Duw een kind in wat zand en het groeit daar

Armando, Gedichten 2009, € 22,50
Paul Bogaert, de Slalom soft, € 19,95
Paul Bogaert, de Slalom soft, € 15,90 (e-book)
Eva Cox, een twee drie ten dans, € 16,50
Eva Cox, een twee drie ten dans, € 12,95 (e-book)
Kreek Daey Ouwens, De achterkant, € 17,95
Henk van der Waal, Zelf worden, € 17,95

Op 26 januari kiest de jury van de VSB Poëzieprijs uit vijf genomineerde bundels een winnaar. Het zou onbegrijpelijk zijn als de prijs niet naar Henk van der Waal of Eva Cox gaat.

Is dichterschap een ambacht of een eigenschap? Moet een gedichtenbundel beschouwd worden als de momentopname van wat zich in het brein van de maker heeft afgespeeld, of gaat het om doorwrocht handwerk dat uit elkaar valt als niet aan alle technische details de uiterste zorg is besteed? Het verband tussen het zielenleven van de dichter en wat er uiteindelijk op papier komt te staan is al eeuwen onderwerp van discussie, maar dat een gedicht tot op zekere hoogte een constructie is, staat vast, ook al zien sommige dichters hun talig nageslacht liever als iets dat leeft, als een organisme met een eigen karakter. Misschien is de wijze waarop gedichten tot stand komen inderdaad te vergelijken met een bevalling, die voorafgegaan wordt door verlangen, conceptie en groei, maar de boreling zal zijn aankomst in dit ondermaanse niet lang overleven als er geen lezers zijn die hem voeden. Ja, de lezer is de min van het gedicht.
Spreken over poëzie, zo blijkt direct, is onmogelijk zonder in metaforen te vervallen. Woorden zijn geen cellen, gedichten geen kinderen, dichters geen barende vrouwen en poëzielezers geen pleegouders. Toch maakt beeldspraak als deze duidelijk dat het schrijven en lezen van poëzie van een andere orde is dan bancaire transacties of de productie en consumptie van genotmiddelen. Poëzie raakt aan onze existentie. In dat opzicht verschilt zij, uiteraard, niet wezenlijk van andere kunsten, waarvan de essentie eveneens slechts door middel van vluchtige metaforen benaderd kan worden.
Hoe dan ook, aangenomen dat de dichter tijdens het schrijven enige sturing inzet om ordening aan te brengen in de taal die hij voortbrengt, is het niet onzinnig gedichten als ambachtelijke producten te zien, of men zich daarbij nu klokken, muziekinstrumenten of bieren van hoge gisting voorstelt. Een gedicht wordt gemaakt. Was dat niet het geval en waren we het erover eens dat een dichter het niet kan helpen dat hij poëzie op de wereld zet, dan zou het bekronen van poëzie onzinnig zijn. We gaan ervan uit dat de dichter een prestatie levert en daarom in aanmerking komt voor een prijs, zoals de schaatser wordt beloond voor zijn fysieke inspanningen. De poëziecriticus is een keurmeester, de jury van een poëzieprijs is een college van scheidsrechters. Objectieve criteria ontbreken echter geheel. Smaak regeert, en zo hoort het ook.
Niet alleen in de poëziekritiek zoals ze in de media wordt bedreven, maar ook in de academische literatuurbeschouwing wordt veel aandacht besteed aan zowel formele als inhoudelijke aspecten van gedichten. Wat aanzienlijk minder gebeurt, is de analyse van bundels als geheel. Recensies in kranten zijn misschien te kort om ruimte te kunnen bieden aan de uitvoerige bespreking van de structuur van de onderhavige boeken, het is immers vaak al moeilijk genoeg greep te krijgen op de individuele beeldtaal van een dichter, toch is het vreemd dat veel besprekers geen oog lijken te hebben voor wat men de plot van de bundel zou kunnen noemen. Veelal ziet men gedichten als afgeronde, in zichzelf complete objecten, hetgeen heeft geresulteerd in de merkwaardige gewoonte bloemlezingen samen te stellen, die eigenlijk altijd onleesbaar zijn omdat de gedichten uit hun natuurlijke biotoop zijn weggevoerd. Als de dichter een maker is, dan niet alleen van het gedicht, maar ook van de bundel.
De jury van de VSB Poëzieprijs looft geen beloning uit voor het beste dichterschap, het beste oeuvre of zelfs maar de beste gedichten, maar nomineert bundels. Daarom moet niet slechts vastgesteld worden in welk boek de meeste goede gedichten staan, maar ook welke bundel het meest effectief geconstrueerd is. Vijf bundels werden uitverkoren uit de productie van bijna twee jaar. De dichter van één ervan zal op 26 januari met € 25.000 naar huis gaan. Welk van de vijf boeken is het beste?
Gedichten 2009 van Armando (1929) valt onmiddellijk af. Armando is, laat daar geen twijfel over bestaan, een belangwekkend dichter met een enorme staat van dienst, ook als we afzien van zijn proza en zijn huiveringwekkende schilderijen en sculpturen. Deze man weet hoe je iets moet maken. Gedichten 2009 bevat dan ook heel wat gedichten die zich kunnen meten met zijn beste werk. Maar het is geen boek. Het is een samenraapsel.
Als vanouds stelt de dichter zich op als observator aan de zijlijn, die de gruwelen die zich voor zijn ogen afspelen registreert en zichzelf ertoe dwingt ze voor zichzelf te laten spreken. Afstandelijk, ogenschijnlijk zonder commentaar of moreel oordeel, laat hij zien hoe het is: ‘Hij schoof de doek omhoog,/ trok het gordijn opzij,/ keek naar buiten/ en zag de dorre verwoesting.’ De laconieke toon kan niet verhullen dat de spreker ten diepste betrokken is bij wat hij waarneemt. Armando is altijd, waar hij zich ook bevond, oorlogsverslaggever geweest. Neem Zwijgen:

