ESSAY: De verantwoordelijkheid der intellectuelen, redux

Dwars denken

Dienen intellectuelen hun regering te steunen, zeker in tijden van oorlog? Of moeten ze hun privileges juist gebruiken om de staat te bekritiseren? In dat geval nemen ze wel een risico, ook in Amerika.

WE ZIEN VAAK NIET wat zich recht voor onze ogen afspeelt, en dus is het misschien niet zo heel vreemd dat wat iets verder van ons vandaan staat geheel en al onzichtbaar is. We waren onlangs getuige van een leerzaam voorbeeld: op 1 mei stuurde president Obama 79 commando’s naar Pakistan om een taak uit te voeren die klaarblijkelijk een aanslag met voorbedachte rade op Osama bin Laden was. Hoewel het doelwit van die operatie ongewapend was, niet werd beschermd en makkelijk gevangen genomen had kunnen worden, werd hij simpelweg vermoord waarna zijn lichaam, zonder autopsie, in zee werd gedumpt. De actie werd ?rechtvaardig en noodzakelijk’ genoemd in de liberal pers. Er komt geen proces, zoals er wél was in het geval van de nazimisdadigers. Zoals Elaine Scarry ons voorhoudt, gaat het verbod op moord in het internationale recht terug tot een krachtige afwijzing ervan door Abraham Lincoln, die in 1863 de roep om moord afdeed als ?internationale wetteloosheid’, een ?wandaad’, die ‘beschaafde naties’ met ?ontzetting’ aanzien en die de ?strengste vergelding’ verdient.

In 1967 schreef ik over de leugens en verdraaiingen rond de Amerikaanse invasie van Vietnam en had het over de verantwoordelijkheid van intellectuelen, waarbij ik de uitdrukking leende van een belangrijk essay van Dwight Macdonald na de Tweede Wereldoorlog. Nu, bij de tiende verjaardag van 9/11, en nu er in de Verenigde Staten brede goedkeuring bestaat voor de moord op verdachte nummer één, lijkt het moment daar om op die kwestie terug te komen.

Het concept van intellectuelen in de moderne betekenis werd bekend door het in 1898 gepubliceerde Manifest der intellectuelen van de dreyfusards die, geïnspireerd door Emile Zola’s open protestbrief aan de president van Frankrijk, zowel de veroordeling van de Franse artillerie-officier Alfred Dreyfus na een vervalste beschuldiging van verraad als de daaropvolgende militaire cover-up veroordeelden. De houding van de dreyfusards geeft het beeld van intellectuelen als verdedigers van de rechtvaardigheid, die de macht het hoofd bieden met moed en integriteit. Maar in die tijd werden ze niet echt zo gezien. De dreyfusards, een minderheid van de ontwikkelde klassen, werden bitter veroordeeld binnen de mainstream van het intellectuele leven, met name door prominente figuren onder ?de onsterfelijken van de sterk anti-dreyfusard Académie Française’, schrijft Steven Lukes. Voor de romancier, politicus en leider van de anti-dreyfusards Maurice Barrès waren dreyfusards ?anarchisten van het lezingen-toneel’. Voor een andere van deze onsterfelijken, Ferdinand Brunetière, stond het woord ?intellectueel’ voor ?een van de belachelijkste buitenissigheden van onze tijd – ik bedoel de pretentie om schrijvers, wetenschappers, professoren en filologen te verheffen tot de rang van supermensen’, die het wagen om ?onze generaals te behandelen als idioten, onze sociale instituties als absurd en onze tradities als ongezond’.

Wie waren dan de intellectuelen? De minderheid die werd geïnspireerd door Zola (die tot gevangenisstraf werd veroordeeld wegens smaad en het land ontvluchtte)? Of de onsterfelijken van de Académie? Die vraag weergalmt door de geschiedenis, in de een of andere vorm, en biedt ons vandaag een kader om de ?verantwoordelijkheid der intellectuelen’ te bepalen. De uitdrukking is ambigu: verwijst ze naar de morele verantwoordelijkheid van intellectuelen als fatsoenlijke mensen in een positie waarin ze hun voorrecht en status kunnen gebruiken ten bate van vrijheid, rechtvaardigheid, genade, vrede en dergelijke sentimentele ideeën? Of verwijst ze naar de rol die ze geacht worden te spelen: het dienen, en niet schaden, van leiderschap en gevestigde instituties?

