Dwarslezen

Willem Winters, De Witte Skelk van Richt, in: Hjir, jaargang 28 nr. 6, 76 blz., ƒ15,-

Willem Winters laat zich in zijn beschouwing over de ‘eigen identiteit’ van de Friestalige literatuur niet al te snel gek maken. Oudere en ook nieuwere beschouwingen over het 'eigen karakter’ van de Friese bevolking en de Friese literatuur neemt hij stevig onder handen, zonder dat hij al te wegwerpend doet; hij wil niet betweterig zijn, zijn argumentatie blijft altijd licht en geestig waardoor ze aan kracht wint. Hij laat zien dat de Friese literatuur vroeger sterk verbonden was met de Friese Beweging en dat daar pas vanaf de jaren zestig langzamerhand een einde aan kwam. Hij laat ook zien dat in oudere Friese literatuur 'Hollanders’ meestal brutaal zijn, waanwijs en vooral 'frij’. Tegenwoordig is dat heel wat minder, vindt hij, al zijn 'Hollanders’ ook in moderne Friese literatuur nog altijd sterk overheersende types die alles beter weten en de stille, prettige en gevoelige Friezen erg graag overschreeuwen. Zo lezen ze dat graag in deze streken. Dit type contrast is overigens niet kenmerkend voor de Friese literatuur, meent Winters, je vindt het in allerlei literaturen terug. Ook de tegenstelling stad-platteland, die men in Friese romans ook nu nog graag cultiveert, lijkt Winters niet kenmerkend voor Friese literatuur. Die vind je in iedere literatuur. Rosenboom werkt er bijvoorbeeld in Publieke werken uitvoerig mee.

Maar wat is dan wel typerend? Winters beantwoordt deze vraag alleen door nieuwe vragen te stellen, door te strooien met voorbeelden uit de Friese letteren, door ons steeds op nieuwe ideeën te brengen, hij is niet van plan ooit met een of andere academische oplossing aan te komen zetten, soms denk je dat hij op een spoor is, maar even later slaat hij alweer een andere weg in. Zelf noemt hij dit de methode van de hinkstapsprong, en bij hem slaagt het omdat hij zo verbluffend lichtvoetig over deze zeker in Friesland zeer gevoelige zaken schrijft.

Zit die eigen identiteit in de manier waarop men in Friese boeken koffie drinkt? Winters onderzoekt het en maakt er grappen over. Zo verbaast de hoofdpersoon uit Bernard Sijtsma’s roman Migratie zich erover dat men in Amsterdam de hele dag koffie drinkt terwijl je dat in Friesland alleen ’s ochtends doet. Zit het ’m dan in de krankzinnige hoeveelheden woorden voor 'lopen’ die Winters in de Friese literatuur tegenkwam? Het valt hem voor het eerst op in Brolsma’s roman It Heechhôf, en eenmaal op dit spoor gaat hij direct op onderzoek uit en treft ook bij andere schrijvers rijen vaak schitterende woorden aan voor 'it rinnen’ (lopen). Het is heerlijk ze hier op te mogen sommen:

Kongelje, strampelje, stappe, skonkje, avensearje, klongelje, panderje, hastich slurkje, sutelje, sjaggelje, traapje, trêdzje, it lân yn reizgje, fottelje, in stadige kowegong, jeie, drafkje, gau-gau gean, stadich rinne, gongelje, sukkelje, klotse, kruse, betrêdzje, dangelje, fottelje, skonkje, gongeltje, teantsje, deltsjottelje, kuierje, traapje, delrinne, fuottelje, delklompje, waggelje, kroaskje, peazgje, sutelje, klabasterje, lânsknoffelje, sjouwe, drafkje, klompkje, dangelje, skeuvelje, bokselje, drave, dribbelje, fiterje, hinkje, hippelje, hippe, kreupelje, pangelje, peasgje, pesjantelje, poatsje, sjaggelje, skeanbilje, stoatskave, strampelje, stroffelje, strûze, streauwe, strijde, teansje, toffelje, trobbelje, triptraapje en wâdzje.