Eén keer de jaren tachtig was genoeg

HET IS SOMS even slikken met de huidige seventies-revival. Het campgehalte is bijna te erg, alsof het allemaal maar één grote grap was. Over de Spreiding van Macht, Kennis en Kapitaal en Joop den Uyls Grote Werkgelegenheidsplan hoor je niemand meer. Ik bedoel, ik heb persoonlijk ook de beste dagen van mijn jeugd thuis voor de buis doorgebracht bij Avro’s Toppop met Ad Visser en het Showballet onder leiding van Penny de Jager. Maar om die twee twintig jaar na dato nu weer verenigd te zien? Je krijgt er het sinistere gevoel van door de tijd te worden ingehaald. Liever had ik gehad dat Ad naar Nieuw-Guinea was afgereisd voor een workshop in het bespelen van de door hem zo innig geliefde papoea-hoorn en nimmer was teruggekeerd - uitgegroeid tot een soort Jim Morrison van de New Age, met duizend Penny de Jagers huilend aan zijn lege graf.

Ook heerst hier en daar een al te roze bril. Payola, het nieuwe blad voor de literaire popfan, brengt in het zomernummer een special over de ‘zilveren jaren zeventig’. Daarin beweert Joost Zwagerman dat Lou Reeds 'Perfect Day’, van het legendarische album Transformer, 'een meezinger en een echt feel good-liedje’ is, 'een volstrekte onreediaanse Lebensbejahung die niettemin aanstekelijk werkt’. Als je zoiets leest, geloof je je ogen toch niet? Wat krijgen we straks? Der Ring des Nibelungen 'een luchtige operette’? Apocalypse Now een 'aanstekelijke musical over het strandleven’? 'Perfect Day’ is in ieder geval in de originele uitvoering toch een lied waar de suïcidale walmen vanaf slaan, een met tientallen liters cynisme overgoten en van een paar duizend dubbele bodems voorziene ode aan een dagje uit, de zwanezang van een totaal vervreemde New-Yorkse junk. En daar maakt Joost Zwagerman dan een gezellige carnavalskraker van? Zo wordt in ieder geval wel duidelijk dat het gevoel voor ironie er in de jaren negentig niet al te florissant bijstaat.
MAAR JA, JE KUNT niet alles hebben. Op zich is het al heel wat dat er eindelijk weer eens op een positieve manier over de jaren zeventig wordt gesproken. Typische seventies-films als Boogie Nights en Quentin Tarantino’s Jackie Brown maken in ieder geval duidelijk dat er in de seventies heel wat af te lachen viel. En dat zou je bijna vergeten als je types als Frits Bolkestein en Gerry van der List voor de zoveelste keer hebt horen oreren over de Maatschappelijke Apocalyps die zich in de jaren zeventig in de Nederlanden zou hebben voltrokken. Te lang hebben we de verhalen moeten aanhoren over de jaren zeventig als 'de matte jaren’, 'de verspilde jaren’, het duurbetaalde doetje onder de decennia, het tijdperk van de potverteerders en hun blasfemische beschimpingen van de Grote Christen-Democratische Rentegod. Met langdurig succes hebben de reactionaire krachten in dit land een sociaal-economische grauwsluier weten te leggen over al die gouden herinneringen aan de jaren zeventig, die in werkelijkheid natuurlijk een kortstondig intermezzo van vertrouwen en beschaving waren, een dolfijn van goud die kort opdook uit de grijze drek van de Nederlandse geschiedenis en daarna weer onderging, een harmonische uitschieter van alle registers, toen Nederland was uitgegroeid tot één grote Ponderosa, geleid door onze eigen pa Bonanza Joop den Uyl.
Het massaal teruggrijpen naar het culturele erfgoed van de jaren zeventig dat momenteel plaatsvindt, is in de eerste plaats een antwoord op alle pogingen om die tijd te isoleren als een soort fremdkörper in de Nederlandse (of zelfs westerse) geschiedenis. Dat soort oproepen klinkt nu wel heel erg vanuit de woestijn, nu zo'n beetje heel Holland onder de veertig op plateauzolen, in glitterbroek of fluorescerend hippiehemd onder een jaren-zeventig-glittterbal staat te stuiteren op geremixte klassiekers van Tamla Motown.