Een antwoord kwam tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen prominente intellectuelen aan alle zijden zich enthousiast aaneensloten om hun eigen staten te steunen. In hun Manifest van 93 Duitse intellectuelen riepen leidende figuren in een van de meest verlichte staten het Westen op om ?vertrouwen in ons te hebben! Geloof dat wij deze oorlog tot het einde zullen voeren als een beschaafde natie, waarvoor de nalatenschap van een Goethe, een Beethoven en een Kant net zo heilig is als haar eigen huis en haard.’ Hun geestverwanten aan de andere kant van de intellectuele loopgraven waren even enthousiast voor de goede zaak, maar gingen verder in het ophemelen van zichzelf. In The New Republic verklaarden ze: ?Het wezenlijke en beslissende werk ten behoeve van de oorlog is verricht door (…) een klasse die bondig maar losjes kan worden omschreven als de “intellectuelen”.’ Die progressieven geloofden dat zij ervoor zorgden dat de Verenigde Staten zich in de oorlog mengden ?onder invloed van een moreel oordeel, dat is bereikt na het allerbeste overleg door de wijzere leden van de gemeenschap’. Zij waren in feite de slachtoffers van verzinsels van het Engelse ministerie van Informatie, dat in het geheim probeerde ?het denken van het grootste deel van de wereld te sturen’, maar vooral het denken van Amerikaanse progressieve intellectuelen die misschien konden helpen een pacifistisch land in een oorlogskoorts te brengen.

John Dewey was onder de indruk van de enorme ?psychologische en educatieve les’ van de oorlog, die bewees dat mensen – preciezer: ?de intelligente mensen van de gemeenschap’ – in staat zijn ?menselijke zaken in handen te nemen en ze te beheersen (…) op een doordachte en intelligente manier’ om de gewenste doelen te bereiken, die per definitie bewonderenswaardig waren.

Natuurlijk liep niet iedereen zo gehoorzaam in de pas. Vooraanstaande figuren als Bertrand Russell, Eugene Debs, Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht waren, net als Zola, tot celstraffen veroordeeld. Debs werd bijzonder streng gestraft: tien jaar cel wegens kritiek op president Wilsons ?oorlog voor democratie en mensenrechten’. Sommigen, zoals Thorstein Veblen, werden gestraft maar minder grof behandeld; Veblen werd ontslagen uit zijn functie bij het ministerie van Landbouw nadat hij een rapport had gemaakt dat aantoonde dat het tekort aan arbeidskrachten op het land overwonnen kon worden als er een eind werd gemaakt aan Wilsons brute vervolging van arbeiders, met name de International Workers of the World.

HET PATROON van lof en bestraffing zien we door de geschiedenis heen: degenen die zich opstellen ten dienste van de staat worden altijd geprezen door de algemene intellectuele gemeenschap, en degenen die weigeren zich in dienst van de staat te stellen worden gestraft. En dus worden achteraf Wilson en de progressieve intellectuelen die hem hun diensten aanboden zeer geëerd, maar Debs niet. Luxemburg en Liebknecht werden vermoord en zijn nauwelijks helden van de intellectuele mainstream geweest. Russell bleef scherp veroordeeld worden tot na zijn dood – en wordt dat in de huidige biografieën nog steeds.

In de jaren zeventig van de vorige eeuw maakten wetenschappers een scherper onderscheid tussen de twee categorieën intellectuelen. Een studie uit 1975, The Crisis of Democracy, noemde Brunetière’s ‘belachelijke buitenissigheden’ ?value-oriented intellectuelen’ (die zich richten op bepaalde waarden in de maatschappij) die een ?probleem vormen voor democratisch bestuur dat, in elk geval potentieel, even ernstig is als de problemen die in het verleden werden gevormd door aristocratische groepen, fascistische bewegingen en communistische partijen’. Deze gevaarlijke wezens wijden zich ?aan het schaden van leiderschap, het uitdagen van autoriteit, en ze dagen de instituties uit die verantwoordelijk zijn voor ?de scholing van de jongeren’. Sommigen zinken zelfs zo diep dat ze de edelmoedigheid van oorlogsdoelen in twijfel trekken. Deze hekeling van de afvalligen die autoriteit en de gevestigde orde betwijfelen kwam van de onderzoekers van de liberale internationalistische Trilaterale Commissie; de regering-Carter werd voor een groot deel uit hun gelederen gevormd.

