Dwarslezen

Willem Winters, ´De Wite Skelk fan Richtª. In: Hjir,
Frysk literêr tydskrift, jiergong 28, 76 blz., ƒ15,—.

Wat is kenmerkend voor Nederlandse literatuur? Vermoeiende jeugdherinneringen? Pogingen minderwaardigheidsgevoelens te overwinnen? Lofzangen op Het Glorieuze Verleden? Je moet er niet aan denken hierover een studie te maken. Essays over iets als ´de identiteit van de Nederlandse literatuurª zijn steevast op niks uitgelopen. Maar nu is er Willem Winters in Friesland, die speciaal voor het Friese tijdschrift Hjir een beschouwing schreef over de Friese literatuur. ´Sykje nei de typearjende aspekten fan de Fryske literatuerª, luidt de ondertitel van dit vrolijke hinkstapspringen door de Friese literatuur, waarbij Winters een bewonderenswaardig lichte toon weet aan te slaan.

Hij begint gelukkig niet met een plechtige inleiding over Het Eigene van een Volk; hij weet dat dit uitloopt op oeverloze beschouwingen . Dus neemt hij ons mee langs een hele rij vooral Friestalige essays. Hij kent de Friese literatuur op z’n duimpje, toont er onvermoede eigenaardigheden van en vraagt zich af of de eigen identiteit precies in die eigenaardigheden schuilt. Zo valt het hem op dat in veel Friese boeken vaak en lang wordt gezwegen. Men zit zwijgend tegenover elkaar, iemand zegt eens een woord, dan komt er koffie en zwijgt men verder. Veel Friese romans zijn gebaseerd op misverstanden die zo uit de wereld zouden zijn wanneer men even met elkaar zou praten, stelt hij. Geestig is de beschrijving van zijn eigen ervaringen met buurman Bertus, met wie hij in hoofdzaak een zwijgzame relatie onderhield. ´Bertus woe altiten wol helpenª, schrijft Winters, ´mar it probleem wie it freegjenª (het probleem was het hem te vragen).

Veel Friese romans bevatten dialogen waarin eigenlijk niks wordt gezegd, meent hij. Prachtig voorbeeld komt uit de roman Boerefolk uit 1948 van Meindert van der Galiën:

´Joun, dêr wie ’ik al.ª (Goedenavond, daar was ik al).

´Ja, dat sjoch ik. Nou kom der mar yn, soe’k sizze. Dû bist der dochs ienkear.ª (Ja dat zie ik. Nou, kom er maar in, zou ik zeggen. Je bent er nu eenmaal toch). En hij citeert ook Piter Boersma die in It libben sels (Het leven zelf) uit 1997 grappen maakt over dit nikszeggende gepraat. Een stel ligt na de paring in bed na te genieten:

´Hearlik, seit seª (Heerlijk, zegt ze).

´Ja, sis ikª (Ja, zeg ik).