Ebenezer scrooge

Elke kerst duikt hij weer op: Scrooge, de aartsgierigaard uit Dickens’ ‘A Christmas Carol’. Wiens hart verweekt niet bij het verhaal over de hardvochtige cententeller, die op slag in de grootste weldoener verandert? Dickens zelve bleef echter wat hij was: de krenterigste aller krenten.
DE SCHRIJVER HAD aanvankelijk weinig goede woorden voor hem over: ‘Een chanteur, een bloedzuiger, een ellendige duitendief, een hebzuchtige, ouwe ellendeling, dat was-ie! Niemand hield hem op straat staande om hem vriendelijk te vragen: “Beste meneer Scrooge, hoe staat het leven?” Geen bedelaar die hem om een aalmoes vroeg. Geen kind dat het waagde hem te vragen hoe laat het was. Zelfs de blindegeleidehonden schenen zijn karakter te doorzien. Zodra zij zijn tred vernamen trokken zij hun baasje het meest nabije hofje in, alsof zij wilden zeggen: “Blinde man, blind te zijn is nog altijd beter dan over het Boze Oog te beschikken.” ’

Het betrof Ebenezer Scrooge, woekeraar te Londen.
Zijn wonderbare bekering is gedocumenteerd in Charles Dickens’ A Christmas Carol, het op een na beroemdste kerstverhaal uit de geschiedenis. Met een typische, ouderwetse moraliteit, een moraliteit over de schraapzucht. Dat is de meest intrigerende der zeven hoofdzonden. Voor de meeste onzer ondeugden - inclusief moord en doodslag - kunnen wij wel enig begrip opbrengen. Maar waarom is iemand gierig? Waarom weigert iemand een stuiver meer uit te geven dan strikt noodzakelijk is? Geld moet immers rollen. Dat is zijn enige functie. Of heeft het cententellen een animale invloed op onze hormonale huishouding? Er bestaat weinig wetenschappelijk materiaal over dit onderwerp, al is een tipje van de sluier opgelicht door de beroemde grootindustrieel die erom bekend staat dat hij graag een verkwikkend bad in een bassin vol goudstukken neemt. Ik doel vanzelfsprekend op Dagobert Duck, die in zijn vaderland, de kapitalistische Verenigde Staten, niet toevallig Scrooge McDuck is geheten.
Deze Scrooge McDuck treedt voor het eerst op in 1947, honderd jaar na de letterkundige geboorte van zijn Britse geestverwant, in het verhaal ‘Christmas on Bear Mountain’. Carl Barks, zijn schepper, zei desgevraagd in een interview: 'De uitgever vroeg me iets met Kerstmis te doen. Dan kom je al gauw bij dat ouwe verhaal van Dickens over Scrooge terecht.’
Plaatje een: Men ziet de oude McDuck somberen in zijn majesteitelijke woonkamer. Hij zit in zijn leunstoel, het rechtervuistje gebald, en heeft zo zijn eigen, onorthodoxe kerstgedachten: 'Bah! Dat idiote gedoe waarbij iedereen van iedereen moet houden! Vervloekt!’ Plaatje twee: De ogen van de gierigaard zijn tot spleetjes vernauwd. 'Gelukkig, ik ben anders’, sist hij. 'Iedereen haat mij en ik haat iedereen…’
Hij is een halve eeuw later weinig ten goede veranderd. Anders dan Ebenezer Scrooge, de man die op 24 december 1843 van Saulus in Paulus veranderde.
SCROOGE HAD EEN lange weg te gaan alvorens hij ons aller lievelingsbetovergrootvader werd. Hij is, althans in de eerste bladzijden van Dickens novelle, een pure misantroop. Zelfs geld, torenhoog opgestapeld, maakt hem niet gelukkig. Geluk is trouwens humbug, zoals alles wat niet verhandelbaar is. Molieres Vrek is bij hem vergeleken een heilsoldaat, Shakespeares Shylock oogt naast hem als het toonbeeld van christelijke naastenliefde.
In feite is Scrooge de antichrist, die zijn kerst het liefst boven zijn kasboek zou willen doorbrengen. Hij is een christenwoekeraar, dat kon nu eenmaal niet anders in een kerstvertelling. In elk ander verhaal had de schrijver hem ongetwijfeld in de gestalte van de joodse woekeraar ten tonele gevoerd, naar het model van de boze Fagin, de bendeleider uit Oliver Twist.