Net zoals de progressieven van The New Republic tijdens de Eerste Wereldoorlog deden, breiden ook de auteurs van The Crisis of Democracy het begrip ?intellectueel’ verder uit dan Brunetière’s belachelijke buitenissigheden en laten er ook de betere soort onder vallen: de ?technocratische en op beleid gerichte intellectuelen’, verantwoordelijke en serieuze denkers die zich wijden aan het constructieve werk van beleid vormgeven binnen gevestigde instituties en verzekeren dat het scholen van de jongeren op dezelfde weg voortgaat.

Het kostte Dewey slechts een paar jaar om van de verantwoordelijke technocratische en op beleid gerichte intellectueel van de Eerste Wereldoorlog te veranderen in een anarchist van het lezingen-toneel, doordat hij de ?onvrije pers’ afwees en zich afvroeg ?hoe ver werkelijke intellectuele vrijheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid mogelijk zijn op een grote schaal onder het bestaande economische regime’.

Waar de Trilaterale onderzoekers met name moeite mee hadden was het ?exces van democratie’ in de roerige tijd, de jaren zestig, toen normaal zo passieve en onverschillige delen van de bevolking de politieke arena binnenkwamen om hun zorgen te uiten: minderheden, vrouwen, jongeren, ouderen, werkende mensen… kortom, wat soms ?belangengroepen’ wordt genoemd. Die moeten worden onderscheiden van degenen die Adam Smith de ?meesters der mensheid’ noemde, die ?de belangrijkste architecten’ van overheidsbeleid zijn en die hun ?vuige grondregel’ navolgen: ?Alles voor onszelf en niets voor andere mensen.’ De rol van de meesters in de politieke arena wordt niet betreurd, of bediscussieerd door de Trilateralen, waarschijnlijk omdat de meesters ?het nationale belang’ vertegenwoordigen, zoals de mensen die zichzelf toejuichten omdat ze het land de oorlog in voerden ?nadat het allerbeste overleg door de wijzere leden van de gemeenschap’ tot een ?moreel oordeel’ had geleid.

AANGEZIEN MACHT vaak overwint, worden intellectuelen die hun regeringen dienen beschouwd als verantwoordelijk, en worden waarden-georiënteerde intellectuelen verworpen of gekleineerd. Dat wil zeggen in eigen land. Wat vijanden betreft geldt het onderscheid tussen de twee categorieën intellectuelen ook, maar met omgekeerde waarderingen. In de oude Sovjet-Unie waren de op waarden gerichte intellectuelen de geëerde dissidenten, terwijl we slechts minachting hadden voor de apparatsjiks en commissarissen, de technocratische en op beleid gerichte intellectuelen. Op dezelfde manier prijzen we in Iran de dappere dissidenten en veroordelen degenen die het klerikale establishment verdedigen. En elders meestal ook.

De eerbiedwaardige term ?dissident’ wordt selectief gebruikt. Ze is vanzelfsprekend niet van toepassing, met alle gunstige connotaties, op waarden-georiënteerde intellectuelen in eigen land of op degenen die strijden tegen door de VS gesteunde dictaturen in het buitenland. Neem het interessante geval Nelson Mandela, die in 2008 van de officiële terroristenlijst werd gehaald, en nu naar de Verenigde Staten kan reizen zonder speciale toestemming. Twintig jaar eerder was hij de criminele leider van een van de ?meer beruchte terroristische groeperingen’ van de wereld, volgens een rapport van het Pentagon. Om die reden moest president Reagan het apartheidsregime steunen, meer handel drijven met Zuid-Afrika in weerwil van sancties die het Congres had opgelegd en Zuid-Afrika’s rooftochten in buurlanden steunen, die volgens een studie van de Verenigde Naties anderhalf miljoen doden kostten. Dat was slechts één episode in de oorlog tegen het terrorisme die Reagan uitriep om ?de pest van de moderne tijd’ te bestrijden, of, zoals minister van Buitenlandse Zaken George Shultz het noemde, ?een terugkeer naar barbarij in de moderne tijd’. We kunnen er nog honderdduizenden lijken in Midden-Amerika aan toevoegen en nog eens tienduizenden in het Midden-Oosten, als enkele van de wapenfeiten.

