereiken, ook de Telegraaf-lezer en de pvv-stemmer.’ Nu nog hopen dat zijn strategie weerklank vindt bij de eco-elite. Wat dat betreft is er hoop: dit jaar steeg Heilbron 26 plekken in de Duurzame 100.