East End Boys (and West End Lords)

Londen – Het aloude vermoeden dat de Britse upper class en lower class dichter bij elkaar staan dan bij de tussenliggende middel class is vorige week weer eens onderbouwd in de Channel4-documentaire The Gangster and the Pervert Peer. Daarin werd de bijzondere relatie blootgelegd tussen Ronnie Kray, de Al Capone van Londen, en de Conservatieve politicus Bob Boothby tijdens de swinging sixties.

Boothby, later: Lord Boothby, was een charismatische politicus die een duurzame affaire had met Dorothy Macmillan, de eega van zijn politieke baas. Echter, hij koesterde ook een zwak voor East End Boys. Deze belangstelling bracht hem in contact met Ronnie Kray, één van de Kray-tweelingen die de onderwereld jarenlang zouden beheersen, met speciale dank aan de versoepeling van de casinowetgeving in 1961. De maffiabaas, al dan niet vergezeld van een schandknaap, kwam regelmatig thuis bij Boothby op 1 Eaton Square, het elegante pleintje waar koningin Wilhelmina gedurende de Tweede Wereldoorlog met haar gezin verbleef. Boothby had een voorkeur voor kinky seks, waarbij een opmerkelijke rol was weggelegd voor uitwerpselen. Een jonge verslaggever van The Sunday Express kreeg lucht van de affaire en wilde het verhaal publiceren, maar werd tegengehouden door zijn hoofdredacteur. De krant onderhield immers warme contacten met de Conservatieve Partij, die na de Profumo-affaire geen behoefte had aan een nieuw seksschandaal. Korte tijd later publiceerde de linkse Sunday Mirror, getipt door de politie, het verhaal. Hoewel er geen namen werden genoemd, wisten ingewijden dat Boothby het hoofdpersonage was. De politicus stapte naar de rechter om smartengeld te eisen en, belangrijker, verdere onthullingen te voorkomen. Deze bluftactiek werkte. De aan Labour verbonden advocaat Arthur Goodman, later: Lord Goodman, zou er vervolgens voor zorgen dat de zaak in de doofpot bleef, te meer omdat er ook een prominente Labour-politicus bij het schandaal betrokken was. De dubbelspion, columnist en roomse communist Tom Driberg, gewaardeerd lid van de gevestigde orde (hij was een van de weinige progressieve vrienden van Evelyn Waugh), deelde Boothby’s voorkeuren, met het verschil dat hij liften en openbare toiletten prefereerde als plaatsen van handeling.
Jarenlang bleef het stil en de Krays werden celebrities, beschermd door hun suikeroompjes, totdat ze in 1968 tot levenslang werden veroordeeld. Onderzoeksjournalist John Pearson kreeg inzage in fotoalbums van de Krays en trof daarin bewijzen aan voor de relatie tussen Boothby en Kray. Hij schreef er begin jaren zeventig een boek over, maar uit angst voor Goodmans toorn dorst niemand het te publiceren. Zijn bewijsmateriaal werd door inbrekers meegenomen. Pas na de dood van alle betrokkenen kwam de zaak helemaal naar buiten. Alhoewel, helemaal… Uit archiefmateriaal blijkt dat de Krays niet alleen door de drie genoemde heren werden beschermd maar ook door andere politici, wier namen waren weggehaald omdat ze nog in leven zouden zijn.