Hoog en laag II

Dwarslezen


Nog een keer ‘Het schandaal van de poëzie’, een essay dat J.H. de Roder zal opnemen in zijn bundel Het onbehagen in de literatuur, die komend najaar bij Vantilt verschijnt.


Poëzie met haar neiging tot betekenisloosheid, poëzie als ervaring van poëzie, poëzie waarover op wetenschappelijke gronden niet iets in termen van hoog en laag te zeggen is — het gedicht als egel, alleen in relatie tot zichzelf… Ik zei het al eerder: De Roder betoogt zeer avontuurlijk en prikkelend. Dat er ergens in zijn betoog iets lijkt te wringen, doet daaraan niets af. Enkele opmerkingen.


Wat is precies, of preciezer, betekenis? En wat betekenisloosheid? Ik zie dat Marjoleine de Vos in het nieuwste nummer van De Gids schrijft: ‘Ik zou willen zeggen: ze (poëzie) neigt naar betekenisvolheid. Maar ze leunt, dat moet toegegeven worden, ook zwaar op wat geen betekenis heeft.’ Enerzijds vermoed ik dat De Vos De Roder op een verkeerde manier leest — volgens mij spreekt De Roder over een neiging tot betekenisloosheid, juist zonder te ontkennen dat woorden en regels en strofen betekenis hebben, zonder te ontkennen dat een gedicht misschien betekenis heeft en zonder te ontkennen dat sommige dichters uit zijn op betekenis —, anderzijds vermoed ik dat de gebruikte termen duidelijker zouden kunnen zijn. En terwijl het mij er niet om gaat die neiging tot betekenisloosheid in twijfel te trekken: ik ben benieuwd wat er zou kunnen worden gezegd over de betekenis van een klank, van een voor mijn part ritmische opeenvolging van woorden, van de combinatie van die twee, van het aantal woorden en letters, van de combinatie van de betekenis van klank en ritme en betekenis… Ik bedoel: denotatie en connotatie en klank en plaats in de regel en stap in het ritme en soort van lettergrepen (en wat ik nu vergeet) lijken me niet zo eenvoudig van elkaar te scheiden.


Wanneer poëzie het onderwerp is. Of spelen bovengenoemde grootheden in proza een vergelijkbare rol als in poëzie? Opnieuw de vraag naar precisering van het ene en het andere en het onderscheid. En afgezien daarvan: kunnen we spreken over poëzie of dé poëzie, of moeten we belangrijke verschillen in hetgeen poëzie genoemd wordt opmerken?


Dan is er het gedicht als egel. Is een egel, opgerold en alleen in relatie tot zichzelf, met zichzelf aan het samenvallen? Is een egel, opgerold, alleen in relatie tot zichzelf? Ik heb het idee dat ik ook de vergelijking ‘het gedicht als varken’ graag zou lezen. Of ‘het gedicht als steentje’. Ik vraag me af of ik het beeld van het gedicht als egel wel net zo toepasselijk vind als De Roder, en ik vraag me ook af hoe hij het verband ziet tussen dat beeld en het vermoeden dat op wetenschappelijke gronden over poëzie niet iets in termen van hoog en laag te zeggen is.


Geen van mijn opmerkingen, hoe ook hun betekenis, mag verhullen dat de route van De Roder, naar de neiging van de poëzie tot betekenisloosheid, meesleept, verleidt… Een duister en subtiel woord in zijn betoog lijkt me het woord ‘neiging’.



J.H. de Roder, Het schandaal van de poëzie: Over taal, ritueel en biologie. Uitg. Vantilt / De Wintertuin