DE LATIJNS-AMERIKAANSE kwestie vertelt veel. De mensen die opriepen tot vrijheid en rechtvaardigheid in Latijns-Amerika worden niet toegelaten tot het pantheon van geëerde dissidenten. Zo werden, een week na de val van de Berlijnse Muur, zes vooraanstaande Latijns-Amerikaanse intellectuelen, allen jezuïtische priesters, door het hoofd geschoten op direct bevel van het hoogste commando van El Salvador. De daders hoorden bij een elitebataljon dat was bewapend en getraind door Washington en al een gruwelijk spoor van bloed en terreur had achtergelaten en net was teruggekeerd van hernieuwde training aan John F. Kennedy Special Warfare Center and School in Fort Bragg, North Carolina. De vermoorde priesters worden niet herdacht als geëerde dissidenten, evenmin als anderen als zij zo worden herinnerd op ons halfrond. Geëerde dissidenten zijn de mensen die riepen om vrijheid in vijandelijke gebieden in Oost-Europa, die zonder meer leden, maar niet in de verste verte als hun evenknieën in Latijns-Amerika.

Het onderscheid vertelt ons veel over de twee betekenissen van de uitdrukking ?verantwoordelijkheid van de intellectuelen’ en over onszelf. Er wordt niet echt aan getwijfeld, zoals John Coatsworth schrijft in het recent gepubliceerde History of the Cold War, dat van 1960 tot ?de sovjet-ineenstorting in 1990 de aantallen politieke gevangenen, slachtoffers van marteling en executies van geweldloze politiek andersdenkenden in Latijns-Amerika veel en veel groter waren dan die in de Sovjet-Unie en haar Oost-Europese satellieten’. Onder de geëxecuteerden waren veel religieuze martelaren, en er waren eveneens massaslachtingen, die telkens weer werden gesteund of geïnitieerd door Washington.

Waarom dan het onderscheid? Je kunt zeggen dat wat er gebeurde in Oost-Europa veel zwaarwegender is. Het zou interessant zijn om die redenering in detail te horen. En ook om de redenering te laten uitleggen waarom we elementaire morele principes zouden moeten negeren, waaronder dat als we serieus zijn over lijden en wreedheid, over rechtvaardigheid en rechten, dat we dan onze inspanningen zullen concentreren op waar we het meest goed kunnen doen – meestal daar waar we verantwoordelijkheid delen voor wat er wordt gedaan. We hebben er geen moeite mee om te eisen dat onze vijanden dergelijke principes volgen.

Weinigen van ons maken zich druk om wat Andrei Sacharov of Shirin Ebadi zegt over Amerikaanse of Israëlische misdaden; we bewonderen hen om wat ze zeggen over de misdaden van hun eigen land, en dat geldt nog veel meer voor degenen die leven in meer vrije en democratische samenlevingen, en dus veel meer en betere mogelijkheden hebben om effectief te handelen. Het is van enig belang dat in de meest gerespecteerde kringen de praktijk vrijwel het tegenovergestelde is van wat elementaire morele waarden voorschrijven.

Maar laten we ons beperken tot de kwestie van historische import.

De Amerikaanse oorlogen in Latijns-Amerika van 1960 tot 1990, afgezien van hun verschrikkingen, hebben historische betekenis op de lange termijn. Om maar één belangrijk aspect te nemen: het waren niet in het minst oorlogen tegen de Kerk, gevoerd om een verschrikkelijke dwaalleer te verpletteren die werd uitgeroepen in het Tweede Vaticaans Concilie van 1962, dat, onder de leiding van paus Johannes XXIII, ?de voorbode was van een nieuw tijdperk in de geschiedenis van de katholieke kerk’, in de woorden van de eminente theoloog Hans Küng, en de lessen van de evangeliën herstelde die in de vierde eeuw terzijde waren gelegd toen Keizer Constantinus het christendom instelde als de religie van het Romeinse Rijk, en ?een revolutie’ begon die ?de vervolgde kerk’ bekeerde tot een ?vervolgende kerk’. De dwaalleer van Vaticanum II werd opgepakt door Latijns-Amerikaanse bisschoppen die de ?voorkeur voor de armen’ overnamen. Priesters, nonnen en leken brachten vervolgens de radicaal pacifistische boodschap van de evangeliën naar de armen en hielpen hen zich te organiseren om hun barre lot te verbeteren in de gebieden waar Amerika de macht had.