De nietsvermoedende vond het
adembenemend.
Hij bezag de takken, de hulpbehoevende
wolken, de resten van een stal,
streelde het struikgewas,
liep naar beneden
en zweeg.

Door de onheilspellende gebeurtenis te beschrijven via de waarneming van een derde tracht de spreker zichzelf buiten schot te houden en prikkelt hij de lezer tot speculaties over wat zich heeft voorgedaan in dit 'schuldig landschap’, om een van Armando’s indrukwekkendste concepten aan te halen.
De andere vier bundels zijn zorgvuldig doordachte composities, wat weer niet impliceert dat alles wat erin staat ook steengoed is. De sterkste structuur heeft Slalom soft van Paul Bogaert (1968), zijn vierde bundel, die hem vorig jaar in Vlaanderen reeds de Herman de Coninck-prijs opleverde. De dichter presenteert het geheel zelfs als één 'lang, nauwsluitend gedicht’, dat de Werdegang van een badmeester in een zwemparadijs beschrijft. Genadeloos gaat Bogaert aan de haal met het commerciële slappe gelul dat ons permanent omgeeft en dat de werkelijkheid op beklemmende, soms iets te hilarische wijze aan het zicht probeert te onttrekken. Gedetailleerde veiligheidsprotocollen kunnen niet voorkomen dat elk moment de pleuris kan uitbreken, wat in het gedicht dan ook gebeurt. Een verhaal dat zo, op een bijna bijbelse toon, begint, kan alleen maar apocalyptisch aflopen:

Handelend naar de letter
en de geest van het aanvangsuur
controleert hij de boeien en de temperatuur
en doorkruist hij schuw de zones.

Zijn werkdag begint met een ronde door het complex: 'Dag collega van de leuke collage van pleisters/ (maar moet dat in onze kantine?) zo vroeg al/ bijna in de armen van die met de piepschuimen stem.’ En: Dag kabouterdouche, ook vandaag weer eenvoudig obsceen.’ Na een mislukte, of verkeerd geïnterpreteerde, reddingsactie komt de protagonist ernstig in de problemen. Ieder van ons zou in zijn schoenen kunnen staan.
Van De achterkant van Kreek Daey Ouwens (1942) zou men zich kunnen afvragen of het wel poëzie betreft, en niet veeleer proza, dat in korte fragmenten het rouwproces om de dood van een geliefde oproept, ingebed in de context van een familiegeschiedenis. 'Wonen in een mooi huis. Met vier kinderen./ En een man. Een man zonder wrok.’ Dat is het ideaal. Maar wanneer zusjes hun poppen beloven dat ze altijd voor hen zullen blijven zorgen, verstoort moeder 'die zacht binnengekomen is’ - een navrant detail - de vredigheid door korzelig te zeggen: 'Maar wat kletsen jullie! Iedereen gaat een keer dood. Je kunt niks beloven.’ Deze bundel staat in het teken van de dood en slaagt er niet altijd in sentimentaliteit te vermijden:

Ik zou toch zeker de lachlust opwekken, als ik werkelijk zou uitspreken hoeveel ik van je hield. Ik zou zelf haast denken dat ik niet goed bij mijn hoofd ben. Buiten speelt de wind met de takken.
Binnen is het voldoende zo hard als ik kan op de toetsen van mijn schrijfmachine te slaan.

