De aanrollende zee

Dwarslezen

Beste Paul,

Het is je weer gelukt over de

magie van de tango te schrijven. Deze keer in de bijlage van de NRC. Hoe flik je hem dat? Wanneer ik ze bel dat ik over de tango wil schrijven, krijg ik nul op het rekest. Laat je nakijken, Kees, schrijven ze dan. Hoe gaat dat eigenlijk precies in z’n werk? Bellen ze jou of bel jij hun? Dit zijn de dingen die ik tot in alle details wil weten. Hebben ze een kaartenbak met het lemma ‘tango’ (precies achter ‘taarten bakken’) en sta jij daar dan in? Hoe gaan die dingen nu toch in z’n werk bij de bijlages? Als ze iets over de tango willen (gemiddeld twee keer per jaar) denken ze dan direct aan jou? Je boft wel dat je Andersson heet, jouw naam staat vooraan in de tangobak, mijn naam begint met een H, en dus komen ze nooit bij mij.

‘Drie dagen en nachten heb ik uitsluitend met hem gedanst.’ ‘Er gaat een siddering door de zaal.’ ‘Je hebt het gevoel dat je er helemaal bent voor elkaar.’ Het is verschrikkelijk gemakkelijk hierover een lacherig stukje te schrijven, vooral omdat in artikelen over de tango altijd dezelfde woorden staan. Passie. Hartstocht. Onschuld. Magie. Intimiteit. Zinnelijk. Erotiek. Ook weer in jouw stuk. Ik denk dat dit vanzelf gaat, ook als ik over de tango zou schrijven, zouden ze tevoorschijn komen, je kunt ze gewoonweg niet tegenhouden, precies omdat het nu eenmaal tangowoorden zijn die daarom zo goed gekozen zijn omdat ze op de tango betrekking hebben. Jij weet precies wat ik bedoel.

Waarom heb ik wel zin over de tangowoorden een lacherig stukje te schrijven en niet over boekrecensiewoorden? Die kunnen er ook wat van, de dames en heren van de boekrecensies. Dubbelzinnigheid. Verrassend. Ironisch. Spel. Transformatie. Geveinsd. Daar staan ze weer, de woorden van de boekrecensie, dit keer in een recensie van Hans Goedkoop over de nieuwe Grunberg. O, ik weet zeker dat ze net zo vanzelf gekomen zijn als de tangowoorden, ze kwamen als de aanrollende zee, dan sloegen de schuimkoppen alweer op het strand, de wind stak op, even trok de zee zich terug, maar daar kwamen ze weer, de golven, de woorden, de woordengolven. De boekrecensiewoordengolven. En ik las ze zonder ervan in de lach te schieten of er lacherige stukjes over te willen schrijven.

Ik kán er niet eens lacherige stukjes over schrijven, dit is waar het om gaat, omdat ik weet dat dit de juiste boekrecensiewoorden zijn, ze hebben de juiste geur, ze ademen het juiste boekverlangen, ze zijn tot op het bot geschikt, omdat ze precies voor boeken zijn geschapen. Ze zijn voor niets anders geschikt en ik ben er ook zeer geschikt voor. Wees ervan verzekerd dat ik er wel een lacherig stukje over zou wíllen schrijven, maar dat ik het niet kan. Daarom mijn verzoek. Zou je een stukje willen schrijven waarin je de boekrecensiewoorden tot op het bot belachelijk maakt? Want ik weet zeker dat jij hiervoor de geschikte man bent. Laat zien dat ze berusten op krankzinnige vooroordelen, laat zien dat hun metaforiek stamt uit de hoerenkast en de astrologie, laat zien dat ze nergens geschikt voor zijn.



Paul Andersson-Toussaint, De magische hand van de maestro, in: M, bijlage van NRC Handelsblad, 1 april 2000, p. 57-62.