In datzelfde jaar, 1962, nam president Kennedy enkele belangrijke besluiten. Een ervan was om de missie van de militairen van Latijns-Amerika te verschuiven van ?verdediging van het halfrond’ – een anachronisme uit de Tweede Wereldoorlog – naar ?binnenlandse veiligheid’, wat neerkwam op oorlog tegen de eigen bevolking, als die zich zou oprichten. Charles Maechling, die van 1961 tot 1966 de Amerikaanse contraspionage en de planning van de binnenlandse verdediging leidde, beschrijft de niet echt verrassende gevolgen van het besluit uit 1962 als een verschuiving van het tolereren ?van de roofzucht en wreedheid van de Latijns-Amerikaanse legers’ naar ?rechtstreekse medeplichtigheid’ aan hun misdaden naar Amerikaanse steun aan ?de methodes van Heinrich Himmlers verdelgingsbataljons’. Een belangrijk initiatief was een militaire coup in Brazilië, gepland in Washington en geïmplementeerd kort na de moord op Kennedy, waarna een moorddadig bewind werd ingesteld met een brute nationale veiligheid. De pest der repressie verspreidde zich vervolgens over het halfrond, zoals de coup van 1973 die de Pinochet-dictatuur aan de macht bracht, en later de kwaadaardigste van allemaal, de Argentijnse dictatuur, Reagans favoriet. De ommekeer voor Midden-Amerika – niet voor de eerste keer – kwam in de jaren tachtig onder de leiding van de ?warme en vriendelijke geest’ die nu wordt geloofd om zijn prestaties.

De moord op de jezuïtische intellectuelen toen de Berlijnse Muur viel was een definitieve klap voor het verslaan van de ketterij, en culmineerde in een decennium van verschrikkingen in El Salvador dat begon met de moordaanslag, door grotendeels dezelfde daders, op aartsbisschop Óscar Romero, de ?stem voor de stemlozen’. De overwinnaars in de oorlog tegen de Kerk erkennen hun verantwoordelijkheid met trots. De School of the Americas (later herdoopt), beroemd om haar opleiding van Latijns-Amerikaanse killers, noemt als een van haar ?sterke punten’ dat de bevrijdingstheologie die werd geïnitieerd met Vaticanum II werd ?verslagen met de assistentie van het Amerikaanse leger’.

EIGENLIJK WAREN de moorden van november 1989 bijna een definitieve klap. Er was meer nodig. Een andere noodlottige beslissing van Kennedy in 1962 was om een missie van Special Forces te sturen naar Columbia, onder leiding van generaal William Yarborough, die de Columbiaanse veiligheidstroepen het advies gaf om ?paramilitaire, sabotage- en/of terroristische activiteiten te ondernemen tegen bekende communistische voorvechters’, activiteiten die ?zouden moeten worden geruggesteund door de Verenigde Staten’. De betekenis van de frase ?communistische voorvechters’ werd uitgelegd door de gerespecteerde voorzitter van de Columbiaanse Permanente Commissie voor Mensenrechten, ex-minister van Buitenlandse Zaken Alfredo Vázquez Carrizosa, die schreef dat de regering-Kennedy ?grote moeite deed om onze gewone legers te transformeren tot contraspionage-brigades, en de nieuwe strategie accepteerde van de doodseskaders’, en invoerde ‘wat in Latijns-Amerika bekendstaat als de Doctrine van Nationale Veiligheid (…) [niet] verdediging tegen een externe vijand, maar een manier om het militaire establishment de meesters van het spel te maken (…) [met] het recht te strijden tegen de interne vijand, zoals wordt verkondigd in de Braziliaanse doctrine, de Argentijnse doctrine, de Uruguayaanse doctrine en de Columbiaanse doctrine: het is het recht om te vechten tegen maatschappelijk werkers en ze uit de weg te ruimen, net als vakbondsmensen, mannen en vrouwen die niet het establishment steunen en van wie wordt aangenomen dat het communistische extremisten zijn. En dat kan iedereen betekenen, inclusief mensenrechtenactivisten zoals ikzelf.’

IN EEN ONDERZOEK uit 1980 vond Lars Schoultz, de belangrijkste Amerikaanse academische specialist in mensenrechten in Latijns-Amerika, dat Amerikaanse hulp ?vaak disproportioneel is gevloeid naar Latijns-Amerikaanse regeringen die hun burgers martelen (…) naar de relatief monsterachtige schenders van fundamentele mensenrechten op dit halfrond’. Daaronder viel ook militaire hulp, die doorging onder het bewind van Carter. In de jaren tachtig was een van de meest beruchte schenders El Salvador, dat bijgevolg de grootste ontvanger van Amerikaanse militaire hulp werd, en pas werd vervangen door Columbia toen dat de leiding overnam als de ergste mensenrechtenschender op het halfrond.

