Walter Kempowski 29 april 1929

Echolood der Duitsers

In Tadellöser & Wolff, de roman die Walter Kempowski in 1971 beroemd maakte, herinnert de verteller zich zijn speelgoedwagenpark: ‘Ik had een vervoerbedrijf. Drie transcontinentale vrachtwagens van Märklin met witte kruisband op de laadklep en afneembare huif. Die achteruit over de binnenplaats loodsen en op de millimeter nauwkeurig naast elkaar parkeren. Bandensporen achterlaten…’

Naar zeggen van de oude Walter had de jonge Walter het liefst ‘vijf van die dingen willen hebben of zelfs tien. Je hoofd op het tafelblad leggen, je blik erlangs laten glijden, uitlaat aan uitlaat.’ Met die liefdevolle millimeterprecisie heeft Kempowski duizenden van zulke momentopnamen uit het menselijk leven bijeengebracht, gesorteerd en tot hoofdstukken gecombineerd, totdat uit de hoofdstukken romans groeiden en uit de romans een cyclus ontstond, de ‘Duitse kroniek’ van een burgerlijke familie, van de keizertijd – ‘Weest verwend! Rookt Welp-cigaren!’ – tot het tijdperk-Adenauer: ‘Wandsbek, Bärenstraße 7a: barak met kartonnen wanden, drie kamers, keuken, wc.’

Toen hij in 1956 voet zette in de Bondsrepubliek had Kempowski acht jaar in de Stasi-gevangenis van Bautzen gezeten, verlinkt wegens ‘spionage’ omdat hij als achttienjarige documenten over de demontage van de sovjetzone aan Amerikaanse inlichtingenmensen had doorgespeeld: ‘In wezen had ik enkel bezwaar tegen die plundering, dat deden de Amerikanen in hun eigen zone tenslotte ook, dat was op een of andere manier hun goed recht. Maar het moest wel vastgelegd worden opdat de herstelbetalingen na het vredesverdrag niet weer van voren af aan zouden beginnen. Dat zo’n vredesverdrag er nooit zou komen, wisten we toen nog niet.’

Hij moest uit het niets opnieuw een burgerlijk bestaan opbouwen, net als miljoenen andere terugkerende oorlogsslachtoffers, vluchtelingen, verdrevenen, weggebombardeerde daklozen, ‘landverhuizers’ en displaced persons. In de nadagen van het Derde Rijk had de langharige, aan jazz verslingerde swingboy Kempowski zich zoveel mogelijk gedrukt voor de dienst in de Hitler Jugend en voor zijn verplichtingen als Flakhelfer. Na zijn ontslag uit de gevangenis werd hij heen en weer geslingerd tussen een diepe afkeer van de wereld en het vooruitzicht die wereld nog eenmaal te laten zien wat hij waard was. Dat laatste is hem gelukt, al moest hij bizarre horden nemen en bittere teleurstellingen slikken.

Zijn gevangenisroman Im Block, die in 1969 bij Rowohlt verscheen na jaren van herschrijving en touwtrekken tussen schrijver en uitgever, werd een flop. De meeste West-Duitsers hadden iets anders aan hun hoofd dan de belevenissen van een Bautzen-gevangene. De doorbraak naar het grote publiek bereikte hij pas in 1971 met de familieroman Tadellöser & Wolff. Door Eberhard Fechners tv-verfilming werd Kempowski een vertrouwde naam bij miljoenen lezers, maar anders dan een Böll, Grass of Lenz wekte hij al snel de toorn van afgunstigen en idioten die hem beschouwden als een reactionair en Koude-Oorlogshitser die de nazi-tijd bagatelliseerde. Dat Kempowski in zijn romans en ondervragingsboeken ‘Was u op de hoogte?’ gelijk een diepzeevorser dekherinneringen, vluchtfantasieën en andere bagger uit de nazi-tijd opdiepte, hadden zijn verachters niet eens in de gaten.

