écht leuk

Opperste concentratie. Je hebt geen besef meer van tijd, gaat volledig op in datgene waarmee je bezig bent. Alles lijkt vanzelf te gaan, en je presteert nét iets meer dan waartoe je in staat was. Achteraf besef je hoe voldaan je was.

Flow noemt de Amerikaans-Hongaarse psycholoog Mihaly Csikszentmihalyi deze natural high. Het zijn die momenten die het leven werkelijk de moeite waard zouden maken. Csikszentmihalyi, hoogleraar aan de Universiteit van Chicago, doet er al zo'n dertig jaar onderzoek naar.
Begin jaren negentig raakte hij bekend bij het grote Amerikaanse publiek, toen hij op aanraden van een New Yorkse uitgeverij zijn wetenschappelijke inzichten populariseerde. Zijn boeken zijn inmiddels in meer dan tien talen vertaald. In Nederland verschenen in een jaar drie vertalingen: Creativiteit: Over flow, schepping en ontdekking, Flow: Psychologie van de optimale ervaring en nu De weg naar flow.
In dat laatste boek valt hij in herhaling. Csikszentmihalyi benadrukt wederom dat de kans op flow het grootst is bij die activiteiten waarbij je een duidelijk doel voor ogen hebt, waarop je direct feedback krijgt en waarbij er nét iets meer van je wordt gevraagd dan je aankunt.
Het gaat dus om de voldoening die je daarbij ervaart, de ontwikkeling die je bij jezelf bespeurt; materieel gewin is hooguit bijzaak. Mensen ervaren flow bij bijvoorbeeld bergbeklimmen, musiceren, schaken, maar juist ook opvallend vaak in (uitdagend) werk.
Flow dwing je zélf af; zo kun je Csikszentmihalyi’s credo omschrijven. Als je maar vooral datgene doet wat je écht leuk vindt, wat je écht wilt, waarin je écht beter wilt worden. Wie daarin slaagt en daarbij geregeld flow ervaart, gaat gelukkiger door het leven.
Zo iemand heeft volgens Csikszentmihalyi een ‘autotelische persoonlijkheid’: je doet iets om de activiteit, om de bijbehorende ervaring zelf, niet om uiteindelijk een of ander extern (materieel) doel te bereiken.
Dat klinkt aantrekkelijk. Maar je kunt je afvragen of die weg naar flow voor iedereen wel zo makkelijk begaanbaar is. 'Om de kwaliteit van ons leven te verbeteren’, schrijft hij, 'zullen we dus eerst aandacht moeten schenken aan onze dagelijkse activiteiten en aan het gevoel dat we daarbij hebben, aan hoe we ons tijdens bepaalde bezigheden, op bepaalde plekken, gedurende bepaalde tijden van de dag en in het gezelschap van bepaalde mensen voelen. (…) Wij moeten dus ontdekken wat in ons geval de beste keuze is.’
Dat biedt echter weinig houvast. Het klinkt zoals Confucius ooit zei: 'Geef me een baan die bij me past, en ik hoef nooit meer te werken.’ Vínd die baan eerst maar eens.
Wie zijn eerste twee boeken kent, zal inhoudelijk niets nieuws ontdekken in dit derde boek. Maar flow is hot en Csikszentmihalyi’s boeken zijn internationale bestsellers. Dus waarom niet rap nog een boek over flow op de markt? Die gehaastheid bemerk je soms ook in de vertaling. Zo beweert Csikszentmihalyi dat veel westerlingen in hun zoektocht naar geluk de boodschap van oosterse religies dusdanig oppervlakkig interpreteren 'dat de haren van een boeddhistische monnik er recht van overeind zouden gaan staan’; die monniken zijn doorgaans (zo goed als) kaal.
Geld mag dan niet gelukkig maken, dat Csikszentmihalyi’s boeken als zoete broodjes over de toonbank gaan, moet inmiddels toch ook een aangename cashflow geven.