De terreur en martelingen in Columbia werden aangevuld met chemische oorlogvoering (?ontsmetting’), onder het voorwendsel van de war on drugs, wat leidde tot een enorme vlucht naar stedelijke sloppenwijken en ellende voor de overlevenden. Het bureau van de minister van Justitie van Columbia schat nu dat er meer dan 140.000 mensen zijn vermoord door paramilitairen, die vaak optraden in nauwe samenwerking met het door Amerika gefinancierde leger.

Dit is de bondigste schets van gruwelijke misdaden waar Amerikanen voor een aanzienlijk deel voor aansprakelijk zijn, en die we makkelijk zouden kunnen verbeteren. Maar het is meer bevredigend om je te koesteren in lof voor je moedige protest tegen de misdaden van officiële vijanden, wat mooi is, maar niet de prioriteit van een waarden-georiënteerde intellectueel die de verantwoordelijkheden van dat standpunt serieus neemt.

DE SLACHTOFFERS binnen onze eigen domeinen, anders dan die in vijandige staten, worden niet alleen genegeerd en snel vergeten, maar ook nog op een cynische manier beledigd. Een treffende illustratie daarvan kwam een paar weken na de moord op de Latijns-Amerikaanse intellectuelen in El Salvador. Vaclav Havel kwam op bezoek in Washington en sprak een vergadering van het Congres toe. Voor een betoverd publiek zong Havel de lof van de ?verdedigers van de vrijheid’ in Washington die ?de verantwoordelijkheid begrepen’ die ?de machtigste natie van de wereld’ nu eenmaal heeft – dus ook, heel cruciaal, de verantwoordelijkheid voor de brute moord op Havels Salvadoriaanse geestverwanten kort daarvoor.

De liberale intellectuele klasse was in de ban van zijn presentatie. Havel herinnert ons eraan dat ?we leven in een romantisch tijdperk’, dweepte Anthony Lewis. Andere prominente liberale commentatoren genoten van Havels ?idealisme, zijn ironie, zijn menselijkheid’, terwijl hij ?een moeilijke doctrine predikte van individuele verantwoordelijkheid’ terwijl het Congres ?duidelijk enorm veel respect had’ voor zijn genialiteit en integriteit, en vroeg waarom Amerika geen intellectuelen heeft met zo’n diepgang, die ?moraliteit verheffen boven eigenbelang’ – en die ons dus zouden prijzen voor alle gemartelde en verminkte lijken die we overal hebben laten liggen in de landen die we in ellende hebben achtergelaten. We moeten niet denken aan wat de reactie zou zijn geweest als Pater Ellacuría, de meest vooraanstaande van de vermoorde jezuïtische intellectuelen, dergelijke woorden zou hebben gesproken nadat elitetroepen bewapend en opgeleid door de Sovjet-Unie Havel en een handvol van zijn handlangers hadden vermoord – iets wat onvoorstelbaar is.

ALS DE VERANTWOORDELIJKHEID van intellectuelen verwijst naar hun morele verantwoordelijkheid als fatsoenlijke mensen in een positie om hun privilege en status te gebruiken voor goede zaken als vrijheid, rechtvaardigheid, genade en vrede – en zich uit te spreken, niet simpelweg over de misdaden van onze vijanden, maar (en dat betekent veel meer) over de misdaden waar wij medeplichtig aan zijn en die we kunnen goedmaken of beëindigen als we dat willen – hoe moeten we dan denken over 9/11?

Begrijpelijk genoeg is de gedachte wijdverbreid dat 9/11 ?de wereld heeft veranderd’. De gebeurtenissen van die dag hadden absoluut enorme gevolgen, in binnen- en buitenland. Een ervan was dat president Bush Ronald Reagans oorlog tegen het terrorisme opnieuw uitriep – de eerste is vakkundig ?verdwenen’, om de uitdrukking te lenen van onze favoriete Latijns-Amerikaanse moordenaars en martelaars, waarschijnlijk omdat de consequenties niet goed passen bij de zelfbeelden die men prefereert. Een ander gevolg was het binnenvallen van Afghanistan, vervolgens Irak, en meer recent militaire interventies in verscheidene andere landen in de regio en regelmatige dreigingen van een aanval op Iran (?alle opties zijn open’, is de standaarduitdrukking). De kosten zijn, in alle opzichten, gigantisch geweest. Dat roept een nogal voor de hand liggende vraag op, die niet voor de eerste keer wordt gesteld: was er een alternatief?

