Boek van de Maand: Rick Moody, Demonology

Echt en eerlijk

De juryleden selecteerden deze maand Marie Darrieussecq’s Spookverschijningen, De erfenis van Eszter van Sándor Márai, Een man een man van Wanda Reisel en Demonology van Rick Moody. Nadat de juryleden elkaars favorieten hadden gelezen, werd Demonology van Rick Moody verkozen tot Boek van de maand.

Rick Moody

Demonology

Uitg. Faber and Faber (distr. Penguin), 306 blz.

Een van de grootste rotstreken ooit door vrouwen uitgehaald staat op naam van Annie Sprinkle. Als feministische pornoster wist zij precies hoe de man te treffen: ze onthulde haar geheim. Zij klom een podium op, spreidde de benen wijd en inviteerde een groep heren om haar met behulp van een speculum te beloeren.

In het verhaal Ineluctable Modality of the Vaginal doet een vrouw iets dergelijks. In de lange, over vele bladzijden vertelde zin vertelt een vrouw van de postmoderne levensfilosofietjes die zij en haar minnaar, op poststructurele avonden in New Yorkse bars en restaurants gezeten, over elkaar uitstorten. De intellectuele minnaar weet natuurlijk het best hoe de vrouw in elkaar zit en ratelt over Marguerite Duras, over postmoderne filosofen en het petit objet a (wat eigenlijk het objet petit a is). Als de man op een avond uiteindelijk instort, komt zijn geheim naar boven, dat stamt uit de prepuberale fase van zijn jeugd. Zijn kindsvriendinnetje kleedde hem vroeger als haar vriendinnetje aan. Nooit, zegt hij, heeft hij zich zo overgeleverd gevoeld, hij weet hoe ’t is om vrouw te zijn.

Ruzie. Om te bewijzen dat alleen zij kan weten hoe het is om vrouw te zijn, legt ze zich thuisgekomen op de keukentafel. Met als gynaecologisch instrumentarium twee schoenlepels en een zaklantaarntje laat zij hem zien wat hij nooit werkelijk zal bezitten. Daar is de lol snel van af, en de minnaar staat in een mum van tijd zijn tanden te poetsen alvorens naar bed te gaan. Achter gebleven «open to the world» bedenkt ze waar ze nou eigenlijk ruzie over hadden, waar al die discussies nou om gaan. Ze klimt maar weer van tafel af en ruimt de boel op.

Naar aanleiding van de boeken van Rick Moody, en die van zijn geestverwanten bij het door Dave Eggers geïnitieerde tijdschrift McSweeney’s, wordt vaak de vraag opgeworpen of hier sprake is van ironie dan wel van het uitdrijven van ironie. Moody zelf doet vrolijk mee aan de discussie door af en toe op te merken dat hij de pest heeft aan ironie in zijn boeken.

De eerste regels van zijn nieuwe verhalenbundel Demonology: «Het kippenmasker was bedroevend, zusje. Het kippenmasker werd geacht de zaken te bespoedigen. Het werd geacht de bezoeker uit te nodigen zich vol te proppen in ons etablissement.» Op droge wijze vertelt hoofdpersoon Andy hoe hij voor zijn werk klanten fastfood-zaak Hot Bird binnen poogt te lokken. Hij doet dat op zo’n gelaten, quasi-naïef toontje waarmee ook studenten en scholieren door andermans woorden over te nemen en exact toe te passen, simplistische redeneringen belachelijk kunnen maken.

Als Andy is ontslagen omdat hij onder het roepen van: «Dood gaan we allemaal» een kind heeft aangevallen, gaat hij werken bij Mansion on the Hill: een superdeluxe trouwfabriek die in zeven zalen dagelijks een tiental geheel verzorgde, romantische bruiloften produceert. Uitgebreid vertelt Andy over de verworvenheden van zijn tent, inclusief de goeie parkeerfaciliteiten. Hij vertelt hoe hij zich tot een voorbeeldig werknemer ontwikkelt en dat hij toekomst ziet voor de bruiloftenbusiness. Gelijk de Hot Bird moet Mansion on the Hill een grootse keten worden.

Een en al ironie dus. Daar valt zo op het eerste gezicht ook moeilijk aan te ontkomen als je op dit moment in de van ironie gespeende Amerikaanse rechttoe-rechtaan-maatschappij een boek wilt schrijven. Want het bruiloftenpark van Moody is nog niks vergeleken bij de memo rial parks die in werkelijkheid buiten de grote Amerikaanse steden worden gebouwd en waarin naast uitvaart en bijzetting in een keurig gegazonneerd park ook doopfeest en bruiloft kunnen worden gevierd. En een volwassen vent met een kippenpak aan? Het nieuwste lunapark van Florida heeft als thema de bijbel, met dierentuin in de ark van Noach en in plaats van Mickey Mouse als centraal karakter Jezus Cristus.

