Dwalen

Al krassend ging Rembrandt van de ene passage naar de andere, van lichte plekken naar donkere. Heen en weer zoals hij geluimd was.

Small rp p 1962 52
Hieronymus lezend in een Italiaans landschap, 1651-1655. Ets, droge naald en burijn, gedrukt met lichte plaattoon, op lichtgrijs kardoespapier, 261 x 210 mm © Rijksmuseum Amsterdam

In de kleine ets uit 1634 zit een grijsaard te lezen in de wildernis in het wonderlijke gezelschap van een leeuw. Dat is de heilige Hieronymus dus. De andere ets, ook van Rembrandt, is ongeveer twintig jaar later gemaakt: Hieronymus lezend in een Italiaans landschap. De ruimte daarin is groter. Dat wil zeggen dieper en breder vooral. Dat was de theatrale ruimte die de leeuw nodig had om daar zo te staan – alert, dramatisch en toch ontspannen aan de rand van die hoge plek. Beneden en achter de lenige gestalte van het dier zien we in de diepte rechts eerst onstuimig stromend en vallend water, denk ik. Verder weg zien we het land weer naar boven gaan tot aan de compacte bebouwing boven op de heuvel. Onder aan de voet van het gebouw met de hoekige toren zien we, ook verder naar rechts, dichte begroeiing van bomen. Die passage is ook heel donker geëtst. Die plek is gewoon een bijna zwarte plek. Daar zakt ook het land weer naar beneden. We zien een soort van plooi – tot aan de van hout getimmerde brug over een diepte waarin vermoedelijk ook beweging gaande is van roerig water. Intussen is die plek pal onder die plompe bouwsels daar ook zo donker gemaakt om links daarvan de geleidelijk glooiende helling extra licht te laten lijken – alsof daar de zon schijnt.

Technisch wil dat zeggen dat we daar vooral papier zien met alleen maar dunne kronkelige lijnen. Aan de zijkant van het laagste stuk gebouw zien we een deur in de witte muur. Die muur is wit omdat daar de zon op schijnt. Dat zien we omdat we verder opzij een gebogen schaduw zien. Die komt van het compact gegroepeerde geboomte daar weer achter. Dat gebladerte is ongeveer zo grijs en licht gekrast als de schaduw op de muur met zonlicht. Naar beneden toe was het etsen krachtiger en dus donkerder. Daar begrenzen de bomen een licht gebogen glooiing van gras.

In het grote, brede theater golft en deint alles

Tegelijkertijd zien we hoe vanaf de gesloten deur in de zijkant van het huis een smalle weg in een wijde bocht naar beneden gaat: een breekbaar dunne lijn is dat, die uiteindelijk uitkomt bij die twee wandelaars op de gammele brug. Dat grasveld gaat vanaf de donkergrijze rand van geboomte tot waar de weg vanaf de deur naar beneden begint te draaien.

Small hieronymus lezend in de wildernis rp p 1962 49
Hieronymus lezend in de wildernis, 1634. Ets, 108 x 89 mm © Rijksmuseum Amsterdam

Nu heb ik nog maar enkele passages wat meer van dichtbij bekeken. Dan nog is wat je ziet niet te beschrijven. Niet voor niets spreek ik van passages. Kijk naar de verschillende groepen van bomen rondom de gebouwen op de heuvel. Dat lijken vormen in groei, niet vaste vormen maar vormen die zo ongrijpbaar zijn als wolken in beweging. Datzelfde geldt voor dat vallende water helemaal rechts onder, beneden het stuk rots waarop de leeuw staat. Dat snelle bewegen laat Rembrandt zien door rechte lijnen evenwijdig naast elkaar te krassen. Niet zwaar: het gaat immers om watervlugge beweging in één richting. Pas als daar een rotsblok de stroming in de weg ligt, ontstaan veranderingen en onderbrekingen in de evenwijdigheid van die lijnen. Dat zijn passages van vormbewegingen die tegelijkertijd ook aan het veranderen zijn. De ets is zo ook opgebouwd, van passage naar passage, heen en weer tussen donker en grijs en wit. De kleine van 1634, een vroege prent dus, is geconcentreerder. Er zijn twee hoofdvormen, de oude man en de schrale leeuw waar omheen, als vruchten in een stilleven, stukken landschap zijn gerangschikt. Maar in het grote, brede theater golft en deint alles. Er zijn misschien drie momenten van houvast: de leeuw op de rots, de gebouwen op de heuvel en de vreemde verknoping van boomstronken. Daarachter zien we, donkergrijs ruisend, dat gebladerte in alle schakeringen van gekras.

Dat ik er hier zo over schrijf, van hot naar her, is omdat ik er zo ook naar kijk. Ik dwaal rond in wat ik zie. De ets is zo ook gemaakt. Al krassend ging Rembrandt van de ene passage naar de andere, van lichte naar donkere plek, van dichte arcering naar vrijwel transparante. Ik kan me voorstellen dat hij nauwkeurig begon, bij de boomstronken links, toen de leeuw en dan verder – heen en weer zoals hij geluimd was. Ten slotte de lezende grijsaard heel fragiel getekend onder het spitse afdak in de felle zon. Dat zien we aan de schaduw van de hoedrand. De oude man houdt het boek dicht bij zijn ogen omdat hij slechter is gaan zien. Maar Rembrandt zag genoeg. Hoe fragiel als op het eind de ets ook was, toch is hij voltooid. We zien alles.