Echt bloot durven zijn

Puthaar, Het wilde kind, Atlas Contact,80 blz., € 22,95

jesu

Ze kleden zich uit, vanuit de spiegel

zien we ze staan, de sombere nudisten,

onder de worglamp in het berghotel.

Wat ze ook zijn mogen, die handenparen

met de grillen van hun aderen, de knieën

en de weke buik, niemand doen ze kwaad

als niet de een zich afwendt van de ander,

die bijna mooi van moeheid is, omkeert

en voorover drukt in de Tiroler sprei.

Zonder getuigen, of het is de kinderblik

boven het bed, dat allerzachtste blauw

van ongeborenen, op iets als water.

Uit: Het wilde kind_, van René Puthaar_


Is dichterschap de eigenschap van een persoon, of gebruiken we het begrip uitsluitend om bepaalde kenmerken van geslaagde gedichten aan te duiden? In het eerste geval is het denkbaar dat iemand weliswaar levenslang zwanger gaat van grootse poëzie maar nimmer een gaaf gedicht aflevert, in het tweede geval staat het poëtische geheel los van de vraag wie het gedicht gemaakt heeft. Romantici propageren de eerste vorm van dichterschap, modernisten opteren voor de laatste. Toch wordt in beide gevallen uitgegaan van het vermoeden dat de dichter over een mysterieuze vaardigheid beschikt die de omgangstaal tot magie transformeert.

De vraag naar de aard van dichterschap doet zich in het bijzonder voor waar dichters van spraakmakende bundels ineens ophouden met schrijven, hetgeen zich voordeed bij Lucebert, Vasalis en Neeltje Maria Min. Lucebert en Min pakten later de draad weer op, overigens met wisselend succes, Vasalis bleef zwijgen. Wat gebeurt er in zo’n geval? Is de inspiratie verdwenen? Of heeft de dichter gewoon geen zin meer?

In 2000 en 2003 publiceerde René Puthaar (1964) twee bundels die opvielen door hun affiniteit met de symbolistische en modernistische traditie en door het vakmanschap waarmee de gedichten in elkaar waren getimmerd. Vervolgens vertrok hij naar Zuid-Frankrijk om bijna tien jaar niets van zich te laten horen. Was hij uitgeschreven? Verveelde het kunstje hem? Of realiseerde hij zich dat wat de ware dichter wil zeggen onmededeelbaar is? Met Het wilde kind laat Puthaar zien dat hij er nog is. Maar is hij ook een dichter gebleven, gesteld dat hij het was?

In het eerste gedicht gaat het meteen al goed mis:

Staat dit er nog? Alles was toch af-

gebroken? Nu ik het hier zo zie: dit breekt

zichzelf nog af. Het is haast transparant.

Overal zie ik het lekken van het licht.

De metafoor van het gedicht als gebouw is uitgekauwd, maar daar zou je met enige verbeeldingskracht nog een originele wending aan kunnen geven. De allereerste regelafbreking is echter reden genoeg om de bundel verder ongelezen te laten: ‘af-// gebroken’. Moet ik nog uitleggen waarom dat echt niet kan? Dat we zo langzamerhand wel weten dat het duurzaamst bouwen het breken is, dat woordspelingen altijd een zwaktebod zijn, en dat een enjambement binnen een woord werkt als een megafoon die omroept dat er van extra betekenis sprake is? Het is allemaal zo hopeloos jaren zeventig.

Manmoedig ben ik toch doorgegaan met lezen. In het tweede gedicht ‘zaten we te staren naar de woorden’, in het derde lezen we over ‘de leegten van de letters zelf/ het stuifsel dat het universum is// dat ons dichtte’, en later in de bundel hangt iemand lakens ‘aan de zwart geschreven levenslijn’. De dichter is doordrongen van het wonder van de poëzie, zoveel is duidelijk:

Alles bestaat

om op te houden

te bestaan, niets

om uit te monden

in een zin

De bundel bevat een gedicht dat geheel uit eenlettergrepige woorden bestaat (’Je telt een greep en dan is het te laat’), een reeks op basis van ready-mades uit Het beste boek van de weg, een flauwe herschrijving van een huiveringwekkend gedicht van Faverey en een deconstructie van Van Ostaijens regel ‘Ik wil bloot zijn en beginnen’.

Allemaal knap gedaan en overbodig. ­Tenenkrommend zijn enkele gedichten die de dichter aan zijn kinderen heeft opgedragen, compleet met citaten uit hun mond. En er is natuurlijk niets tegen om te laten zien dat je de klassieken beheerst, maar om nu in het Franse telefoonboek tevergeefs naar Catullus te zoeken, is dat geen aanstellerij? Of is het weer een grapje?

Godzijdank staan er in Het wilde kind een paar gedichten die redelijk geslaagd zijn. Ook Ars amatoria is nogal geconstrueerd, maar de laatste regel is subliem:

Er staat geschreven: aan < > lichte zee

(een linnen zee, vertalen sommigen)

lagen ze en rustten < > spraken niet.

Ze liggen er al eeuwen, onze tijd:

de broze schalen zijn gebroken,

in de scherven rest het nestelen.

De zee wordt een bed, of omgekeerd, de gebroken schalen komen tot uitdrukking in de fragmentarisch overgeleverde tekst, die daarmee ook het zwijgen verbeeldt. Het breken van de schalen is zowel een verlies en een teloorgang als een mogelijkheid tot toenadering. ‘These fragments I have shored against my ruins’, zegt Eliot.

Niet onaardig is een gedicht over Homerus, die zich aan het einde van zijn leven neerlegt op het strand. ‘Hij wist dat nu de zee zich terugtrok/ de ritseling over haar natte lippen kwam/ van kiezels’ en van fijne slakken ‘die zich lustig wentelden/ met in hun donker huis de stuiptrekking/ van jonge vrouwen, met zichzelf alleen’.

Jammer is dat het gedicht weer eindigt met een spelletje. Zoals Odysseus zich aan de Cycloop had voorgesteld als ‘Niemand’ realiseert de oude dichter zich dat zijn poëzie is voortgekomen uit een anonieme kracht. Vandaar dat het gedicht, dat Niemand heet, eindigt met de regel ‘van wie zijn naam niet schrijft’, waarop een dubbele punt volgt, waarna het wit onder aan de pagina.

Is Puthaar een echte dichter? Ik sluit het niet uit. Maar vooralsnog is hij de willoze slaaf van zijn eigen spitsvondigheid.

Hij zou ter harte moeten nemen wat hij aan Van Ostaijen ontleent: ‘ik wil bloot zijn en ­beginnen’. Zelfs in dat gedicht weet hij nog verwijzingen naar Descartes en Rimbaud te verwerken. Kleed je nu eens uit, dichter, en begin met niets.