Wat moet je als je de wereld om je heen niet sec beschrijven kunt zonder ironisch te worden?

Doorslaan naar sarcasme is iets voor Bret Easton Ellis, popmusici, cabaretiers, filmers en tv-makers. En met eerlijk en onschuldig beschrijven zit je zo weer bij de ironie, want de literaire ironicus stapt al snel in de socratische rol van de wijze die wel beter weet maar met onschuldige ogen kinderlijke vragen aan de orde stelt die zijn opponent verstrikken. Sinds de jaren zeventig kan niemand meer zonder pathetiek de vraag stellen: Why? Bewuste naïviteit bestaat niet.

Toch ontdekken schrijvers als Moody en Eggers dat met eerlijkheid, echtheid en gewoon doen een heel opwindend spel te spelen valt, waarbij het balanceren op de snede van ironie is. Roekeloos spelen zij met de relatie tussen lezer, verteller en de schrijver zelf, en maken volop gebruik en misbruik van het wankele vertrouwen tussen verteller en lezer. Daarom schrijft Moody regels als: «Het volgende dat gebeurde was, vanzelfsprekend, de bloedstollende gil waar ik je al over vertelde. Sorry dat die twee keer in het verhaal voorkomt, maar dat is nou eenmaal hoe het deze keer gaat.»

Ergens merkt een verteller op dat hij eerlijk moet zijn, want als je niet eerlijk een verhaal vertelt heeft het geen zin. Ja ja. Dave Eggers pakte het in A Heartbreaking Work of Staggering Genius heel ingenieus aan door zo’n absurd normaal geschreven, fictie en conventies blootleggende, lange inleiding bij zijn boek te maken dat die vanzelf ironisch wordt. Tegelijk blijft hij constant spelen met het gegeven dat zijn verhaal, dat gaat over de dood van zijn ouders en hoe hij en zijn broertje het vervolgens zelf maar moesten rooien, misschien wel echt waar is. Dat echt-gebeurd-zijn lijkt zijn hele houding zelfs te verklaren.

De drie sterkste verhalen uit de bundel Demonology van Rick Moody zijn daarom niet toevallig alledrie verhalen waarin opeens sprake blijkt te zijn van de dood van des vertellers zus. In bovengenoemd Mansion on the Hill blijkt gaandeweg dat de verteller een monoloog houdt tegen zijn dode zus. Ze is verongelukt in zijn auto, in zijn slecht onderhouden wagen, op de dag voor haar huwelijk, nadat hij haar even had laten rijden. Het zijn wrange gegevens die tot speculeren aanzetten en het groteske en hilarische slot niet zomaar komisch laten zijn. Zonder twijfel het mooiste verhaal is Boys enter the house, waarin de titel als een mantra wordt herhaald om daaromheen te vertellen wat opgroeiende jongens doen. Ze worden vies, spelen buiten baseball, breken binnen de boel af, geven hun moeder een kus, zijn opeens stoer, pesten hun zus, masturberen, hebben al gemasturbeerd, in sta tion-wc’s, in het bos, op het strand. Maar ook zijn jongens lief voor hun zusje dat aan het doodgaan is.

De verteller van het laatste verhaal, Demonolo gy, staat helemaal geen twijfel toe aan de authenticiteit ervan. In alle oprechtheid bekent hij dat hij heeft gefaald. Hij is er niet in geslaagd het verhaal op te schrijven van zijn zus Meredith die plotseling een hartaanval kreeg en even later dood was. Het verhaal eindigt met een lange alinea vol zelfverwijten: literaire verwijten, ingegeven door de wil het leven van zijn zus zijn ware betekenis te geven. Over hoe hij het verhaal beter had moeten opbouwen, meer verhaal had moeten laten zijn, zichzelf meer eruit had moeten schrijven. «I should have a better ending, I shouldn’t say her life was short and often sad.» Hij kon alleen liegen om zijn zus, maar zelfs dat heeft hij ons nu verklapt. Aan ons, we kunnen hem vertrouwen. Echt waar. (Sander Pleij)