Een aantal analisten heeft opgemerkt dat Bin Laden grote successen heeft geboekt in zijn oorlog tegen de Verenigde Staten. ?Hij zei herhaaldelijk dat de enige manier om de VS te verdrijven uit de moslimwereld en hun satrapen te verslaan was om Amerikanen een reeks kleine maar dure oorlogen in te trekken die hen uiteindelijk failliet zouden doen gaan’, schrijft de journalist Eric Margolis.

‘De Verenigde Staten, eerst onder George W. Bush en toen Barack Obama, renden recht Bin Ladens val in (…) Bizar overdreven militaire uitgaven en schuldverslaving zijn misschien de meest schadelijkste nalatenschap van de man die dacht dat hij de Verenigde Staten kon verslaan.’

Een rapport van het Costs of War-project van het Watson Institute for International Studies van Brown University schat dat de uiteindelijke rekening 3,2 tot vier biljoen dollar zal bedragen. Een behoorlijk indrukwekkende prestatie van Bin Laden.

Dat Washington van plan was om Bin Ladens val in te rennen was meteen al duidelijk. Michael Scheuer, de hoge CIA-analist verantwoordelijk voor het volgen van Bin Laden van 1996 tot 1999, schrijft: ?Bin Laden heeft Amerika heel precies verteld wat de redenen zijn dat hij oorlog tegen ons voert.’ De al-Qaeda-leider, vervolgt Scheuer, ?is er op uit het Amerikaanse en westerse beleid ten opzichte van de islamitische wereld drastisch te veranderen.’ En, zoals Scheuer, uitlegt, Bin Laden is er voor een groot deel in geslaagd: ?Amerikaanse troepen en Amerikaans beleid zijn de radicalisering van de islamitische wereld aan het vervolmaken, iets dat Osama bin Laden heeft geprobeerd met aanzienlijk maar onvolledig succes sinds begin jaren negentig. Als gevolg daarvan denk ik dat we kunnen concluderen dat de Verenigde Staten van Amerika nog steeds de enige onmisbare bondgenoot van Bin Laden zijn.’ En aantoonbaar ook nog steeds na zijn dood.

ER IS GENOEG REDEN om te geloven dat de jihadi-beweging zou kunnen zijn gespleten en ondermijnd na de aanslagen van 9/11, die scherp werden bekritiseerd binnen de beweging. Bovendien had de ?misdaad tegen de menselijkheid’, zoals het terecht werd genoemd, benaderd kunnen worden als een misdaad, met een internationale operatie om de waarschijnlijke verdachte op te pakken. Dat werd erkend in de directe nasleep van de aanslag, maar een dergelijk idee werd niet eens overwogen door beleidsmakers binnen de regering. Het lijkt erop dat er geen enkele aandacht was voor het voorlopige aanbod van de Taliban – hoe serieus dat aanbod was kunnen we niet weten – om de al-Qaeda-leiders voor het gerecht te brengen.

Op dat moment citeerde ik Robert Fisks conclusie dat de verschrikkelijke misdaad van 9/11 werd gepleegd met ?verdorvenheid en ontzaglijke wreedheid’ – een nauwkeurig oordeel. De misdaden hadden zelfs nog erger kunnen zijn geweest. Stel je voor dat Flight 93, neergehaald door moedige passagiers in Pennsylvania, het Witte Huis in was gevlogen, en de president had vermoord. Stel je voor dat de daders van de misdaad van plan waren een militaire dictatuur in te stellen, en dat ook deden, die duizenden mensen doodde en tienduizenden martelde. Stel je voor dat de nieuwe dictatuur, met de steun van de criminelen, een internationaal terreurcentrum instelde dat meehielp gelijksoortige marteling-en-terreur-staten elders in te stellen, en, als slagroom op de taart, een team van economen naar voren schoof – laten we ze de ?Kandahar Boys’ noemen – dat heel snel de economie naar een van de ergste depressies in haar geschiedenis voerde. Dat zou zonder meer een stuk erger zijn geweest dan 9/11.

