Hoog en Laag I

Dwarslezen

J.H. de Roder, Het schandaal van de poëzie: Over taal, ritueel en biologie. Uitg. Vantilt / De Wintertuin.


J.H. de Roder schreef in opdracht van literatuurfestival De Wintertuin een essay dat een eerste aanzet wil geven tot een biologie van de poëzie, dat de richting aangeeft waarin in evolutionair perspectief iets over poëzie gezegd zou kunnen worden. Dit in het kader van een groter opgezet onderzoek naar de samenhang van betekenisloosheid en lege patronen, ritueel en poëzie — zoals in het colofon te lezen valt.


Het schandaal van de poëzie is een bijzonder levendig en avontuurlijk en prikkelend essay (inmiddels, voorzover ik weet, uitverkocht), maakt nieuwsgierig naar het beloofde groter opgezette onderzoek en kan ongetwijfeld tot veel meer (en wellicht ook meer terechte) gedachten en vragen en opmerkingen leiden dan die ik weet te formuleren.


Wat lijkt De Roder in zijn essay aannemelijk te willen maken? Dat het ritueel de oorsprong is, of zou kunnen zijn, van én taal én poëzie. Dat poëzie als gevolg van haar rituele karakter een neiging tot betekenisloosheid heeft. Dat een onderscheid tussen hogere en lagere (vormen van) poëzie in elk geval niet op wetenschappelijke gronden te maken is…


Misschien is poëzie inderdaad primair de ervaring ervan. Enkele weken geleden droomde ik dat ik droomde dat ik wat mensen over de vloer kreeg voor de jaarlijkse sjoelwedstrijd, met twintig schijven. Ik had geen zin om mee te doen, ik liet het bezoek zijn gang gaan, legde de flesopener op tafel en pakte het essay. ‘Heb je ook ergens pen en papier?’ vroeg iemand. Ik knikte inhoudsloos. ‘Heb je alleen bier?’ vroeg een ander. Ik knikte opnieuw inhoudsloos en las woorden en opvattingen van Bronzwaer, Sötemann, Valéry, Derrida, Frye, Culler, Themerson, Krol, Chomsky, Staal en Pinker. En de stappen die De Roder zet.


Buiten, op de stoep, passeerde een carnavalsorkestje: zware trom met blaasinstrument. Even later kwamen de bekkens. Ik keek op, maar was te laat om te zien hoe de muzikanten liepen, met wat voor bewegingen en passen, in welk eventueel ritme. Een van de sjoelers vroeg: ‘Kennen jullie de tekst van Er staat een paard in de gang?’ Ik schudde mijn hoofd inhoudsloos en las verder over Jerry Fodor, Plechtige Soetras, Caland, opnieuw Staal, recursiviteit, de syntaxis van natuurlijke talen, Vedische mantra’s, Dunbar, groepsgrootte, het bidden van de rozenkrans en Komrij.


‘Hoe toepasselijk is daarmee het beeld van het gedicht als egel: dieren kennen immers alleen ritueel, geen taal. Zoals de zuivere rituele handeling, staat ook de opgerolde egel alleen in relatie tot zichzelf, valt hij met zichzelf samen.’ Ik haalde een flesje bier, keek even naar het sjoelen en las op de volgende pagina, na Paz en klankreeksen in rituelen van sjamanen: ‘Mijn stelling dat poëzie neigt tot betekenisloosheid kan dus nu worden begrepen met de constatering dat de zuivere handeling van het ritueel werkzaam is in de beleving van poëzie.’


Ik neem me voor om een volgende keer op dit essay van De Roder terug te komen. Hoog en laag in de poëzie, hoog en laag in de beschouwing van poëzie… Misschien is elk adjectief een woord dat wordt toegekend.