Interview Laurens-Jan Brinkhorst

‘Duurzame landbouw is altijd mijn inzet geweest’

Het zit er voor hem definitief op, drie jaar paarse regering en de Haagse politiek. Demissionair minister van Landbouw Laurens-Jan Brinkhorst keert zeker niet terug naar de nationale politiek. Ophouden, nu hij net de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt? Nee, dat nooit. ‘Ik ga straks, hoop ik, terug naar Europa en zal me graag blijven inzetten voor Nederland’, zegt hij, gezeten op een helblauw plofbankje in de hoek van zijn enorme werkkamer op het ministerie. ‘Europa is meer dan de meeste Nederlanders beseffen nationale politiek geworden. We leven met onze rug naar Europa. Dat zegt heel veel over ons dualistische zelfbeeld. Wij denken het altijd beter te weten, wij denken dat we een open land zijn, met de ramen wijd open naar de wereld om ons heen. Maar in de praktijk zijn wij vreselijk naar binnen gekeerd, en zeer nationaal-denkend.’

Met zijn keurige Leidse tongval zeilt hij langs onderwerpen die hem na aan het hart liggen: Europa, de noodzakelijke omwenteling in het Europese landbouwbeleid en – ondanks alle restricties die zijn afgekondigd sinds de verkiezingscampagnes op slot zijn gezet – de Nederlandse politiek. Een enkele keer zegt hij: ‘O nee, daarover mogen wij het niet hebben, dat is te veel partijpolitiek.’

Hij drukt zich even voorzichtig als stellig uit, en voelt zich niet geremd door het verkrampte politieke klimaat dat is ontstaan na de moord op Pim Fortuyn. Geen polderende vaagheid of politiek gedraai, zoals hij dat ook deed onder de meest lastige omstandigheden in zijn loopbaan toen in de landbouw ruim een jaar geleden een diepe crisis uitbrak. Wekenlang waren de boeren in tranen, in opstand en in depressie. Maar ‘de beul in Den Haag’ was niet uit zijn evenwicht te brengen. In de hoogtijdagen van de landbouwcrisis, nu ruim een jaar geleden, kreeg hij soms letterlijk stront over zich heen gekieperd. Maar het kon niet anders, en hij schroomde niet om in kaplaarzen en met de eeuwige wollen sjaal boven zijn grijze pak direct de confrontatie te zoeken met de boze boeren.

U bent heel erg geprezen om deze houding. Durfde u het aan om niet iedereen tevreden te houden?

‘Ach, het gaat mij niet om het prijzen. Maar natuurlijk ben ik getroffen. Juist deze dagen, door de gebeurtenissen van de afgelopen week, komt de vraag naar voren hoe je moet omgaan met harde kritiek. Dat komt voor mij nu allemaal heel persoonlijk aan. Ik ben in de afgelopen jaren denk ik de enige minister geweest die dit soort processen heeft meegemaakt. Haat gericht op mijn persoon. Uitspraken als dat ik een killer was. Ik ben als een pop aan de galg gebonden en verbrand. Dus ja, dat komt nu wel allemaal een beetje terug. Ik ben ook maar een mens van vlees en bloed. Ik heb er in die tijd voor gekozen om me niet over te geven aan mijn eigen emoties en daar uiting aan te geven. Want dan krijg je al gauw vervalsing: als het ware het beeld dat we maar aardig voor die man moeten zijn omdat hij zo zielig is. Zieligheid is niks, geen goede emotie. Wat ik me wel aantrek, is als mijn motieven in twijfel worden getrokken. Daar kan ik niet goed tegen. Ik heb aan den lijve ervaren dat een Utrechtse professor mij met Hitler vergeleek. Dat is misbruik maken van vrijheid van meningsuiting.’

Heeft u zelf ooit met een groepering uit de radicale milieuhoek te maken gehad?

