Dwingende muziek

Poëzie is een vluchtig verschijnsel. De dichter schrijft wat hij moet schrijven, gedreven door zielenroerselen die voor een deel universeel zijn, maar voor een belangrijk ander deel worden bepaald door zijn tijd en zijn plek onder de zon. Literaire conventies en idiomen veranderen in hoog tempo. Al met al is het een wonder als poëzie langer dan twee generaties meegaat. In het huidige tijdsgewricht zijn in het Nederlandse taalgebied misschien honderd serieus te nemen dichters actief. Wie van hen is de toekomstige J.C. Bloem, Martinus Nijhoff of Lucebert? Gelukkig weten we het niet.
Karel van de Woestijne (1878-1929) behoorde in zijn tijd tot de absolute top. In een periode van dertig jaar produceerde hij een ontzagwekkend oeuvre van lyrische en epische gedichten, romans, verhalen en columns (voor de NRC), dat in de naoorlogse Nederlanden door vrijwel niemand meer gelezen werd. Van de Woestijnes complexe zinsbouw, zijn decadente klankspel en metafysische thematiek leken onverdraaglijk te zijn geworden voor een jong en modern publiek. Om van deze taal te kunnen genieten moet je bereid zijn traag en zorgvuldig te lezen, te herlezen en na te denken, maar je moet je ook kunnen overgeven aan de dwingende muziek ervan, die bijna te pompeus is voor onze oren. Toch is Van de Woestijne onmiskenbaar aan een comeback begonnen. Er verschijnen studies over zijn werk, Peter Theunynck is bezig met een biografie en nu zijn er ook de twee delen verzamelde poëzie, fraai uitgegeven in de Deltareeks, met annotaties, noodzakelijke woordverklaringen en een uitvoerig nawoord van Anne Marie Musschoot. Het blijkt een belevenis te zijn dit fascinerende monument in te duiken.

In de eerste bundel, Het vader-huis (1903), lijkt de dichter al levensmoe te zijn: ‘Hoe zal ’k uw leden streelen, ik die treurig ben/ en, vreezend, in mijn leven slechts de liefde ken/ voor mijn vreemd eigen-beeld, weêrkaatst in moe dood water’. Zonder ooit een geliefde te hebben gehad, koesterde hij al weerzin tegen alles wat met erotiek te maken had, niettegenstaande het feit dat zijn poëzie de zinnelijkste is die men zich kan voorstellen. Op iedere bladzijde voel je de spanning tussen zinderende seksualiteit en afkeer van het lichaam, tussen fysieke presentie en intellectualistische abstractie: ‘o Bralle broeiïng van het schroeiïg-heete haar/ dat ge als de kromme vlam van eene toortse torschte’;/ uitdagend dreigement der driest-gedragen borsten;/ o buik die glooit en glanst gelijk een beukelaar’. Bedwelmende poëzie.

Karel van de Woestijne
Verzameld dichtwerk, 2 delen
Bezorgd door A.M. Musschoot e.a.,
Delta, Lannoo, 768 en 532 blz., € 49,95