Bij vlagen weet Ouwens het verlies wel enigszins voelbaar te maken, maar echt pregnant en indringend wordt het nergens.
De bundels van Eva Cox en Henk van der Waal steken met kop en schouders uit boven de andere drie, maar ze lijken niets op elkaar. Zelf worden van Van der Waal (1960), eerder in dit blad besproken (20-5-10) is een enerverend onderzoek naar de afgronden van het zelf, dat tot de verontrustende conclusie lijkt te voeren dat ons diepste wezen ons ten enenmale vreemd is. De bodem van het ik valt niet te onderscheiden van de dood, die op zijn beurt als een geliefde wordt verleid. Alle gedichten vallen uiteen in twee helften die gespiegeld worden door een titel die ertussenin staat, bovendien verschijnen de meeste gedichten in tweetallen. Het zoeken naar de juiste taal voor iets wat uit zicht verdwijnt zodra je het wilt benoemen, de 'pure onbedorvenheid van je loutere/ andersheid’, vergt blijkbaar de uiterste evenwichtskunst.
De bundel bevat echter ook een paar schitterende gedichten over vriendschap, alsmede het koppel 'ademloos’ en 'verstuift’, waarin de zinderende vrijpartij met een voluptueuze vrouw wordt gevierd. Het boek wordt afgesloten met een eenregelig gedicht dat zich over 24 pagina’s uitstrekt, waaronder een wortelstelsel is afgebeeld. Iemand vraagt zich af waarom de ander - de dood, de geliefde, het zelf, of komt dat allemaal op hetzelfde neer? - niet is komen opdagen en suggereert daarvoor mogelijke verklaringen, die vervolgens allemaal worden verworpen: 'is het omdat we ons afwenden? we doen niets liever dan het stremsel strelen dat huist in jouw bekoring (…) is het omdat we zo onsterfelijk doen? onzin, vroeg of laat verdrinken we allemaal in de vijver van je mond.’
De verrassendste, maar tevens de onevenwichtigste van de vijf genomineerde bundels is Een twee drie ten dans van Eva Cox (1970), die in 2004 debuteerde met het intrigerende Pritt.stift.lippe. Evenals bij Ouwens worden de conventionele grenzen tussen proza en poëzie uitgewist. De teksten zijn gerangschikt op het aantal lettertekens (spaties en interpunctie meegerekend), waarbij het eerste gedicht het kortst is (137) en het laatste het langst (6571). Deze cijfers staan als paginanummers onder in de bladspiegel en suggereren daardoor dat de dichter een willekeurige bloemlezing heeft samengesteld uit een oeuvre van 6571 pagina’s. Inderdaad wekt de bundel, alleen al door de springerige vormgeving, een fragmentarische indruk, en wat niet helpt is dat veel gedichten ofwel bewerkingen zijn van beroemde gedichten van, onder anderen, Gezelle, Dickinson en Rilke, ofwel zijn voortgekomen uit opdrachten. Op het eerste gezicht zou je kunnen veronderstellen dat Cox pas aan het dichten slaat wanneer een externe instantie haar de parameters heeft aangereikt.
Maar de schijn bedriegt. Hoewel een paar gedichten het niveau van flauwe vingeroefening niet ontstijgen, is de gehele bundel doortrokken van een besef dat de wereld bizar en wreed is, dat geborgenheid een illusie is en dat we onze medemensen slechts waarnemen als exotische dieren achter glas. Ramen, spiegels, brillen en glazen ogen vormen een prominent leidmotief: 'Men staat in de straat, men ruikt de tanden van de vroege ochtend, de knieën nog rood van lang knielen. Men tracht hard de dingen te zien zoals zij zich voordoen, zet de zonnebril op, behoedt zich met die schemer voor de scherpte van de eigen blik.’
In een stadsgedicht laat Cox op associatieve wijze zien hoe de verbeelding zelfs de logste en meest inerte materie vloeibaar kan maken. Henriëtta - de naam is die van een schip dat in het motto genoemd wordt - spuwt een kersenpit en zegt:

Tussen stenen kruipt gras. In de vorm van een hart. De vorm van een vogel.

Vervolgens schudt zij een kussen op:

Duw een kind in wat zand en het groeit daar. Naai een schoen in een buik en die slaapt daar. De zee zwemt niet weg.

Hoewel de tekst is opgemaakt als proza hoor je direct dat het onvervalste versregels betreft. De taal en de vormgeving ademen de ongrijpbaarheid, misschien ook de giftigheid van kwikzilver. Eva Cox laat zich niet vangen.
Het zou onbegrijpelijk zijn als de prijs niet naar Henk van der Waal of Eva Cox gaat. Beide dichters zijn vindingrijke ambachtslieden die werken met vluchtig, organisch materiaal. Hun bundels vertellen verhalen die bij het lezen een leven gaan leiden. Goede poëzie.

De genomineerden: Armando, Gedichten 2009, Augustus, 112 blz., € 22,50; Paul Bogaert, De slalom soft. Gedicht, Meulenhoff/Manteau, 64 blz., € 19,95; Eva Cox, Een twee drie ten dans,
De Bezige Bij, 72 blz., € 16,50; Kreek Daey
Ouwens, De achterkant, Querido, 112 blz.,
€ 17,95; Henk van der Waal, Zelf worden,
Querido, 84 blz., € 17,95