Dynamische stilte

Wat verbindt de muziek van John Cage met de schilderijen van Pierre Alechinsky? Hun beider belangstelling voor Zen. Veel kunstenaars waren in de jaren vijftig in de ban van Zen. Maar dat wil nog niet zeggen dat ze ook begrepen wat de Zen-gedachte inhield.
De tentoonstelling Zen in the Fifties in het Cobramuseum te Amstelveen is nog te zien tot en met 27 oktober
‘WAT IS ZEN? En wat is de Boeddha?’ vroeg de jonge monnik Yunyou aan wie het maar weten kon. Maar de antwoorden die hij kreeg, waren steeds even onbegrijpelijk: ‘Drie pond vlas’, of ‘Zuidelijke bamboe en noordelijke bomen’.

Op een dag kwam Yunyou de monnik Dongshan tegen en hij vroeg hem wat deze uitspraken toch moesten betekenen. ‘Als je een steen naar een hond werpt, zal de hond achter de steen aangaan, maar als een leeuw door een steen getroffen wordt, jaagt hij degene na die de steen geworpen heeft’, zei Dongshan. 'Als je de taal van Zen onderzoekt, wees dan als de leeuw en niet als de hond. De taal is slechts gereedschap, de waarheid zit niet de woorden zelf.’
In het Cobramuseum te Amstelveen is deze maanden de tentoonstelling Zen in the Fifties te zien, over 'wisselwerkingen in de beeldende kunst tussen Oost en West’. De oosterse levensvisie oefende een sterke aantrekkingskracht uit op veel westerse kunstenaars, vooral in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Of ze zich daarbij opstelden als de hond of als de leeuw, is de vraag. In ieder geval leverde het bijzondere kunstwerken op.
Kunsthistorica Helen Westgeest stelde de tentoonstelling samen. Zij schreef een proefschrift over Zen in de kunst van de jaren vijftig, waarmee ze op 11 september promoveerde. Westgeest: 'Wat Zen precies inhoudt, is niet in woorden uit te drukken. Maar de Zenkunst kent wel bepaalde karakteristieken, die duidelijk herkenbaar zijn.’ Helen Westgeest zocht en vond deze karakteristieken in werken van uiteenlopende westerse kunstenaars als Mark Tobey, John Cage, Jean Degottex, Pierre Alechinsky en Yves Klein.
Westgeest: 'Wat Zenkunsten als inktschilderingen, Sumi-e, en kalligrafie, Sho, met elkaar verbindt, is de eenvoud in materiaalkeuze en manier van werken, van waaruit toch een heel sterk, dynamisch beeld ontstaat.’
Op de tentoonstelling zijn enkele voorbeelden te zien van deze eeuwenoude Japanse kunst. De oudste tekening dateert uit - vermoedelijk - de zestiende eeuw en toont een jongetje dat achterstevoren op een os zit. Westgeest: 'Als je de tekening zo bekijkt, is het een heel leeg, stil veld waarin dan plotseling die os opduikt, die eigenlijk heel dynamisch is. Ik noem dat dynamische stilte en die is typerend voor de traditionele Japanse schilderkunst.’
Met enkele penseelstreken een levendig beeld neerzetten, daarin blonken de Zenkunstenaars uit. De karikatuur van Bodidharma (volgens de overlevering de eerste Zenpatriarch) uit de negentiende eeuw toont dat ook en ziet er in zijn eenvoud verbijsterend modern uit, bijna oneerbiedig. 'Deze tekeningen werden gemaakt op rollen’, vertelt Westgeest. 'Stel je nu voor dat je deze afbeelding van boven naar beneden uitrolt, dan krijg je een idee van het samengaan van leegte en dynamiek. Eerst zie je een hele tijd niets, maar wanneer dan uiteindelijk Bodidharma verschijnt, blijkt dat “niets” in werkelijkheid de lucht op de achtergrond geweest te zijn, die met hele fijne streekjes hier en daar is aangegeven.’
'Leegte’ en 'niets’ zijn belangrijke begrippen in de filosofie van Zen. De geest moet zich helemaal leeg maken, wil er ruimte komen voor het ware begrip van de universele Boeddha-natuur. Aangezien Zen non-dualistisch is - alles is terug te brengen tot dezelfde natuur, dus alles is in wezen één - is 'niets’ niet de afwezigheid van 'iets’, maar zijn zowel 'niets’ als 'iets’ tegelijk aanwezig, net als 'leeg’ en 'vol’. In de kunst betekent dit dat er geen normatief verschil is tussen achtergrond en voorgrond; beiden zijn even aanwezig en vormen samen het totale beeld.
