Buizerds en ganzen

Dwarslezen

In het meest recente nummer van het tijdschrift voor wereldliteratuur Armada lees ik poëzie van Leopoldo Lugones en proza van Miek Zwamborn en Annie Cohen. Vervolgens, rondom Ludwig Wittgenstein: een interview met Ronald Giphart door Ed van Eeden en teksten van Hans Bertens, Ton Naaijkens, Koen Vermeiren, Joachim Leilich en Jan de Roder.


Ik ga naar de badkamer aan de achterkant, was mijn gezicht, poets mijn tanden en kijk uit het raam. Tuinen, een holle weg, bomen en een stuk of wat buizerds.


Terug op mijn stoeltje lees ik de ‘Zeventien regels voor recensenten’ van Javier Marías en de reacties daarop van Martin de Haan, Graa Boomsma, Aad Nuis, Arnold Heumakers, Ad Zuiderent, Stine Jensen en Ger Groot.


Ik ga naar het raam en kijk naar buiten. Een hof met treurwilg, een straat, een boerderij en een stuk of wat ganzen.


Tot slot lees ik wat Barber van de Pol schrijft over vertalen en vertaalkritiek, kijk ik wie van de medewerkers wie is en noteer ik dat in steden als Leeuwarden, Assen, Zwolle, Hengelo, Arnhem, Geleen, Tilburg, Middelburg, Zoetermeer, Delft en Hilversum en Alkmaar geen boekhandels zijn, die Armada verkopen.


Alles met belangstelling gelezen. Nu en dan zitten grinniken. Bij het interview met Ronald Giphart: ‘… Op die manier probeer ik met louter taal een Gesamtkunstwerk te maken. Bij die postmodernisering van mijn werk heeft Wittgenstein een grote rol gespeeld. Het is alleen jammer, hoewel onvermijdelijk, dat het postmodernisme in onze cultuur inmiddels zo getrivialiseerd is, dat je Mondriaan-dekbedden bij de Hema kunt kopen.’ Bij Ton Naaijkens: ‘… Dat is een prachtige zin natuurlijk, een die je er weer van doordringt hoe precies Wittgenstein wilde zijn en hoe hij met alle macht vermeed onzinnige uitspraken te doen. Dat laatste proberen we natuurlijk allemaal, maar hij is de enige die dat werkelijk beheerste.’ Bij Arnold Heumakers die geen enkele Nederlandse schrijver bij de naam noemt: ‘… De critici deugen weer eens niet. In Nederland staat er soms een vroom “de goeden niet te na gesproken” bij, meestal zonder dat wordt uitgelegd wie die “goeden” dan wel zijn en waarin ze zich onderscheiden van de overige — blijkbaar niet “goede” — critici.’ En wat verderop: ‘… Hoe vaak heb ik het niet — via derden — uit de mond van een schrijver gehoord…’ En verderop: ‘… waarom niemand zich persoonlijk aangesproken hoeft te voelen door klachten over “de toestand van de literaire kritiek”, die niet uitdrukkelijk vergezeld gaan van de mededeling welke individuele critici de klager op het oog heeft’.


Er zijn vele redenen om te grinniken, vele redenen om deze Armada te lezen en vele redenen om het lezen van deze Armada zeer de moeite waard te vinden. Behoren de gedichten van Lugones tot hetzelfde taalspel als de eraan voorafgaande inleiding? Is het fragment uit Oploper van Miek Zwamborn verwant aan de recensies die het wellicht zal krijgen? Is Wittgenstein een heilige? Is de buizerd familie van de gans? Afgesproken dan!



Armada, tijdschrift voor wereldliteratuur, jaargang 5 nummer 17. Uitg. Wereldbibliotheek.