‘Het is voor mij eigenlijk uit twee hoeken gekomen. Een aantal boeren en mensen die in die omgeving zaten, was zeer militant. De ME moest weleens uitrukken als ik gedurende de crisis ergens in het openbaar verscheen. Maar er waren ook dominees die een kerkdienst hielden voor geitjes. In de andere hoek waren er de radicale milieuactivisten. Er is gelukkig niks gebeurd. Het zijn dus allemaal sentimenten, waar ik als mens best begrip voor heb. Maar als ik daaraan had toegegeven, dan hadden we net als in Engeland acht maanden mkz gehad. Dan was het hele land op slot gegaan.

Er wordt veel gesproken over verantwoordelijkheidspolitiek. Wat ik heb geleerd is dat verantwoordelijkheid betekent dat je ook goed moet kijken naar de consequenties. Je hebt het over individuele verantwoordelijkheid, mijn functie brengt dat met zich mee.’

Het moet voor de agrarische sector een schok zijn geweest dat in 1999 een aristocratisch, wat kosmopolitisch type (hij zat als directeur-generaal Milieuzaken tussen 1987 en 1994 in Brussel en tussentijds zat hij in Tokio als ambassadeur van de Europese Gemeenschap) het ministerie binnenstapte als opvolger van Hajo Apotheker, met de drang de landbouw drastisch te hervormen. De navelstaarderij moest afgelopen zijn. Het wilde de corporatistische mentaliteit op het ‘ministerie van boerenbelangen’ doorbreken en zich ook nadrukkelijk inzetten voor ‘groen, milieu en consumentenbelangen’. De mestoverschotten ging hij te lijf. Opeens ging het allemaal over milieu-eisen. En toen brak de crisis uit waardoor de noodzaak van zijn reeds ingezette beleid zich alleen nog maar meer deed gelden. Een europoliticus op landbouw, het was the right man on the right moment.</I

Brinkhorst: ‘Vaak is gezegd dat ik de crisis heb gebruikt om mijn beleid door te drukken. Voor alle duidelijkheid: de crisis heeft mij niet aangezet drastisch te hervormen, ik heb altijd het gevoel gehad dat het met die landbouw zo niet langer kon doorgaan. Na de oorlog ging het om de Europese voedselvoorziening – het ministerie heette toen ook ministerie van Voedselvoorziening – en dat heeft op Europese schaal enorm succes gehad. In de tweede periode, van eind jaren zeventig tot eind jaren negentig, werd gepoogd iets te doen aan de overproductie. Tegelijk kwam het maatschappelijke besef dat het ook ging om milieu en gezondheid van dieren. In het eenzijdig op de economie gerichte model kwam dat nauwelijks aan de orde. Duurzame landbouw is altijd mijn inzet geweest. In de boerensfeer ligt dat natuurlijk moeilijk; lange tijd waren er ontkenningsverschijnselen. Het ministerie heeft jarenlang op de koers gezeten van het “er zijn om de boeren te beschermen, en niet om de natuur te beschermen”.’

Brinkhorst is net terug uit Spanje waar hij – een jaar na de crisis – een informeel beraad had met de Europese landbouwministers. Zijn gezicht kleurt bruin door de Spaanse zon, maar dat komt – zegt hij – doordat hij heel snel bruint. Hij heeft natuurlijk vooral vergaderd. Hij ontkent de kritiek dat er nog niet zo heel veel terecht is gekomen van het in Europees verband door te voeren hervormingsbeleid (zoals de zogenoemde Brusselse tweede pijler: de plattelandsontwikkeling).

‘Het kost veel tijd. Nederland heeft een grote achterstand in te halen. We hebben decennialang ingezet op een prijs- en landbouwbeleid en op efficiënte productie. We hebben een geweldige export. De ontwikkeling van het platteland werd nooit als prioriteit gezien.’

Hoe ziet dat boerenlandschap er in de toekomst uit? Komen er een soort kolchozen of kleine bio-boeren bedrijfjes uit grootmoeders tijd?

‘Er zijn twee ontwikkelingen: om de verrommeling tegen te gaan – met name in Brabant – moet het aantal stallen terug naar minstens de helft. Je krijgt aan een kant bepaalde gebieden met agro-ondernemers, maar die zullen aan hoge milieu-eisen moeten voldoen. Aan de andere kant de biologische landbouw, maar dat blijft een klein percentage. Ik ben voor de ketenaanpak: een aantal biologische varkenshouders die een rechtstreekse relatie aangaan met supermarktketens, en die ontwikkeling is interessant. Op Europese schaal zal het altijd een klein deel van de markt blijven, naar verhouding ongeveer tien procent. Er zit wel een groei in en het heeft een voorbeeldfunctie voor de landouw als geheel.’