Scrooges geldgier is pathologisch. De wereld bestaat louter uit uitbuiters en uitgebuiten, werkers (de rijken) en parasieten (de armen), schuldeisers en schuldenaars. Elke menselijke aanvechting is hem vreemd. Hij denkt uitsluitend in economische categorieen. Hij is een principiele soli tair, want een huwelijk is hem te duur. Om praktische redenen duldt hij slechts een mens in zijn omgeving, in een nauwelijks verwarmd nevenvertrek, omdat het geld hem immers niet op de rug groeit. Het is Bob Cratchit, 'mijn klerk, a vijftien shilling per week’.
En als Scrooge er uiteindelijk langs bovennatuurlijke weg getuige van is hoe de familie Cratchit, arm maar gelukkig, het kerstfeest viert, schudt zijn miserabele wereld op zijn grondvesten. Dat kan toch niet! Het vertoon van vrolijkheid, familiezin, dapperheid en gezelligheid brengt hem in grote ideologische verwarring. Met verbazing en ongeloof ziet hij hoe zijn klerk nota bene een toast op zijn welzijn uitbrengt, een toast op de man die hem van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat terroriseert. Want het is nu eenmaal Kerstmis, weet Cratchit - armer en wijzer dan zijn patroon -, het feest waarop men de medemens met mildheid tegemoet hoort te treden.
Scrooge had zich aan de vooravond van Kerstmis hondser dan ooit gedragen - hij speelde zelfs met de gedachte zijn klerk een dag salaris te korten. Diezelfde nacht werd hij door diverse spookgestalten bezocht, die hem met verwijten overlaadden en hem diverse schrikaanjagende visioenen voortoverden.
Het laatste visioen is het verschrikkelijkst. Het is het beeld van zijn grafsteen, verwaarloosd en verlaten. Scrooge capituleert. 'He, beste jongen’, roept hij uit het raam, 'ga voor mij eens de grootste kerstkalkoen halen die verkrijgbaar is!’ Nee, de familie Cratchit zal dit keer met de feestdagen niets te kort komen. Als de weldadigheid zelve trekt hij door de besneeuwde straten van Londen. Halleluja! De punch kan op het vuur worden gezet en de kerstkrans kan worden aangesneden. Het goede heeft gezegevierd en dat is een aangename gedachte in een wereld waarin - niet in de laatste plaats in de literatuur - over het algemeen het kwaad aan het langste eind pleegt te trekken.
Zo wordt Ebenezer Scrooge door de Geest van Kerstmis hardhandig tot medemenselijkheid bekeerd, dezefde Geest van Kerstmis die verantwoordelijk is voor de sluimerende moraal van deze kerstvertelling. Kerstmis is, weten wij, met al zijn aardige kanten, tegelijkertijd een periode van politieke en intellectuele stilstand. In de Balkan worden kerstbestanden gesloten opdat men elkaar na de kerst met verdubbelde energie overhoop kan schieten. De krantenpersen zijn stilgelegd. Het televisienieuws is vervangen door een derderangs operette. De andere netten indoctrineren ons met de bewering dat er vrede op aarde is, tot aller mensen welbehagen. Familievetes zijn bijgelegd, burenruzies bestaan for the time being niet meer. Het is een vorm van pure hersenspoeling - en het verhaal van de rijke vrek die zich binnen dertig bladzijden tot een rijke weldoener veredelt, past opperbest bij onze stemming van schijnpacificatie.
Neem de proef op de som. Lees Dickens’ Christmas Carol buiten het seizoen, rondom Pasen of tijdens een zonovergoten vakantie op de Canarische eilanden. Dan verschraalt deze prachtvertelling plotseling tot een proeve van hemeltergende sentimentaliteit.