Uit sympathie met al diegenen die onder de wielen van de wereldgeschiedenis waren gekomen, besloot Kempowski in zijn huis een archief voor ongepubliceerde autobiografieën aan te leggen. Uit dit archief is de tiendelige serie Echolood voortgekomen, vol getuigenissen van tijdgenoten en fragmenten uit dagboeken en brieven die zonder zijn toewijding voor altijd verloren waren geweest. Een andere pijler van zijn levenswerk bestaat uit zijn eigen dagboeken waarin hij telkens weer alle ‘kenners’ van zijn oeuvre verraste en voor gek zette: ‘Ik ben de sonny boy van de eigentijdse Duitse literatuur’, schreef hij in 1983: ‘Een uitgescheten vraagteken.’

Ik heb Kempowski in 1984 leren kennen toen ik als vooringenomen en ook verder tamelijk suffe jongeman deelnam aan een literatuurseminar in Nartum. Daar ontpopte hij zich tot mijn verbazing als een gedegen kenner van Arno Schmidt, prees bovendien mijn favoriete haatboek Rom, Blicke uit de nalatenschap van Rolf Dieter Brinkmann, en nodigde me uit om de zomer in zijn huis door te brengen, samen met andere jonge mensen die bij hem mochten wonen zolang zijn vrouw op vakantie was. Zelf werd hij niet warm of koud bij de gedachte aan vakantie. Hij omringde zich liever met de jeugd, die dan natuurlijk wel voor hem moest koken. En niet enkel spiegeleieren!

De slotavond van het seminar was ingeruimd voor vertier. Het was al laat toen Kempowski aan de vleugel plaatsnam en een gedragen versie van het Deutschlandlied speelde. Ik vond het maar een smakeloze vertoning, zei ik achteraf tegen hem, en vervolgens wendde hij zich zwijgend af (wat me pijnlijk trof). Zijn antwoord vernam ik enkele weken later op schrift: ‘Het spijt me u te moeten zeggen dat een stilzwijgende verstandhouding deel uitmaakt van onze zomergemeenschap. Aan elke vraag gaat nadenken vooraf, en nadenken veronderstelt sympathie – en die is nu eenmaal onontbeerlijk als we hier als een familie drie of vier weken samen willen doorbrengen. Om die reden moet ik mijn uitnodiging aan u helaas intrekken.’

Dat was kort na Sint Nicolaas. Vlak voor Kerstmis kwam Kempowski op zijn besluit terug: ‘Om kort te gaan, de meisjes van mijn zomerclub hebben me flink ingepeperd dat ik zoiets niet kan maken, ze vinden het maar niks dat ik Gerhards uitnodiging weer intrek. Tot die conclusie ben ik zelf intussen ook gekomen en misschien moet ik mij verontschuldigen voor mijn abrupte reactie. Het zou me een lief ding waard zijn als ik die brief weer ongedaan kon maken en ik hernieuw bij deze de uitnodiging voor de zomerclub, onder één beding: dat ik van vaderlandse discussies onder de Noord-Duitse zon gespaard mag blijven.’ Zo was ik toch nog welkom in zijn huis, zij het onder de spotnaam ‘sigarenrokende landverrader’.

Het open huis dat Kempowski erop nahield is voor talloze kempowskianen een museum, klooster, aula, stationscafé, internaat en gehoorzaal tegelijk geweest. In een van de keurig bijgehouden gastenboeken staan de balorig aandoende woorden van literatuurcriticus Hanjo Kesting: ‘Et ego in Kempowskia.’ Een rake opmerking. Kempowski heeft iedereen tot zich toegelaten en steeds het contact met zijn lezers gezocht, heel anders dan de door hem vereerde Arno Schmidt, die zich in zijn ‘verschrikkelijke heidebunker’ (Jörg Schröder) moest verschansen teneinde in alle rust te kunnen werken. Kempowski leidde busladingen nieuwsgierige vutters en toeristen rond in zijn huis, louter types die zijn eerste drukken van Arno Schmidt-boeken jatten en praktisch nooit hun belofte nakwamen om als dank afdrukken van hun kiekjes op te sturen. Niettemin heeft Kempowski plezier gehad van zijn voorzichtig gecultiveerde jovialiteit. Hij keek de kunst af van Hitchcock, die de allergrootste waarde toekende aan suspense: hoe houd je je publiek geboeid?