Wanda Reisel

Een man een man

Uitg. Querido 280 blz., ƒ 37,50

Twee mannen waren ooit jongens, komen elkaars jeugd binnen, worden volwassen en laten elkaar en elkaars leven niet meer los. Wanda Reisel vertelt dit oerverhaal van een pijnlijke vriendschap die op moord en doodslag uitloopt, in razendsnelle vaart: puntig, meeslepend en dwingend. Ik stapte die mannenlevens moeiteloos binnen, raakte aan twee zeer verschillende milieus, ik was afwisselend en noodzakelijk zowel Duco als Eden. En toch was ik ze tegelijkertijd ook niet. Reisel houdt deze mannen steeds op een afstand, ik hoefde ze niet echt te zijn, werd in de gelegenheid gesteld over ze na te denken. Duco een kwal van een man met een grote bek en een klein hartje, een beginnende patser uit een kil patsersmilieu en Eden toch vooral een zeikerdje, een zelfmedelijdend ventje, beginnende oorwurm en verslaafd aan gemakzucht. Je moet er niet aan denken zo te zijn of te worden. En je denkt er toch aan omdat er iets onafwendbaars is in deze structuur. De schrijfster dwingt ertoe een keuze te maken, ze roept langs slinkse wegen begrip op voor de een en de ander. Ze pendelt tussen deze twee levens als iemand die een kastje opent en roept: nu moet je maar eens beter kijken naar wat hier te zien is. Ze herinnerde me kortom aan mijn eigen afkomst, dat is de kracht van deze opzet: ergens aan herinnerd te worden. Ze suggereert dat er een keuze is in levenslopen, dat deze levens model kunnen staan voor mannenlevens. De een of de ander. Waar was ik toen ik jong was? Wie was ik? Wie ben ik nu? Dit boek hield me klaarwakker.

Het is ook een thriller, in meerdere opzichten een zoektocht naar een uitkomst. Wat is er precies gebeurd? Wie heeft wat gedaan? Hoe heeft het ooit zo kunnen lopen? Reisel zet de lijnen verbluffend goed uit. Ze begint met de afloop en houdt die toch onzeker. Ze tovert een Amsterdams middelbarescholierenmilieu uit de jaren tachtig te voorschijn, alsook een halfgaar oplichtersmilieu, een kunstscene en een vaag gehouden krakerswereld. Ze houdt haar zinnen bij dit alles helder en sereen, geen vaagheid of ondoorgrondelijkheid, in dit boek is daarvoor geen plaats, dat laat de snelheid van het verhaal niet toe. Tegen het einde gaat deze afgedwongen helderheid het overnemen, denk ik, alle lijnen neigen naar elkaar, raken elkaar en dan begint Duco niet langer meer Duco te zijn maar te veel een type te worden dat Duco heet, als ik nog te volgen ben. En Eden wordt de underdog. Het geheimzinnige van hun relatie, de magie daarvan dooft meer en meer uit, misschien was die magie toch te weinig onderwerp van het boek zelf, is die opgeofferd aan de snelheid van het verhaal. Waarom worden jongens eigenlijk precies vrienden van elkaar? En dan worden de stukken fragmentarischer, schematischer, het verhaal is aan de afronding begonnen, je ziet het voor je ogen gebeuren, de afdaling naar het einde is ingezet. The winner takes it all. (Kees ’t Hart)

Sándor Márai

De erfenis van Eszter

Vertaald door Mari Aföldy

Uitg. Wereld bibliotheek 109 blz., ƒ 27,50

De romans van Sándor Márai ademen de bijzondere nostalgie naar verdwenen oorden, mensen en gewoonten, die alleen ballingen zo indringend weten op te roepen. Het is vooral die zoektocht naar de dingen die verloren gingen en de vragen die hierdoor worden opgeroepen die zijn boeken hun kwetsbare schoonheid verlenen. In Márais universum is de werkelijkheid een wankelend gegeven. Zijn personages worden gedreven door de pijnlijke macht van hun herinneringen en illustreren het menselijk onvermogen om te vergeten en in het heden te leven.

In De erfenis van Eszter gaat het om de eenzaamheid en het voorbijgaan van de meedogenloze tijd die oude wonden nooit heelt, de wreedheid van herinneringen waarin hartstocht en verraad steeds weer in scène worden gezet, en het weerzien met iemand die alle gevoelens van liefde, haat en verdriet opnieuw aanwakkert. Het verhaal dat hierdoor ontstaat reikt echter verder en tracht morele principes te ontdekken voorbij de traditionele scheiding in goed en kwaad.

Eszter en haar familieleden raakten lang geleden in de ban van een charmante maar leugenachtige oplichter, Lajos, die ze geld afhandig maakte en er met Eszters zuster Vilma vandoor ging hoewel hij beweerde van Eszter te houden. Vilma was jong gestorven, Lajos met hun twee kinderen achterlatend. Twintig jaar later bezoekt hij Eszter om haar iets te vragen; Eszter en haar oude dienstbode Nunu weten meteen dat het weer om geld zal gaan, of om Vilma’s kostbare diamanten ring die Lajos na haar dood theatraal aan Eszter had geschonken. Wanneer Lajos verschijnt, brengt hij het verleden terug terwijl hij het heden als een om hem draaiend toneelstuk regisseert, en opnieuw lijkt hij iedereen voor zich in te nemen. Toch merkt Eszter snel dat hij gekomen is om haar het laatste af te nemen dat zij nog bezit: haar huis met de grote tuin waar zij en Nunu hun groenten verbouwen.