Dat Nederland zo’n grote inhaalslag heeft moeten maken in de landbouw, vindt hij exemplarisch voor de Nederlandse houding.

‘We hebben de onverbeterlijke neiging om te denken dat we in alles voorop lopen. Zeker als het om ethische zaken gaat. We stikken van de goede bedoelingen. Er is in Nederland de neiging om alles te willen en tegelijk het tegendeel. In het algemeen vind ik dat in de Kamer veel meer met een bredere invalshoek naar de problemen moet worden gekeken. Dat geldt net zo goed voor zorg en onderwijs. We werken te corporatistisch, te weinig intergraal. We zitten te veel in eigen hokjes. In mijn geval gaat het om de integratie van ecologie, economie en landbouw.’

Is de landbouw de crux van de Europese integratie?

‘Nee, dat was zo. Europa is allang een feit.’

Maar de kandidaat-lidstaten dan? Toetreding draait toch om landbouw en hervormen?

‘Bij de landbouw is dat inderdaad een groot probleem omdat ze een grote achterstand hebben. Maar wie zegt dat de uitbreiding eigenlijk alleen maar door de landbouw wordt bepaald? Hervormen is nooit een voorwaarde van uitbreiding. Daar zijn weleens suggesties naar gedaan. Dat is heel gevaarlijk, want er zijn veel bredere belangen in het spel bij die uitbreiding dan landbouw alleen. Europese uitbreiding is een geopolitiek proces. Het heeft te maken met vrede en veiligheid, welvaart voor iedereen. Rechtvaardiging ook voor mensen die jarenlang onder invloed van de Sovjet-Unie hebben geleefd. Als lid van het kabinet zeg ik: de uitbreiding van de Europese Unie tot heel Europa is de grootste uitdaging van onze samenleving.’

En de Euro-angst, zoals toename van onveiligheid?

‘Het is juist gunstig voor de veiligheid. Stel je eens voor dat het allemaal Balkanlanden zouden worden. Ik betreur het zeer dat Nederland steeds meer een naar binnen gerichte houding heeft. We zien het als een economisch verschijnsel, en vanuit onze historische neutraliteitspositie zien we Europa als een bedreiging. Als iets dat heel ver weg ligt. Ondertussen hebben we de neiging te denken dat we altijd beter zijn dan onze buren. Maar we zijn even nationalistisch als de Fransen en de Duitsers, terwijl we denken van niet. We hebben toch dezelfde problemen met asielzoekers als de andere landen, maar denken dat wij het wel aankunnen. Dat zijn contradicties. We denken dat andere landen frauderen en ondertussen hebben we een fraudezaak rond het Europees Sociaal Fonds aan onze broek. En de bouwfraude heeft met hetzelfde te maken.’

Komt deze mentaliteit vaker voor dan voorheen?

‘Ik denk dat deze manier van denken is toegenomen naarmate we Europa meer als een bedreiging beschouwen. Zodra Europa meer politiek vorm krijgt, beginnen we angst te ontwikkelen. Er zijn ook tegenkrachten. Ik ben ervan overtuigd dat dat in de volgende verkiezingen meer een rol gaat spelen.’

Dat had nu toch al zo moeten zijn?

‘Ja, maar hoe moeten Nederlandse parlementariërs werkelijk inzicht krijgen in al die processen? Een nieuwe generatie politici zal moeten aantreden. Daarover wil ik niet cynisch zijn. Laat ik het zo zeggen: de wal keert het schip. We moeten ons wel realiseren dat het nodig is. Lange tijd dacht men in Nederland dat het Europees Parlement gelijk is aan zakkenvullerij. Natuurlijk zijn er dingen verkeerd gegaan, maar de gedachte dat Europarlementariërs maar een soort tweederangs figuren zijn, is een ingebakken gedachte. Zo maak je Europa toch tot een vijand.’