Dwalen in Komrij’s curiositeitenkabinet

GERRIT KOMRIJ
DE NEDERLANDSE KINDERPOËZIE IN 1000 EN ENIGE GEDICHTEN
Prometheus, 1039 blz., €19,95

Het zijn er veel, heel veel. Van sommige zijn er zelfs te veel. En hun diversiteit is ongekend groot: de gedichten voor kinderen, door kinderen en over kinderen die Gerrit Komrij verzamelde in zijn bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten.

Het acht centimeter dikke boek rust op slechts twee pijlers: het verstrijken der tijd vanaf de Middeleeuwen en het eindeloze spelen met taal, ritme, rijm, klank en woordbetekenis. In een interview in Trouw vertelt Komrij hoe hij tijdens zijn bloemlezen in Portugal en de Koninklijke Bibliotheek nog niet precies wist welke kant het op ging. ‘Ik vreet wel, maar waar naartoe?’ Dat gebrek aan richting is in wat Komrij’s laatste literaire verzamelproject heet te zijn helaas merkbaar. Het lezen voelt als ronddwalen in een papieren curiositeitenkabinet, waarin allerlei interessante, verrassende, vervreemdende, grappige, grimmige, onzinnige en veelal genietbare poëtische restanten terecht zijn gekomen. Ideaal voor de zappende generatie. En makkelijk voor wie zelf geen keuze uit de ‘Bibelebontse gedichtenberg’ kan maken.

Maar wat voegt zo’n min of meer willekeurig samengestelde bloemlezing dan toe aan bijvoorbeeld Anne de Vries’ minder omvangrijke maar overzichtelijker bloemlezing Van Alphen tot Zonderland: De Neerlandse kinderpoëzie van alle tijden (2000)? Of de inmiddels klassiek geworden en met een Gouden Griffel bekroonde eigentijdse kinderbloemlezing Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is (1990) van Tine van Buul en Bianca Stigter?

Misschien wel niet zo veel als alle media-aandacht doet bevroeden. Natuurlijk is het beklimmen van een grillige gedichtenberg geen sinecure en verdient het bereiken van de top alle lof. En natuurlijk zal Komrij willekeur bestrijden en beargumenteren dat kwaliteit en cultuurhistorische elementen zijn bloemlezing kaderen en dat het ‘onvermijdelijke didactische element’ de rode draad is die zijn 1000 en enige gedichten met elkaar verbindt. Alle kinderpoëzie wil kinderen iets bijbrengen, beweert Komrij. Nu eens gevoel voor ritme en rijm. Dan weer een wijze les.

Van die wijze-lessen-gedichten zijn er erg veel. Titels als De deugd alleen maakt beminnelijk (A. Kleijn-Ockerse, 1763-1828), het anonieme Verschrikkelijk gevolg der baldadigheid, het stichtelijke goedje inclusief De pruimenboom van ‘de vader der Nederlandse kinderpoëzie’ Hieronymus van Alpen en het kwaliteitsarme Het A.B.C. der plichten (Gerrit Paape en Maria van Schie, tweede helft achttiende eeuw) verwijzen naar van begin tot eind prekerige verzen waar je, ook al adviseert Komrij dat in zijn voorwoord, toch moeilijk over de moraal heen kunt lezen.

Waarom heeft Komrij zo veel van die godvrezende Jetjes en brave, door pruimen geobsedeerde Jantjes geselecteerd? En van die ondeugdelijke Keesjes en Kootjes die in de gedichten als lijk eindigen? Curieus en interessant pedagogenvoer zijn ze zeker. En dat Komrij van al die lijken smult, is best begrijpelijk. Maar of die gedichten nou echt zo goed zijn?

Dat ook latere kinderdichters een boodschap meegeven, blijkt. De educatieve intentie van P. van Renssen (1902-1936) in ‘Eén, twee, drie,/ Oud is niet nieuw,/ Nieuw is niet oud,/ Warm is niet koud,/ Koud is niet warm,/ Rijk is niet arm’, spreekt voor zich. En Het stinklied van Willem Wilmink (1936-2003) oogt revolutionair, een boodschap bevat het wel degelijk: ‘Van wassen ga je blinken/ Laat ons maar lekker stinken,/ en door de wereld gaan/ met vuile kleren aan’. Hier wordt bewust opgeroepen tot verzet tegen burgerlijke truttigheid en ouderlijk gezag, karakteristiek voor de emancipatiebeweging van de jaren zestig/zeventig van de vorige eeuw. Maar om al die heerlijk zingende, zagende, wiegende, waggelende baker- en speelrijmpjes en klankrijke aftelversjes als ‘holleke, bolleke,/ rubes-holleke,/ holleke-bolleke,/ knol!’ opvoedkundige uitgangspunten toe te dichten gaat erg ver. En of Paul Biegel met ‘van je mie, van je ma,/ van je muis piep, piep’ en Wim Hofman met zijn ‘wam tjakke dak/ woem tjakke doem/ wam tjakke dak/ snuutje ka boem/ tjakke ja en amenland/ tjakke nee in Nederland/ wam tjakke dak/ woem tjakke doem/ wam tjakke dak/ tuutje ka boem’ (Vehikkele) kinderen bewust iets wilde bijbrengen, kun je je ook afvragen.

Biegel en Hofman vind je gaandeweg de tweede helft van de bundel. Ze zijn representatief voor de laatste dertig jaar waarin volop wordt gedicht in vrije verzen: associatief, raadselachtig, humorvol, klankrijk en meerduidig. Gedichten van Sjoerd Kuyper, Iene Biemans, Ted van Lieshout en Komrij’s trotse ontdekking Gerard Berends. Van dat soort gedichten had Komrij er meer mogen kiezen. Ten koste van de achttiende- en negentiende-eeuwse kinderpoëzie.

De overvloed daarvan lijkt toch enigszins voortgekomen uit liefhebberij en verzameldrift, waardoor de bloemlezing een hoog ter-lering-ende-vermaak-gehalte heeft. Maar als je Komrij heet, kun je je liefhebberijen veroorloven. Zijn niet aan de kinderboekenwereld gekoppelde naam geeft de bloemlezing wel een gezaghebbend aura. Bovendien bewijst de gedichtendiversiteit dat de grenzen in het literaire landschap vrij willekeurig worden getrokken. Dat Komrij dankzij zijn bloemlezing veel kinderdichters uit hun ‘kinderdichterhok’ bevrijdt is een grote verdienste. Dat wil overigens niet zeggen dat kinderpoëzie niet bestaat. Lees het recentelijk verschenen Van mij en van jou van Hans en Monique Hagen (zie pagina 44) en je weet wat kinderpoëzie is en hoe het werkt.