Menno Hurenkamp

Dwepers

Is vooruitgang gevaarlijk of pijnlijk? Iets luidruchtigs als de stoomtrein moest wel slecht zijn voor de koeien, dacht men begin negentiende eeuw. De uitvinding van de telefoon moest er wel toe leiden dat niemand ooit meer zijn huis uitging, dacht men eind negentiende eeuw. Vorige week demonstreerde David Brooks, commentator in de International Herald Tribune, een mooi staaltje van deze nog altijd springlevende redeneertrant. Hij noemde een onderzoek waaruit bleek dat Amerikanen onder de dertig hun eigen telefoonnummer niet meer kennen! Ze slaan alles op in elektronische apparaten en onthouden niets meer zelf. We worden dus steeds dommer dankzij de techniek. Een razendsnel uitgevoerd eigen onderzoek leerde me dat de situatie nog véél erger is dan Brooks denkt: mensen onder de dertig kennen hun eigen telefoonnummer donders goed, want dat delen ze graag rond. Maar ze kennen de nummers van hun vrienden en kennissen niet meer. Ofwel, we worden niet alleen dommer, maar ook egoïstischer door de vooruitgang. Weg ermee dus.
Maar misschien is vooruitgang eigenlijk vooral pijnlijk. Een even helder en even Amerikaans voorbeeld daarvan geeft de socioloog Jeffrey Alexander. Tot kort na de Tweede Wereldoorlog namen joodse Amerikaanse acteurs meestal een Angelsaksische naam aan. Tony Schwartz werd Tony Curtis. Anders kon hij het schudden bij het grote publiek. Maar de joden wisten zich te emanciperen. Hun namen zijn sinds een paar decennia een stuk minder besmet. Vandaar dat de zwarte Caryn Elaine Johnson haar naam veranderde in het joods klinkende Whoopy Goldberg, toen ze het witte doek op wilde. Zoiets verdient geen schoonheidsprijs, het is pijnlijk dat haar oorspronkelijke komaf blijkbaar niet de mogelijkheid bood om die stap te zetten. Maar als joodse kenmerken nu wel acceptabel zijn voor het publiek, dan is er grote kans dat zwarte kenmerken dat ook ooit worden. Vooruitgang blijkt lastig, het gaat schoksgewijs en zelden harmonieus, maar we worden er wel beter van.

Nu een recente maatschappelijke vooruitgang hier. Met de ChristenUnie lijkt een gezelschap homohaters in de regering verzeild geraakt. Men is in die partij druk in de weer met nogal agressieve uitlatingen over homoseksualiteit en openbare functies. Als dat vooruitgang is, laat het dan inderdaad maar zitten. A. Rouvoet, aanvoerder van dit gereformeerde clubje en minister van Jeugd en Gezin namens ons allen, houdt zich zoveel mogelijk op de vlakte over de oprispingen van zijn achterban. Ongeveer zoals de eveneens gereformeerde Balkenende dat vorig jaar in Indonesië deed, toen hem naar het homohuwelijk gevraagd werd en de premier van alle Nederlanders zei dat hij tegen de wet had gestemd. Vroeger was dat beter, de katholiek Ruud Lubbers deed nooit moeilijk over homoseksualiteit. De vooruitgang lijkt kortom gevaarlijk. Leden van de Nederlandse regering worden blijkbaar minder verdraagzaam; je wordt er bijna conservatief van.

Of worden de christelijke zeloten, nu ze eenmaal aan het daglicht zijn blootgesteld, gedwongen om na te denken over hun dwaalwegen en hun woorden beter te wegen? De publieke opinie zal Rouvoet straffen als hij niet oppast. Tegen homo’s zijn is een besmet standpunt: radicale moslims zijn tegen homo’s. Bovendien moet Rouvoet zijn partij wel tot de orde roepen, anders slaat hij als minister een pleefiguur bij het uitdragen van de wet. Het is geen ‘mooie’ of subtiele vooruitgang met al dat onverdraagzame gekwaak, maar die bestaat ook niet. Ook arbeiders en vrouwen emancipeerden zich tegen de stroom in. Noodgedwongen haken ook de dwepers aan bij de fatsoensnormen.