Ook van zijn ervaringen als onderwijzer, in welke hoedanigheid hij elke ochtend een bende ongewassen knullen en meiden ertoe moest brengen zich te concentreren, heeft Kempowski zijn voordeel gedaan. In bijna elke zin van de Kroniek klinken de sound en de structuur van oeroude schoolbordteksten door: ‘Intussen werd ook de veiligheid van de kelder aan een onderzoek onderworpen. De spoelkeuken met het afvoerputje lag hoger dan de luchtafweerbunker. Dat was dus een rattenval. Eén scheur in de waterleiding en zeg maar dag met je handje.’ In het mozaïek van dergelijke details hebben veel Duitsers hun verleden herkend. Sindsdien ging Kempowski door voor ‘volksschrijver’, hoewel hij een hekel aan het woord had: er kleefde iets ‘nazistisch’ aan dat hem tegenstond, zei hij.

De links-liberale cultuurjournalisten in de Bondsrepubliek wilden jarenlang niets met de ex-Bautzen-gevangene te maken hebben. In 1990 heeft een onderknuppel in Stern zelfs getracht Kempowski als plagiant te ontmaskeren. En nog in 1999 heeft een literatuurwetenschapper in een boek met als titel Eindexamenkennis Duits Kempowski bij de amusementsliteratuur ingedeeld, tussen Hera Lind en Johannes Mario Simmel. Menige hatelijke uitspraak die zijn weg naar de media vond, heeft Kempowski echter met zijn heetgebakerde geest zelf over zich afgeroepen. Toch deed het me altijd weer genoegen als ik hem tijdens het zappen in een talkshow aantrof. Hij streek met zijn schaamteloze opmerkingen iedereen tegen de haren in en liet de daaropvolgende scheldkanonnade soeverein van zich afglijden. En met alle respect voor Robert Gernhardt, die in 1984 in Der Spiegel zijn roman Herzlich willkommen heeft neergesabeld, moet worden gezegd dat hij Kempowski eerder geërgerd dan uit zijn evenwicht gebracht heeft: die meneer Gernhardt, schijnt hij gezegd te hebben, was dat niet eigenlijk een heel fatsoenlijke man?

Kempowski’s compensatiedrang was reusachtig. Als gewezen bajesklant heeft hij zijn hele leven gesmacht naar onderscheidingen, lintjes en andere bewijzen van het feit dat hij uit de isoleercel de weg terug naar de samenleving heeft gevonden. Heel wat eerbetuigingen waarnaar hij verlangde zijn hem op hoge leeftijd toegekend. Hij heeft herhaaldelijk verklaard dat hij zijn doel bereikt, zijn vervulling gevonden had. Maar eenieder die het geluk had hem wat beter te leren kennen, weet welke prijzen hij toch nog graag had meegenomen in zijn graf (en wie zich dus nu schamen moet). Wat ons rest zijn Kempowski’s boeken, die diepere sporen in het collectieve geheugen hebben nagelaten dan de bandensporen in de zandbak van prins Walter van Aquitanië – dit als kleine toespeling voor Kempowski-kenners.

Zoals hij zelf had voorspeld, heeft Walter Kempowski vreedzaam afscheid van het leven genomen. Het was langzamerhand mooi geweest, vertelde hij me bij mijn laatste bezoek aan Nartum, in een geestestoestand die aan Jean Paul deed denken: ‘O, hoe schoon is het te sterven in de volheid van de schitterende schepping en het leven! – En ik dankte de Schepper voor het leven op aarde en voor het toekomstige leven daarbuiten.’

5 oktober 2007