Het collectieve heimwee naar de jaren zeventig wordt nog steeds hogelijk onderschat, vooral in de politiek. Wim Kok zou tot nog grotere hoogten kunnen stijgen als hij zijn bakkebaarden weer zou laten staan en weer eens begon met leuke dingen voor de mensen. Vooral onder dertigers, zo melden de dagbladen, is er momenteel sprake van een schier onbevredigbare vraag naar boeken, speelgoed, films uit de jaren zeventig. Er wordt zelfs gewag gemaakt van een soort infantilisering, een collectieve regressie van een hele generatie tegelijk. Hier is sprake van een soort turbo-nostalgie, een opgevoerde versie van een gevoel dat tot voor kort vooral werd beschouwd als het exclusieve domein van de oudere, moegestreden medemens, die terugverlangt naar betere tijden. Hier is sprake van een veel te snelle achterwaartse beweging, als zodanig eigenlijk nog niet eerder in dit theater vertoond.
DEZE MASSALE EXODUS uit de natuurlijke loop van de geschiedenis kan misschien het beste worden gezien als een poging tot correctie. Door terug te gaan in de tijd probeert een hele generatie van getraumatiseerde welvaartskinderen de gigantische krater te dempen die de jaren tachtig hebben geslagen in hun persoonlijke en maatschappelijke leven. Het trauma van de jaren tachtig heeft diepere wonden geslagen dan tot nog toe werd aangenomen. De tragedie van de welvaartskinderen is een drama dat nog toe verborgen zat tussen de probleemgevallen van andere, wat meer luidruchtige generaties, die hun gefingeerde nootlot overtuigender in woorden wisten te vangen.
Maar laten we een poging doen. Stel je voor: je wordt geboren in de jaren zestig, tussen Beatle-muziek en lachende bloemenkinderen. Alles ziet er uiterst voorspoedig uit, en dat is het ook. Vaders stijgen als kometen op loonladders, moeders leven wordt dankzij tientallen nieuwe apparaten aanzienlijk verlicht. Uit alle garages in Randstedelijk Suburbia klinken flarden elektrische rock, de tosti-ijzers branden in het vuur.
De jaren zeventig nemen je mee in dezelfde illusie. Het is alsof ergens in 1968 de geschiedenis is begonnen. De enige die aan vroeger tijden doet herinneren is Elvis Presley. De geesten uit het verleden lijken definitief in de fles. Traag beweeg je je van zomer tot zomer. Op school vertelt de leraar dat het belangrijker is jezelf te ontdekken dan snel een diploma te halen. En dan, net als je heel relaxed afrolt van een zo lang mogelijk opgerekte studie, weerklinkt overal de sirene van de Titanic en tekent zich de jaren-tachtigcrisis af die alleen te vergelijken is met de jaren dertig, de oertijd, met massawerkloosheid. Juliana weg, Beatrix komt. Exit Den Uyl, in plaats daarvan Ruud Lubbers. En vooral: Onno Ruding, een afschrikwekkend creatuur dat blijkbaar is gevormd door het klonen van de cellen van Milton Friedman met een hagedis.
Een omdraaiing van alle waarden vindt plaats. Sociaal utopisme verdwijnt, realisme komt, en dan van het allergrijste soort, naargeestig, alle illusies systematisch de grond in borend. No future. De yup wordt geboren, de eenzame graaier, met zijn neefje de punker, ook al een solitair levend soort. Het recht van de sterkste is ook opeens terug van weggeweest. De oorlog tussen krakers en huisjesmelkers is voor een groot gedeelte een broederstrijd. Het zijn gelijkgestemden in hun verachting voor de rechtsstaat.
IN DE JAREN tachtig was er niet alleen een economische crisis, crisis was ook een ideologie, een kunstvorm. Het verval werd aanbeden, er heerste veel animo voor de geprovoceerde ondergang. Wat dat betreft sprak de BBC-documentaire The Scholte Affair, (30 april jongstleden, ook uitgezonden op Nederland 3) van Ian Macmillan enige boekdelen. De aanslag op Scholte vond plaats in de jaren negentig, maar hij was, zoveel maakte de film wel duidelijk, onmiskenbaar gekoppeld aan het door crisisfetisjisme overheerste klimaat van de Amsterdamse kunstscene van de jaren tachtig, aan het 'pact met het kwaad’ dat die scene had gesloten, zoals Scholte zelf het in de film uitdrukte. Over de schuldvraag en de daarbij spelende motieven tastte de kijker na afloop nog steeds in het duister, maar hij was wel heel wat wijzer geworden over het ongeremd destructieve karakter van de jaren-tachtigcultuur.
