Emily Kocken, Witte vlag

Dwarskop in de kunst

In het Berlijnse museum Hamburger Bahnhof liep ik een paar weken geleden door zalen met werk van Joseph Beuys. Basaltblokken, uitstalkasten, video-installaties, vilten pakken, honingpotten.

Emily Kocken, Witte vlag, Querido, € 22,50, e-book, € 15,99

Medium kocken.witte  vlag 1

Veel bezoekers waren er niet. Ik waande me in een graftombe van de kunst. Waar was Beuys zelf? Waar waren zijn brutale praatjes die nergens op sloegen en me toch imponeerden (‘Jeder Mensch ist ein Künstler’), ja, ze waren er wel, in vage video-installaties, in kasten met opschriften, in een theatrale en bijna religieus plechtige uitstalling van 24 met beuysiologie volgekalkte schoolborden. Zonder Beuys is Beuys Beuys niet meer, dat werd me in een klap duidelijk. Dan is zijn werk een herdenking. Een zerk en Beuys een al lang weggevlogen krijslachende meeuw in de schemering. Wat rest zijn z’n navolgers en die heten niet Beuys.

Onder meer over zo’n navolger schreef Emily Kocken een hoogst curieuze roman, haar debuut. Ze geeft een inkijkje in de zwartgallige, maar tegelijk uiterst provocerende, drammerige en als je het goed bekijkt o zo zelfbewuste denkwereld van Elizabeth Watson, echtgenote van conceptueel kunstenaar en Beuys-adept Henry Theodore Watson. Je kunt deze roman natuurlijk terugbrengen tot een verhaal over een jonge vrouw die zich door haar echtgenoot verwaarloosd voelt en het niet meer pikt, maar dan dreig je de stekeligheden van dit werk weg te masseren. Het draait ook om kunstopvattingen, om illusies daarover, over verlangen naar kunst en wat daarbij komt kijken. Deze merkwaardige Elizabeth (die eigenlijk Elzbieta heet), dwarskop, zenuwpees en superwaarnemer, verlangt ernaar dichter te mogen zijn, ze voelt zich daarbij gedwarsboomd door haar man. Ze heeft meer dan genoeg van diens gemakzuchtige praatjes over kunst, ze probeert die zelfs letterlijk uit te wissen, maar kunst zelf blijft toch hoog in haar vaandel staan. Ze heeft wel een hekel aan Beuys, maar niet aan Beuys, als ik nu nog te volgen ben. Dat laat deze roman uitstijgen boven een al te gemakzuchtige satire over kunst, kunstjargon en kunstpraktijken. Dat weten we nu wel, heeft Kocken ongetwijfeld gedacht, laat dat maar aan de grapjassen en de kunstrancuneuzen over. Ze geeft een bitter en soms geestig inkijkje in het dagelijks bestaan van mensen die kunst proberen te maken. De ruzies, de wanhoop, plus gedetailleerde beschrijvingen van kapotte kachels, verstopte keukenleidingen, verlangen naar aandacht, verzorging van de huisdieren en allerlei andere huishoudelijke besognes. En wanneer haar man haar zojuist gestorven hond wil laten opzetten voor een kunstproject wordt het Elizabeth allemaal te veel en gooit ze haar kont tegen de krib.

Ik begon steeds warmere gevoelens te koesteren voor dwarskop Elizabeth, die eigenlijk Elzbieta heet, die zich overgeeft aan vrolijke zelfdestructie, wildplassen, kunstenaartje en kunstpausje pesten en een steeds dwarsere blik ontwikkelt op kunst en wereld en huwelijk. Geen lieverdje maar wel een mooi figuur. Rare gek. En zo is het ook met dit boek. Raar boek, vol rariteiten, invallen, curieuze gebeurtenissen. En ook nog geschreven in een merkwaardige stijl die sterk afwijkt van wat ons gewoonlijk in de Nederlandse literatuur wordt voorgezet. De zinnen zijn net zo weerbarstig als het hoofdpersonage. Eerst dacht ik nog dat Kocken het niet eens besefte dat haar zinnen regelmatig op de rand van de afgrond verkeren. Ze knarsen, piepen en stribbelen tegen. Neem de eerste zin: ‘De stok die ik gooide naar de eerste hond die ik van mijn vader mocht trainen kwam niet terug.’ Wat een plompverloren rare zin, dat zou toch beter moeten dacht ik in mijn algemeen erkende frikkerigheid: twee keer ‘die’, dat moet maar niet. En dat ‘mocht’ is ook al raar. Echt fout is het niet, maar fraai ook niet. Maar verderop blijkt het in dit boek te barsten van dit type brekerige, brutale en stroperige zinnen.

Het begon er steeds meer op te lijken dat Kocken er eer in schept zich niks aan te trekken van wat in de Nederlandse letteren gebruikelijk is aan gladheid, stroomlijn en handige formulering. Niks handigheid: de rare zin als geuzennaam, weg met de zin-als-verkoop-argument. Mijn recensie-exemplaar staat vol met strepen, uitroeptekens en vraagtekens bij van die typische Kocken-zinnen. Ze doet het erom, begon ik te denken en moet het zo niet in literatuur? Dat een schrijver het erom doet? Dat het haar niks meer kan schelen hoe afwijkend zij schrijft, dat daarin nu juist de kunst zit? Ik ga hier nog een tijdje over nadenken, maar eerst weer zo’n typische Kocken-zin. ‘Vol is het gewicht van de emmer een ding dat tegenvalt, het dwingt tot klotsend door de kamer lopen.’ Is het fout of is het Kocken? Volgens mij het laatste. Nog een: ‘Op een hoog plantentafeltje met ranke pootjes stilleeft een witte roos in een kristallen vaasje.’ Gewoon mooi, of ten slotte deze: ‘Ik heb het Henry net verteld, dat van de ekster, gewoon om het even over iets anders te hebben dan over de hond en de dood, en de dood van de hond, en toen ging het natuurlijk toch over de dood en hij luisterde zowaar, zijn hoofd scheef, zijn handen in de zakken van zijn pantalon gestoken.’ Zo’n zin dus.