Zoals we allemaal zouden moeten weten is dit geen gedachte-experiment. Het is werkelijk gebeurd. Ik verwijs, natuurlijk, naar wat in Latijns-Amerika vaak ?de eerste 9/11’ wordt genoemd: 11 september 1973, toen de Verenigde Staten slaagden in hun grootschalige pogingen om de democratische regering van Salvador Allende in Chili omver te werpen met een militaire coup die het afgrijselijke regime van generaal Pinochet aan de macht bracht. De dictatuur installeerde vervolgens de Chicago Boys – economen opgeleid aan de Universiteit van Chicago – om de economie van Chili te hervormen. Denk aan de economische verwoesting, de marteling en ontvoeringen en alle vermoorde mensen – en je zult zien hoe veel verwoestender de eerste 9/11 was.

Het doel van het omverwerpen was, in de woorden van de regering-Nixon, het doden van het ?virus’ dat misschien al die ?buitenlanders die ons erin willen luizen’ zou aanmoedigen – ons erin luizen door te proberen hun eigen rijkdommen in handen te nemen en meer in het algemeen om een beleid na te streven van onafhankelijke ontwikkeling langs lijnen die Washington niet aanstaan. Op de achtergrond was de conclusie van Nixons Raad voor Nationale Veiligheid dat als de VS niet in staat waren Latijns-Amerika te controleren ze niet konden verwachten ?elders in de wereld een succesvolle orde te bewerkstelligen’. De ?geloofwaardigheid’ van Washington zou worden ondermijnd, zoals Henry Kissinger het zei.

De eerste 9/11, anders dan de tweede, veranderde de wereld niet. Het was ?niets van erg grote betekenis’, zoals Kissinger een paar dagen later zijn baas verzekerde. En te oordelen naar hoe het wordt gezien in de traditionele geschiedenis kunnen zijn woorden nauwelijks worden betwijfeld, hoewel de overlevenden heel anders tegen de kwestie zouden kunnen aankijken.

Deze gebeurtenissen van weinig betekenis bleven niet beperkt tot de militaire coup die de Chileense democratie verwoestte en het horrorverhaal in gang zette dat daarop volgde. De eerste 9/11 was maar één akte in het drama dat begon in 1962 toen Kennedy de missie van de Latijns-Amerikaanse militairen verschoof naar ?binnenlandse veiligheid’. De schokkende nasleep heeft eveneens weinig betekenis, het bekende patroon wanneer de geschiedenis in handen van verantwoordelijke intellectuelen is.

HET LIJKT BIJNA een historisch principe dat conformistische intellectuelen, de mensen die officiële doelstellingen steunen en officiële misdaden negeren of goedpraten, worden geëerd en bevoorrecht in hun eigen samenlevingen, en dat de op waarden gerichte intellectuelen op een of andere manier worden gestraft. Het patroon gaat terug tot de allervroegste documenten. Het was de man die werd beschuldigd van het corrumperen van de jeugd van Athene die de gifbeker leegdronk, net zoals dreyfusards werden beschuldigd van het ?corrumperen van zielen, en, op den duur, de maatschappij als geheel’ en de waarden-georiënteerde intellectuelen van de jaren zestig van de twintigste eeuw werden beschuldigd van belemmering van ?scholing van de jongeren’.

In de Hebreeuwse geschriften komen figuren voor die naar hedendaagse maatstaven dissidente intellectuelen zijn, en ?profeten’ worden genoemd in de Engelse vertaling. Zij vertoornden op bittere wijze het establishment met hun kritische geopolitieke analyse, hun veroordeling van de misdaden van de machtigen, hun oproepen tot gerechtigheid en aandacht voor de armen en hulpbehoevenden. Koning Ahab, de kwaadste der koningen, hekelde de profeet Elia als een Israël-hater, de eerste ?zelfhatende jood’ of ?anti-Amerikaan’ in de moderne pendanten. De profeten werden grof behandeld, anders dan de vleiers in de rechtbank, die later werden afgedaan als valse profeten. Het patroon is begrijpelijk. Het zou raar zijn als het anders was.

Wat de verantwoordelijkheid van intellectuelen betreft is er volgens mij niet zo heel veel meer te zeggen dan een paar eenvoudige waarheden. Intellectuelen zijn over het algemeen bevoorrecht – vooral een opmerking over het gebruik van de term. Voorrecht geeft mogelijkheden, en mogelijkheden brengen verantwoordelijkheden met zich mee. Een individu heeft vervolgens keuzes.


Noam Chomsky’s nieuwste boek, Hopes and Prospects, is in vertaling verschenen bij EPO (vertaald door Dries Rombouts, 344 blz., € 22,50).

Vertaling Rob van Erkelens