Wie in zo'n korte tijd zo'n stormachtige metamorfose van de geschiedenis live meemaakt, van rooskleurig tot apocalyptisch, loopt natuurlijk een grote kans op totale verwarring. De jaren tachtig waren voor de generatie der welvaartskinderen, van wie Scholte er ook een is, een onverhoedse breuk met alles wat eraan voorafgegaan was. Alle waarden die als vanzelfsprekend golden, waren weg. Daarvoor in de plaats kwam een totaal anti-beeld. De boodschap van de jaren tachtig was dat er niets was opgebouwd, dat geen recht automatisch gold, dat alles moest worden verkregen via het gevecht en dat het kwaad bovendien als de hoogste autoriteit moest worden beschouwd. Ongetwijfeld was dat een soort echo voor een langs economische weg al veel eerder in gang gezette ontwikkeling, maar als cultuur - zeker als jeugdcultuur of subculturele uiting - was het nieuw.
Het is alleen maar verheugend om vast te stellen dat deze ideologie in de jaren negentig in ieder geval op cultureel niveau geen enkele continuïteit heeft gekregen. In plaats daarvan begon die Magical Mystery Tour naar de seventies. Wie weet wat daar allemaal uit kan ontstaan. In ieder geval mag worden vastgesteld dat de jaren zeventig dieper in onze hoofden zitten gegraven dan Frits Bolkestein in zijn ergste nachtmerries mogelijk acht. Met alle zichtbare vreugde in bewustzijnsveranderende recreatie die de jaren negentig zo kenmerken, met hun in veel opzichten ook grenzeloze optimisme en hun voorliefde voor psychedelische geluiden en kleuren sluiten de jaren negentig ook veel beter aan op de seventies en de sixties, dan op de jaren die daarop volgden, die vermaledijde jaren tachtig. En daar gaapt dan ook meteen een oceaan van zorg. Want zie: trendwatchers van de westerse beschaving zijn het er allen over eens: binnenkort is het uit met de humanistische, goedmoedige seventies-nostalgie en volgt er een keiharde no-future-jaren-tachtiggolf.
Het begint ermee dat de punk nu eindelijk doordringt in de Verenigde Staten. De eerste keer lukte dat voor geen meter. Johnny Rotten en de andere Sex Pistols hielden op het hoogtepunt van hun Europese roem een tournee door het diepe zuiden van de Verenigde Staten, scholden iedere cowboy uit voor 'fucking faggot’, maar sorteerden desondanks niet het geringste effect. Amerika in de jaren tachtig had niets met punk. Het werd hooguit gezien als een curieuze cult. De Verenigde Staten hadden dan ook geen economische crisis om de oren gehad, en de haveloze Britten wel.
De Amerikanen begrepen niets van de diepere achtergrond van dit muzikale vandalisme. Als zij een gitaar vastpakten, kwam er gewoon country & western uit, en als ze zongen gleden de stemmen zich bijna automatisch in zoetgevooisde Crosby, Stills, Nash en Young-harmonieën. Het handjevol Amerikaanse artiesten dat wel brood zag in punk (Patti Smith, The Ramones) konden alleen in Europa tot idolen uitgroeien. Aan de rest van het land was het gewoon niet besteed.
TEGENWOORDIG ZIET HET er heel anders uit in de Verenigde Staten. De dood van Kurt Cobain was daar het startschot voor een gigantische inhaalmanoeuvre op het gebied van de muzikale aanbidding van het gebrek aan levensvreugde. Van daaruit kan er van alles gebeuren. Er kondigt zich al een golf van jaren-tachtignostalgie aan, en dan kan het nooit meer lang duren eer Oliver Stone een met complottheorieën afgeladen rolprent aflevert over de kroningsrellen van 1980, de RSV-enquête of zo'n andere typische jaren-tachtigaffaire. Omdat Europa cultureel gezien nog steeds aan de donorpijp van Amerika hangt, zou ook hier wel eens een hoogst ongewenste comeback van het jaren-tachtigevangelie van destructie en doodsdrift op gang kunnen komen. Dat is wel het laatste wat we hier kunnen gebruiken, op dit moment. Niet nu, met de socialisten vast in het zadel en geld genoeg om de collectieve welvaartsexplosie van de jaren zeventig nog eens dunnetjes over te doen.
De jaren tachtig verdienen het om bijgezet te worden in de horrorafdeling van de vaderlandse geschiedschrijving, een betreurenswaardig naoorlogs incident dat maar het beste zo snel mogelijk kan worden vergeten - zeker niet iets om nog eens langs nostalgische weg over te doen, niet eens in virtual reality. Nee, we leggen gewoon Déja Vu nog eens op de draaitafel, vullen onze huursubsidie-formulieren keurig in, lezen Allen Ginsberg en mediteren over de zin van het leven. Laat Frits Bolkestein maar met zo'n hanekam rondlopen. Wij laten, vrij naar David Crosby’s 'Almost Cut My Hair’, de 'freakvlag vrijuit wapperen’. De jaren tachtig? Nee, bedankt.