Jeugdboeken

Dwerg kookt toversoep

Sieb Posthuma

Rintje

Uitg. Lemniscaat, 26 blz., € 12,50

Harriët van Reek

Bokje

Uitg. Querido, 32 blz., € 11,95

Er zijn kinderboeken die maar één doel voor ogen lijken te hebben: er moet van ze gehouden worden, het liefst door iedereen. Daartoe brengen ze in woord en beeld herkenbare figuren en vertederende situaties in stelling. Er bestaan ook boeken die geen boodschap hebben aan behagen. Ze zijn alleen maar hun eigenzinnige zelf, het resultaat van de autonome scheppingsdrang van hun maker. Rintje van Sieb Posthuma hoort in de eerste categorie. Rintje is een hond die met opgewekte wapperoren door het leven holt. Op een dag verschrompelt hij echter tot een depressief rondsjokkend viervoetertje, omdat niets meer ruikt zoals het hoort. Verse broodjes, nieuwe leren schoenen en zelfs een dampende drol: ten gevolge van een verkoudheid is het allemaal reukloos en dus betekenisloos geworden.

Met een inlevingsvermogen waaruit kennis van hondse zaken spreekt, schetst Posthuma een door botten en worsten opgesierde wereld. Zijn prenten zijn weinig spectaculair en het kleurenpalet is een beetje slapjes, maar ze hebben wel humor en de lijnvoering is trefzeker, vooral bij het tot leven brengen van de aandoenlijke kleine protagonist. Grappig is de mix van de keurig aangeklede volwassen honden (moeder, bakker, dokter) naast de slechts in zijn eigen vel optredende (kinder)hond. Die uiterlijke verdeling doet denken aan de verhalen over Kleine Beer van Sendak en Minarik en maakt van Rintje een ouderwets soort prentenboek, dat waarschijnlijk door lezers van vele leeftijden in het hart gesloten zal worden.

Hoe anders is het met Bokje van Harriët van Reek gesteld. Het gaat hier niet zoals de titel doet vermoeden om een mannetjesgeit, maar om een meisje. Buiten op het uitzonderlijk mooi gemaakte boekje staat haar naam in kloeke hoofdletters, alle vijf gesierd met wapperende bosjes haar en klontjes rode bessen. Bokje zelf kijkt ons brutaal aan met haar veel te grote ogen. Ze draagt rode snowboots en een groen jurkje en op haar enorme hoofd heeft ze een asymmetrische haarlok en oren als goudglanzende schotel antennes. Ergens ontwaren we nog een minuscuul wezentje. Het blijkt Bokjes tegenspeelster en vriendin, genaamd Li.

In 32 pagina’s, veertien miniteksten en een stroom wonderlijke tekeningetjes worden we Bokjes wereld binnengeleid. De eerste regel zet direct de toon van ongewoonheid: «Er was eens een meisje dat er niet was, maar dat nog komen moest.» Bokje en Li huizen in een moederlijk geschapen holle wilgenboom. De boom buigt haar kruin naar binnen om nuttige dingen te vertellen over het bestaan. Die gaan voornamelijk over zon, wind en regen, niet onbelangrijk voor twee wezens die veel in de vrije natuur rondscharrelen. Ze ontmoeten er een vliegende koe, een agressief kereltje dat met zijn knotsje om zich heen zwaait en een dwerg die toversoep kookt. Ze vinden een blauw huisje met een blauwe geit en een blauwe banaan, een bos vol pannenkoeken aan de bomen en een pissebed, dat dienst doet als paard. Even is de verbeeldingskracht zelfs zo sterk dat Li echt een biggetje wordt, wel drie minuten lang.

Van Reek schept een onaantastbare kinderwereld, met een eigen logica: «Op deze dag, waarop alles was zoals het was.» Mens en dier zijn er gelijkwaardig en groot of klein telt niet. Bokje en Li zijn er de baas over wat ze maar kunnen bedenken en als lezer heb je er waarschijnlijk alleen toegang als je je over veel verwondert, maar over weinig verbaast. Zo zit er opeens een grote vogel op Bokjes schouder: «'Hallo, ik ben je opa.’ ‘Wilt u een sigaar hebben?’ vroeg Li. Want ze had toevallig een sigaar gevonden tussen de eikels. 'Ja kind, lief van je’, zei opa. Toen deed opa de sigaar in zijn snavel en stak hem aan met een lucifer. Hij kuchte en vloog rokend weg.» Einde verhaal…

Naast de absurdistische, in precieze zinnetjes genoteerde tekst is er een minstens zo grote rol weggelegd voor de tot in de kleinste details uitgewerkte illustraties. Het zijn vooral ook deze maffe priegeltekeningen die de sfeer van een eigen en besloten wereld bepalen. Wie geduld en goede ogen heeft, kan zich bijvoorbeeld verliezen in het bos, dat toekijkt bij de brij kokende dwerg. Vier boompjes buigen hun knoestige lijven en steken hun nieuwsgierige knobbelneuzen naar voren. Onder één boom staat een keurig opgemaakt bedje van een centimeter groot - met leeslamp van drie millimeter -, onder een andere herkent de goede waarnemer een wc met doortrek en closetrol van naar schatting anderhalve vierkante millimeter. Bokje roept herinneringen op aan Van Reeks opzienbarende debuut De avonturen van Lena lena (1986), terwijl verschillende taferelen onmiskenbaar familie zijn van het beeldend theater, dat Van Reek al jaren samen met Geerten ten Bosch maakt. Ook dat is bizar en moeilijk plaatsbaar, maar voor wie zich eraan kan overgeven onvergetelijk en goed voor een langdurig opgewekt humeur.