Echt gebeurd? Welnee

Deniz Kuypers houdt met fictie de verschrikkingen op afstand © Sharon Lehm

Het r-woord staat op de kaft, ‘roman’, en ook in een nawoord laat Deniz Kuypers er geen twijfel over bestaan: ‘De atlas van overal is een werk van de verbeelding. Ik heb in dit boek geen getrouw portret willen tekenen van mijn vader, of van Turkije en Nederland in de twintigste eeuw. Dit is geen biografie en zeker geen geschiedschrijving.’ Het zijn volgens hem impressies van een man ‘zoals alleen ik die gekend heb, of die ik misschien wel helemaal niet gekend heb’.

Dit gaat allemaal uiteraard niet helpen, Kuypers’ familie en omgeving zullen dit boek ongetwijfeld lezen als een ‘levensbeschrijving’ van een vader. Ik zie de briefjes, e-mails, telefoontjes en klaagzangen al voor me: dit klopt niet, dat zie je verkeerd, hij was helemaal niet in Berlijn en die moord zat heel anders in elkaar. Maak je borst maar nat!

Toch kaart Kuypers hier een principiële zaak aan: in hoeverre voldoet een ‘levensbeschrijving’ aan al of niet bekende ‘feiten’? Hij beschrijft wel degelijk zijn eigen jeugd, in Twente, als zoon van een vader van Turkse afkomst en van een Nederlandse moeder. Geen fijne jeugd, de vader een potentaat (deze term is van mij), opvliegend, onbetrouwbaar, hij slaat er af en toe op los, is egocentrisch en dwingend, klaagt steen en been, je kunt beter niet te dicht in de buurt komen. De moeder is een veel fijner figuur, al heeft ze de neiging het wangedrag van haar man goed te praten en te relativeren, wat overigens geestige teksten oplevert.

‘Je mag blij zijn dat je vader vroeger zoveel thuis was’, zegt de moeder bijvoorbeeld, terwijl dat nu juist de oorzaak was van veel ellende. ‘Soms weet ik niet of ze dit soort uitspraken echt meent, of dat ze het zegt om er zelf in te geloven’, voegt de verteller er vertwijfeld aan toe. Hij herinnert zich de ruzies en de hele en halve vechtpartijen, maar zijn moeder weet er steeds twijfel over te zaaien. Herinnert hij het zich wel goed? En bovendien deed het allemaal niet zo erg pijn. Ze neemt haar man, een voormalige leraar met schrijfambities, tegen de klippen op in bescherming. Ik begon van haar te houden, trouwens ook de gekwelde verteller, die achteraf zo graag iets van zijn vader wil begrijpen, kreeg een warm plekje bij me. Hij herinnert zich de raarste dingen over zijn vader, maar toch… Wat dreef die man? En zo ontstond deze roman.

Kuypers vraagt zich af hoe zijn eigen rusteloze leven valt recht te praten

De verteller lijdt duidelijk aan het stockholmsyndroom, het merkwaardige verschijnsel dat gegijzelden ondanks alles begrip opvatten voor hun gijzelnemers. In literatuur een veelbeproefd thema. Özcan Akyol werkte er bijvoorbeeld mee in Eus, Alfred Birney in De tolk van Java, Franca Treur in Dorsvloer vol confetti en Murat Isik in Wees onzichtbaar. In Lale Güls fraaie Ik ga leven klinkt ondanks alles toch een voorzichtig verlangen door om trouw te blijven aan ouders en achtergrond.

Iedereen, niet alleen schrijvers, moet in het reine zien te komen met de ‘familieroman’ die men tijdens de jeugd met ouders beleeft. Alles lijkt dan ‘normaal’, maar als je later in aanraking komt met andere levens en je eigen leven op de rails zet, kunnen twijfel en verdriet over vroeger ernstig toeslaan. En uit twijfel komt vaak de beste literatuur voort. Je ziet het bij deze roman die al te opzichtige valkuilen rondom dit thema vermijdt en uit twijfel munt weet te slaan. Al nemen tegen het einde tijdens de ontmoeting van vader en zoon de sentimenten hand over hand toe. Toe maar, dacht ik, laat de tranen maar vloeien, op een dag komt het eruit.

Kuypers vraagt zich steeds dwingender af hoe zijn eigen rusteloze leven valt recht te praten. Lijkt hij op zijn vader? Hij komt er achter dat diens leven niet meer te achterhalen valt. Documenten ontbreken, er bestaan alleen wat vage en steeds mythischer wordende verhalen over een man die er twee volledige gezinnen op nahield. Ook eentje in Turkije. Kuypers moet het doen met verhalen van zijn moeder en zijn zus, met herinneringen aan zijn reizen als kind naar zijn vaders familie en met andere onbetrouwbare geschiedenissen. En juist dan neemt de literatuur het in dit boek over.

Kuypers is op zijn sterkst wanneer hij van zijn vaders leven verhalen maakt, dan krijgt dit boek romankracht. Echt gebeurd? Welnee, maar het aardige is dat je dit als lezer gaat vergeten, het zou zo gebeurd kunnen zijn, want schrijven kan Kuypers en je gelooft hem op zijn woord. Bovendien zegt hij er regelmatig bij dat hij het allemaal verzint. ‘Onderweg naar buiten greep mijn vader een rieten mand om de hazelnoten in te doen. Straks als Ismail wakker werd zou hij met een lange stok waaraan hij een mes had gebonden de bomen inspecteren waar mijn vader al was geweest.’ Dit werkt, je ziet het, Kuypers maakt er een roman van met schurken, helden en kleurrijke scènes in een Turkse dorpsgemeenschap. Met taferelen rondom een moord die zijn vader ooit pleegde. Bedachte scènes uit een bedacht leven.

Hij maakte van een leven literatuur en stelde zich hiermee in staat het gedrag van zijn vader te verdragen en misschien zelfs te begrijpen. Een van de uitgangspunten van literatuur: met fictie de verschrikkingen op afstand houden. Precies dit ondernam Kuypers in deze geslaagde roman.