Lajos symboliseert de schijnbewegingen van het leven, de valsheid en illusie van het streven naar aards geluk en welstand. Hij was niet in staat om lief te hebben, en ook de ring die hij Vilma en later Eszter gaf en die nu door zijn dochter wordt opgeëist, was vals. Lajos zegt te handelen naar een onontkoombare kosmische wet die mensen tot elkaar brengt en weer uiteen drijft. Hij verwijt Eszter dat zij zich aan die wet heeft onttrokken omdat zij weigerde met hem weg te lopen. Nu verwacht hij dat Eszter en Nunu weggaan en hem het huis schenken dat hij zo snel mogelijk zal verkopen.

Eszter stemt erin toe. Haar beslissing lijkt irrationeel en zelfdestructief, maar past in het ordenende systeem dat Lajos haar geschetst heeft. Los van allerlei omstandigheden weet zij dat hij gelijk heeft, omdat zij hem niet gered heeft, omdat zij hém iets schuldig is en niet andersom. Lajos heeft het niet over de werkelijkheid gehad, maar om een waarheid die inherent was aan hun beider levens. Door aan zijn eis te voldoen heeft Eszter haar plicht vervuld. Lajos heeft weer gelogen maar hij had ook gelijk: hij was haar liefde en haar vijand en zij kon hem niet ontvluchten. Hij hoorde bij haar leven, en het is het leven dat een eigenaardig spel met mensen speelt. (Solange Leibovici)

Marie Darrieussecq

Spookverschijningen

Vertaald door Mirjam de Veth

Uitg. De Arbeiders pers, 135 blz., ƒ29,75

De eerste regels: «Mijn man is verdwenen. Hij kwam thuis van zijn werk, zette zijn tas tegen de muur en vroeg of ik brood had gekocht. Het zal zo rond half acht zijn geweest.» De toon is snel gezet. De hoofdpersoon beschrijft nauwkeurig wat er gebeurde toen haar man wegliep.

Wat volgt is een boek dat minder absurd is dan Darrieussecqs vorige boek Zeugzoenen, waarin een jonge, mooie verkoopster in een varken verandert. Spookverschijningen gaat niet over liefde, maar over angst. De vrouw probeert haar man vast te houden en dan blijkt dat haar wereld nauwelijks te beheersen valt als die wordt geregeerd door angst, verlangen en onzekerheid. «Net zoals het moeite kost een punt in de schemering te onderscheiden omdat die hoe meer je ernaar tuurt vervaagt op je netvlies en verdwijnt in het donker, en je er dus een klein beetje naast moet kijken om weer in staat te zijn hem binnen de omtrek van je iris te onderscheiden en te herkennen, zo moest ik om de reden van mijn angst niet uit mijn oog te verliezen proberen de greep ervan te decentreren door middel van vragen.»

Vriendin Jacqueline somt nuchter de mogelijke redenen voor het vertrek op, maar de hoofdpersoon gelooft ze niet. Ze wíl ze niet geloven. Want zijn «wezen» is er nog, het beeld bestaat nog, en liever heeft ze hem onaantastbaar bij zich dan dat hij op een andere plek dan bij haar bestaat. Daartoe wendt ze zich tot de fysica — op de achterflap staat een verhelderend citaat van de schrijfster: «Het is een liefdesroman gezien vanuit de invalshoek van de moleculen. Het is niet de persoon van de echtgenoot die is verdwenen, het zijn zijn atomen.»

Haar man blijft bestaan zolang ze zich voorstellingen van hem maakt. Omdat hij concreet afwezig is, zoekt ze hem in een soort tussenruimte. Maar met het maken van de voorstelling van haar man wordt ze ook zelf het middelpunt van zijn afwezigheid en lost op in een wereld van niet-bestaande dingen. Dat botst. Want wat is nog echt? Door het vertrek van haar man ervaart ze de fysieke afstand tussen lichamen en wordt voor haar de vraag wat het is dat mensen verbindt, de lichamen of de tussenruimte. En waar bestaat die tussenruimte uit?

Om te begrijpen gaat ze schrijven, «op de manier waarop dat verhaal van die verdwijning of liever gezegd het verhaal van de negatieve gevolgen ervan achterliep op mijn leven, zo voelde ik dat ik ging achterlopen op mijn schimmige man, die veel eerder dan ik was vertrokken in ruimtes die mij ontglipten». Een nare bijkomstigheid zijn de ontzettend literaire zinnen: «Ik had het gevoel dat ik zelf een groot trillend warm ding was», of «de gierzwaluwen zetten komma’s in de te wijde winterhemel». (Pieter van Os)