IN HAAR proefschrift maakt Helen Westgeest duidelijk dat Zen in het Westen om verschillende redenen warm werd onthaald. De Amerikaanse componist en performance-kunstenaar John Cage was vooral geïnteresseerd in de onopzettelijke manier waarop een Zenkunstwerk tot stand kwam. In de Zenkunst cijferde de kunstenaar zichzelf op het wezenlijke moment van de creatie volledig weg, om in een staat van geconcentreerd 'niet-zijn’ zijn werk te volbrengen. Cage voelde zich verwant met deze compleet niet-subjectieve manier van kunst bedrijven. Op dezelfde onopzettelijke manier integreerde hij toevallig aanwezige geluiden van buiten in zijn composities, en liet hij in zijn performances het toeval en 'gelijktijdigheid’ een grote rol spelen.
De Duitse kunstenaars die zich verenigden in de groep Zen 49 werden gefascineerd door het idee van 'leegte’ en 'niets’ als het symbool voor het beginpunt voor een nieuwe tijd. De Franse kunstenaars Klein en Degottex vonden in Zen een universele en meditatieve kracht, die zij in hun werk wilden weergeven. Westgeest: 'Juist omdat Zen zo cryptisch en vaag is, konden de kunstenaars het interpreteren zoals het ze het best uitkwam. Ik ontdekte al snel dat mijn onderzoek in feite bijna niets zegt over wat Zen is, maar des te meer over de kunstenaars zelf.’
Westgeest wilde met haar onderzoek en de tentoonstelling niet aantonen 'dat Zen ontzettend belangrijk was en de kunstgeschiedenis op zijn kop heeft gezet’, maar wel dat het frappant is hoe de westerse kunstwerken die zij heeft bestudeerd, in bepaalde formele aspecten overeenkomen met de Zenkunst.
Westgeest: 'Van een directe beïnvloeding wil ik niet spreken, want daarvoor moet je harde bewijzen hebben en die zijn in de kunst moeilijk te vinden. Bovendien is “invloed” een typisch westers concept waarin sprake is van een lineair, causaal verband tussen het ene kunstwerk en het andere. Het kan heel goed zo zijn dat door een toevallige samenloop van omstandigheden de tijd in het Westen rijp was voor een Zen-achtige kunst, zonder dat direct sprake is van een rechtlijnige invloed. Trouwens, “Oost beïnvloedt West” is sowieso een te simplistische weergave van hoe het in elkaar steekt. De Japanse kunst was namelijk ook al eerder beïnvloed door de westerse, die op haar beurt al in vroeger eeuwen met de oosterse in contact was gekomen. Dus het zijn allebei eigenlijk mengvormen.’
BEHALVE WESTERSE kunstenaars bestudeerde Helen Westgeest ook een groep Japanse kunstenaars uit de jaren vijftig. Hoewel deze kunstenaars zich vooral op het Westen richtten en wilden aansluiten bij de moderne westerse kunstrichtingen, is de invloed van Zenkunst ook in hun werk aantoonbaar aanwezig.
Westgeest: 'Het lijkt erop dat de eeuwenoude Zencultuur hen in het bloed zit, ook al wilden ze er zelf niet zoveel van weten. Belangrijke kenmerken van Zenkunst als leegte en dynamiek, ongedefinieerde ruimte en kunst als een directe uiting van het hier en nu, zijn bij de moderne Japanse kunstenaars terug te vinden. En op de één of andere manier lijkt hun werk zelfs dichter bij Zen te staan dan de werken van hun westerse collega’s, die zich zo met Zen bezighielden.’
Op het eerste gezicht lijkt het werk van Kazuo Shiraga, dat Westgeest voor de tentoonstelling heeft geselecteerd, behoorlijk westers. Het doek, vol naar alle kanten uitgesmeerde blauwpaarse verf, zou niet misstaan in een collectie van Amerikaanse, abstract-expressionistische werken. Maar Westgeest denkt daar anders over. 'Dit schilderij beweegt, het vibreert. Shiraga heeft dit met zijn voeten geschilderd, als je goed kijkt zie je nog de afdrukken van zijn tenen. Het doet mij denken aan de harksporen in een Zentuin, die ook een soort verstilde beweging laten zien. Shiraga gebruikte zijn tenen als harkjes.’
