Dwarslezen

J.H. de Roder, Het schandaal van de poëzie: Over taal, ritueel en biologie. Uitg. Vantilt / De Wintertuin

Ik knoop aan bij het slot van De Roders betoog in Het schandaal van de poëzie. Schrijft een dichter met een lage stem lage poëzie, schrijft een dichter met een hoge stem hoge poëzie? Kan de hoogte of laagte van een poëzie op een of andere manier wetenschappelijk worden bewezen? Vastgesteld? Het lijkt onwaarschijnlijk. Maar we zouden kunnen zeggen: ‘varken’ is zo’n prachtig woord, een woord van hoge kwaliteit, de dichter die vaak het woord 'varken’ gebruikt, moet een hogere dichter zijn dan de dichter die het woord 'varken’ niet of nauwelijks gebruikt. Kwestie van tellen. Vervolgens kunnen we (in een commissie) alle woorden onderbrengen in een ranglijst van woorden. Het laagste woord staat bovenaan, op 1, het hoogste woord onderaan, op plaats weet ik niet. De dichter die vaak en veel hoge woorden gebruikt, scoort vanzelf een hoog aantal punten. Ik vermoed dat het woord 'hand’ een tamelijk hoog woord is, dat 'droef’ nog iets hoger staat en dat 'appelsap’ zich in lage regionen bevindt. We zullen zien. Het moet allemaal vollediger. Woorden staan in zinnen en die zinnen moeten gerangschikt worden. 'Varken is droef’ scoort hoger dan 'varken drinkt appelsap’, 'wij vallen samen op de grond’ scoort waarschijnlijk lager dan 'wij vallen samen in de tijd’. Er moeten vele andere ranglijsten worden gemaakt, van sociaal besef, logisch ritme, mysterieuze herkenbaarheid, schuwe lengte, vaderlandse klankrijkdom, transparantie van de strofe, temperatuur van het binnenrijm, noem maar op. Er moeten manieren worden verzonnen om die ranglijsten met elkaar te combineren en scores met elkaar te verrekenen. Zo beschikken we op zeker ogenblik over een blauwdruk. Om te voorkomen dat dichters dezelfde poëzie gaan schrijven, poëzie met een hoog gehalte aan hoge poëzie, dienen de ranglijsten en rekenmethoden geheim te zijn en regelmatig maar op onregelmatige tijdstippen te worden veranderd. In een strikt gecontroleerde en herhaalbare situatie. Vernieuwing zal vernieuwing van waardering zijn… Quod erat iene miene mutte: Octavio Paz en Nel Benschop. Terug bij De Roder, terug bij poëzie en haar neiging tot betekenisloosheid, terug bij de constatering dat de zuivere handeling van het ritueel werkzaam is in de beleving van poëzie. Misschien heeft ook het toekennen van 'hoog’ en 'laag’ aan die of die poëzie te maken met ritueel. Als poëzie ervaring (beleving) van poëzie is, wat is dan het schrijven van poëzie? Een handeling die ervaring mogelijk kan maken? Het vetmesten van een varken? Het fabriceren van een toeter, een rammelaar? Het koesteren van een egel? Het componeren van een talig muziekje? Het meegaan met een neiging? Ik heb het al eerder gezegd: De Roder ontkent niet dat woorden betekenis hebben, ontkent niet dat deze of gene dichter met betekenis speelt of betekenis op het oog heeft. Ik ben benieuwd wat hij kan aantekenen bij de meer dan eens geuite gedachte dat een gedicht ergens over zou kunnen gaan.