HET VERHAAL IS duizendmaal herdicht, in woord en beeld, en elke Britse acteur van enige aanzien (van Alec Guinness tot Alaister Sims, van Basil Rathbone tot Albert Finney) is een keer in de huid van Ebenezer Scrooge gekropen. Dickens’ Christmas Carol is inmiddels zo populair dat hij duizendmaal is geparodieerd, in woord en beeld. Het hoogtepunt wordt gevormd door de avonturen van Ebenezer Blackadder. In deze versie zijn de rollen omgedraaid. De hoofdpersoon is zo walgelijk goedgeefs dat de Geest van Kerstmis gedwongen is hem erop te wijzen dat het, omwille van het naakte lijfsbehoud, verstandig is eindelijk iets slechts te doen. Het is even wennen, maar Ebenezer Blackadder is een snelle leerling. Bij wijze van training slaat hij de voordeur dicht in het gezicht van het keurige echtpaar dat van zijn charitatieve reputatie had vernomen. Zij sluipen via de achterdeur de huiskamer binnen en zijn getuige van Blackadders boutade over de dienstdoende keizerin Victoria en haar gemaal Albert, prins van Saksen Coburg-Gotha. 'Weet u hoe wij haar noemen?’ vraagt Ebenezer Blackadder. 'Wij noemen haar keizerin Knor. De enige die nog stommer is dan die mof van een man van haar. Het is me een raadsel hoe dat tweetal die honderdentwaalf kinderen van ze heeft gemaakt. De slaapkamers van Buckingham Palace moeten, dunkt mij, ruim van blinddoeken zijn voorzien.’ Het echtpaar slaat ontzet de handen voor de oren en vlucht de voordeur uit. Het waren natuurlijk, incognito opererend… Hoe dan ook, Ebenezer Blackadder bracht zijn Kerstmis door in de verbitterde wetenschap dat hij zichzelf vijftigduizend pond benevens de titel Lord Blackadder door de neus had geboord.
Er bestaat een victoriaanse ets waarop een Engelse familie staat afgebeeld, die eendrachtig rond de tafel gezeten het nieuwste boek van Dickens leest. Het gezelschap is, zo te zien, ten diepste bewogen. Want in het victoriaanse Engeland werd, de uiterlijke stijfheid ten spijt, onbekrompen geweend en onbedaarlijk geschaterd, zelfs om literatuur. Thans wordt er voornamelijk geweend. Zijn zij inmiddels beland bij de passage waarin Tiny Tim wordt geintroduceerd, de gebrekkige, stervenszieke zoon van de beklagenswaardige Bob Crachit? Ons hartje breekt. Dickens was trouwens gespecialiseerd in schlemielige, aamborstige kereltjes. Paul Dombey. Barnaby Rudge. Oliver Twist, natuurlijk. David Copperfield, die zo zielig uit zijn ogen keek dat hij van de begrafenisondernemer altijd voor de lijkkist uit moest lopen.
CHARLES DICKENS ALS kindervriend. Hij had er zelf negen, twee meisjes en zeven jongens. Die meisjes liet hij, voor zover wij weten ten minste, enigszins met rust. De jongens moesten daarentegen zo gauw zij de priktol ontwassen waren het huis uit, liefst naar een enige werelddelen verder gelegen locatie als Australie of het Verre Oosten. Hans Christiaan Andersen, collega-kindervriend, in 1857 zijn logeerpartij bij de familie Dickens beschrijvend: 'Walter reist over een paar weken naar India. Hij wordt officier in Calcutta en zal zeven jaar wegblijven.’ In werkelijkheid zou de jongen, na in tranen te zijn afgereisd, na zes jaar in den vreemde creperen, met achterlating van honderd pond schuld, tot woede van Dickens sr. De andere zonen verging het niet veel beter. Ook zij werden de zeven wereldzeeen opgestuurd, een ongewisse toekomst tegemoet.
De enige uitzondering was Henry, die in Cambridge mocht studeren, hetgeen een aardig centje zou kosten. Maar kijk, wat een verrassing! Stralend van trots vertelde hij zijn vader een studiebeurs van vijftig pond per jaar te hebben gewonnen. Bewogen schudde Dickens sr. zijn zoon de hand - en trok vervolgens hetzelfde bedrag van Henry’s studietoelage af.
Want zelfs de voorzitter van de Charles Dickens Society zal inmiddels toegeven dat de vereerde schrijver, literair vader van de onsterfelijke Ebenezer Scrooge, zelf een duitendief van scroogeriaanse proporties is geweest.