Er is nog een verschil met het abstract-expressionisme: 'De Amerikanen wilden zich uitdrukken met behulp van hun materiaal. Shiraga laat de verf voor zich spreken, het materiaal is de expressie. Het ging hem erom één te worden met zijn materiaal.’ Terwijl de westerse kunst erop gericht was uitdrukkingsvormen te vinden voor het ego, werd in de Japanse kunst het ego onderdrukt. Een identificatie met de universele, creatieve geest van de natuur was het doel, en daartoe dienden egocentrische motieven uitgeschakeld te worden. Deze Zen-gedachte staat haaks op de westerse opvattingen over kunst als zelfexpressie.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat Westgeest ontdekte dat de affiniteit met Zen bij de westerse kunstenaars leidde tot een overname van formele aspecten uit de Zenkunst, waarbij het fundament toch westers bleef. 'Je ziet dat goed bij de kunstenaars die, zoals ik dat genoemd heb, kunst van het kalligrafische gebaar maakten, zoals Jean Degottex en Karl Otto Götz. Zij benaderen heel dicht de Japanse kalligrafie, vooral Degottex, wiens schilderijen duidelijk zichtbare overeenkomsten vertonen met het werk van een beroemde Japanse kalligraaf uit het begin van deze eeuw, Nantembo, dat hier ook te zien is. Maar als je goed kijkt, zie je een fundamenteel verschil. De Japanners maken de kalligrafische bewegingen echt in één keer, waarna er niets meer aan veranderd wordt. Het is net als schrijven: je gaat van de ene kant naar de andere kant, maar je keert nooit terug naar waar je geweest bent. De werken van Degottex en Götz zijn echter, typisch westers, gelaagd: eerst is er een ondergrond aangebracht, zoals bij Degottex, waar overheen geschilderd is. Of de beweging wordt naderhand “afgemaakt” door er nog een keer met een wisser overheen te gaan, zoals bij Götz. Zo zie je dat, terwijl de kunstenaars de eenvoud van de Japanse kalligrafie nastreefden, het resultaat altijd net iets ingewikkelder is.’
VOLGENS Westgeest speelden niet alleen het Zenboeddhisme, maar ook invloeden als het surrealisme, het existentialisme van Sartre en de psychoanalyse van Freud en Jung een rol in de kunstopvatting van de westerse kunstenaars die zij bestudeerde. Uit dit complexe geheel van invloeden viel niet op te maken in hoeverre Zen doorslaggevend was voor de uiteindelijke vorm van de kunstwerken.
Wat de tentoonstelling echter heel duidelijk laat zien, is dat in ieder werk bepaalde kenmerken van Zenkunst te herkennen zijn. Via doorkijkjes is te zien hoezeer de kunst van Degottex zijn oorsprong vindt in de Japanse kalligrafie en hoe de Duitse kunstenaars van Zen 49, zoals Fritz Winter, zich in hun kleurgebruik en materiaalkeuze lieten inspireren door Japanse inktschilderkunst. De Hommage aan Shiryu Morita van Karl Otto Götz hangt naast een werk van deze beroemde Japanse kalligraaf zelf, waardoor niet alleen de overeenkomst maar ook het verschil tussen het Japanse voorbeeld en de westerse adaptatie van kalligrafie zichtbaar wordt.
In het midden van dit alles bevindt zich de Zentuin van Shinkichi Tajiri, een vast onderdeel van het Cobramuseum, dat met deze expositie een geheel nieuwe rol toebedeeld kreeg. De Zentuin is in deze opstelling een rustgevend middelpunt, waaromheen zich de verschillende lijnen van beïnvloeding ontspinnen.
UITERAARD WORDT de vraag 'Wat is Zen’ in de tentoonstelling niet beantwoord. Wel wordt enigszins duidelijk hoe moeilijk het voor een westerse geest moet zijn de essentie van Zen te pakken te krijgen. De Zen-literatuur mag heel toegankelijk lijken met zijn weliswaar bizarre, maar vermakelijke anekdoten en irrationele raadsels; de manier van denken die erachter zit, staat haaks op het westerse denkkader, gebaseerd op logica. De westerse kunstenaars die Zen probeerden te integreren in hun werk waren daarom misschien wel gedoemd te blijven steken in uiterlijkheden, in een oppervlakkige kennis van Zen.
Net als de fanatieke monnik Tesshu die, zo vertelt een Zen-anekdote, na jarenlange studie van Zen dacht zo langzamerhand de boodschap ervan wel te doorgronden. 'De ware aard van de natuur is leegte. De geest, de Boeddha, en alle wezens zijn leeg…’ verkondigde hij trots aan een collega, de monnik Dokuan. Meteen daarna sloeg Dokuan hem met een stok op zijn kop. Toen Tesshu luidkeels protesteerde, vroeg Dokuan: 'Als alles leeg is, waar komt jouw slechte humeur dan vandaan?’