Dwaze pinguïns in buenos aires

Een film hoeft niet perfect te zijn om veel indruk te maken. Misschien helpt het zelfs wel als hij hier en daar een zwakke plek heeft. Een open plek in het pantser om als kijker binnen te kunnen dringen in onderliggende emoties.

De nieuwe film van Alejandro Agresti, Buenos Aires vice versa, heeft mij zeer geraakt, maar niet omdat de film als film nu zo goed is. De film is persoonlijk, urgent en met een nauwelijks ingehouden woede gemaakt. Hij is fragmentarisch en vertelt met horten en stoten de dagelijkse ervaringen van een aantal heel verschillende bewoners van Buenos Aires. Het Buenos Aires van nu, dat in de als een documentaire gedraaide speelfilm als couleur locale nadrukkelijk aanwezig is. Minder zichtbaar maar steeds voelbaar is het Buenos Aires van toen - het toen van de dictatuur en vooral van de verdwijningen. Verdwijningen die zo veel beschadigde mensen hebben achtergelaten in het Buenos Aires van nu.
Agresti zet het wapen van de humor in en ook dat van het absurdisme om zijn film niet te zwaar te maken en om het pamflet te vermijden. Toch zijn de momenten waarop de film niet leuk of gek wil zijn de sterkste. Zelfs het eenvoudige moment waarop de aangeslagen, sombere en vermoeide regisseur zichzelf filmt achter een van zijn hoofdrolspelers in een café. Alsof hij even de energie niet meer kon opbrengen om voor dit shot uit beeld te lopen en zich overgaf aan de loden last van het steeds maar drukkende toen.
Het meest actuele en sterke voorbeeld van een perfecte en daarmee ongenaakbare film (of beter: filmreeks) is Star Wars van George Lucas. Star Wars-films als The Empire Strikes Back en Return of the Jedi zijn momenteel twintig jaar oud en altijd beschikbaar gebleven op video, maar ze voeren nu toch weer de box-office-lijsten van Amerika aan. In plaats van het voltooien van de lang geleden aangekondigde reeks heeft Lucas zich de afgelopen jaren gestort op het aanpassen van zijn oude meesterwerken aan de normen van na de digitale revoluties op het terrein van geluid en special effects. Het lijkt mij een teken van deze tijd. De state of the art van de techniek bepaalt de verhandelbaarheid. Lucas poetste zijn films op voor de nieuwe megaplex-bioscopen zoals oudere muziekopnamen werden geremasterd voor een nieuw leven op de cd-markt. Een kil en perfect leven met letterlijk weinig nieuws.
Dan is de onvolmaaktheid van Agresti mij toch liever. Zijn film zit zo vol nieuws en leven en draait zo weinig om techniek dat hij geen enkele digitale touch-up job nodig heeft. Nu niet en waarschijnlijk over twintig jaar ook niet. Een sterke ruwe schets wordt er bij een keurige afwerking zelden beter op.
Hoe perfect of imperfect een film ook is, de wijze van vertonen kan een film maken of breken. Ik zag een film op een vroege vrijdagochtend in het City-theater, met achthonderd Amsterdamse rotkinderen aldaar op een pinguïnrots. De pinguïns waren nauwelijks geïmponeerd door die wat groot uitgevallen televisie, maar ze speelden het spel mee zoals de tribunes met geïnstrueerd en ijverig meelevend publiek die op de televisie te pas en te onpas te zien zijn. Ze klapten, joelden en zongen plichtmatig mee waarbij ze werden gesouffleerd door de videopinguïns die de band uit hun hoofd leken te hebben geleerd. Het gratis vertonen van films voor een legioen stadskinderen op een moment dat de verwarming toch nog niet aanstaat, stamt uit een tijd dat film magisch was en de bioscoop onbetaalbaar. Het vertonen van een uitgedraaide kinderfilm voor een generatie bijdehandjes die met de televisie in de wieg zijn opgegroeid, is ondankbaar werk geworden. Ook het schoolkind heeft recht op een sneak preview.
Bij het zien van Agresti’s nieuwe film met het brave publiek van mijn buurtbioscoop en eerder ook met de internationale filmpers in Cannes, miste ik de pinguïns. Ik zou die film wel in Buenos Aires willen zien in een zaal vol dwaze moeders.