Thijs Chanowski alias Meneer de Uil

Echt waar

In de jaren zeventig en tachtig vermaakten miljoenen kinderen en volwassenen zich met de komische presentatie van het dagelijkse nieuws in De Fabeltjeskrant. Bedenker Thijs Chanowski werd er beroemd mee, maar niet rijk. Gelukkig was de autodidact op meer terreinen thuis.

Midden jaren zestig van de vorige eeuw kreeg Thijs Chanowski in zijn kantoor aan de Amsterdamse Prinsengracht bezoek van twee Britse filmmakers. ‘Zij lieten mij dierenpoppen van stof zien die zij zelf hadden gemaakt, naar de fabels van Jean de la Fontaine.’ Ter plekke zag de regisseur en producent van tv-programma’s een animatieserie voor kinderen voor zich. Chanowski vroeg Leen Valkenier, voormalig redacteur van De legerkoerier en copywriter bij reclamebureaus, het scenario te schrijven. De twee ontdekten spoedig dat Fontaine’s fabels onvoldoende materiaal bevatten voor een dagelijkse serie. Valkenier bedacht daarop een nieuw kader: een wijze oude uil die de kinderen het laatste nieuws voorleest uit een fantasiebos vol dieren met verdacht menselijke trekjes.

Zo ontstond De Fabeltjeskrant, van 29 september 1968 tot en met 31 augustus 1974 het best bekeken programma op de Nederlandse televisie met één tot twee miljoen kijkers per aflevering. Kinderen en volwassenen vermaakten zich kostelijk met de goeiig-humoristische toespelingen op de actualiteit van alledag. Margaretha Bontekoe scheidde, heel modern toen nog, van haar man Teun Stier en opende vervolgens een vrouwenhuis. De neurotische Juffrouw Mier – ‘Tuuterdetuut!’ – kon model staan voor de vele Nederlandse huisvrouwen die destijds soelaas zochten voor hun ledige bestaan bij een psychotherapeut. Presentator Meneer de Uil kreeg extra allure toen zijn naamgenoot Joop den Uyl premier werd van een hemel­bestormend kabinet, dat ‘leuke dingen voor linkse mensen’ beloofde. Al had Meneer de Uil een heel wat milder temperament dan de fameus dominante Den Uyl. Hij sprak zijn doelgroep aan met ‘lieve kijkbuiskinderen’, en maande hen ter afsluiting: ‘En nu oogjes dicht en snaveltjes toe.’ Hij gaf zelf het goede voorbeeld, steevast onderbroken door nog één laatste knipoog.

Een tweede serie, eveneens geschreven door Valkenier en uitgezonden tussen 1985 en 1989, bleek bijna even populair. Die speelde in op de ontluikende multiculturele samenleving, met exotische nieuwe karakters als Zaza Zebra en Mister Maraboe, afkomstig uit het Derde Dierenbos oftewel de Derde Wereld. Chanowski en Valkenier maakten ook nog een tweede animatieserie. Paulus de Boskabouter was losjes gebaseerd op de populaire kinderboeken van Jean Dulieu – die niet bijster te spreken was over het resultaat.

Thijs Chanowski werd beroemd door Meneer de Uil. Maar hij kon en deed veel meer. Hij maakte muziek met beroemde jazzmusici, ontwikkelde zich tot multimedia-man avant la lettre en stichtte samen met Steve Austen het Shaffy Theater, jarenlang een van dé Amsterdamse podia voor avant-gardetheater. Samen met Austen inspecteerde hij onlangs het geheel gerestaureerde pand aan de Keizersgracht in Amsterdam waarin ooit het Shaffy Theater bloeide: Felix Meritis, ‘Gelukkig door verdiensten’, in 1788 gebouwd door het gelijknamige genootschap van Amsterdamse burgers, kinderen van de Verlichting die hongerden naar kennis.

Net als Chanowski zelf. Media, kunst, knutselen, universiteit en ondernemerschap – op al deze terreinen wist de onbevangen autodidact zich te onderscheiden, niet gehinderd door eerbied voor gevestigde reputaties. Zijn even toevallige als succesvolle loopbaan bevat wijze lessen voor de huidige overheid, die met de ene hand de ‘creatieve industrie’ wil bevorderen en met de andere de kunsten uitlevert aan de economische crisis. Thuis in het Noord-Hollandse Bergen put Chanowski, 83 inmiddels, urenlang uit zijn herinneringen, af en toe geholpen door Austen en door zijn vrouw Josine van Noord.

Thijs Chanowski werd geboren in 1930 in Hamburg uit het huwelijk tussen een Wit-Rus en een Nederlandse. Zijn vader overleed al snel. Er volgde een rommelige jeugd, verstoord door twee stiefvaders, de Tweede Wereldoorlog en talloze verhuizingen. Zo woonde hij korte tijd in Bergen, in villa De Zandhoeve, het huidige Blooming Hotel. Thijs zat daar op de lagere school met de kinderen van schilders als Charley Toorop en Eddy Fernhout. ‘Dat was mijn vuurdoop in de kunsten.’ Hij schilderde zelf ook. Waterlelies vooral, Fernhout deed hem voor hoe dat moest.

Het gezin, herhaaldelijk gebroken en weer herenigd, was welstandig, maar dat kon een gebrek aan warmte en geborgenheid niet compenseren. ‘Ik heb nooit ergens langer dan één jaar op school gezeten.’ Vrienden kon hij daardoor niet maken. ‘Ik zat op mijn kamertje en amuseerde mezelf.’ Hij bleef schilderen en begon ook te musiceren. Op een contrabas die hij zelf had gemaakt, van een theekist en een oud gordijnkoord. Hij kocht zijn eerste 78-toerenplaat: Ol’ Man Rebop van Dizzy Gillespie. Om hem te kunnen afspelen bouwde hij zelf een grammofoon. Muziek maken hield hem overeind. Toen zijn derde vader dat merkte, kocht hij een echte bas voor Thijs. ‘Zo’n heel goedkope, van triplex.’

Noch de lagere school, noch de hbs heeft hij ooit afgemaakt. Ook de Autotechnische School niet, die hij in Apeldoorn twee jaar lang bezocht. ‘Ik vond het wel leuk daar. Ik leerde lassen, smeden en technische tekeningen maken.’ Op zijn zeventiende ging hij werken voor zijn groot­ouders in Arnhem, eigenaren van twee modezaken. Zij stuurden hem naar Parijs, om stoffen in te kopen en de modewereld te leren kennen. De triplex bas sjouwde hij mee, ook op de open achterbalkons van de Parijse stadsbussen uit die tijd. Een buspassagier nam hem mee naar de jazzkelder Chez Inez. Thijs werd een van de vaste bassisten van de club. In de zomer reisde hij met de muzikanten mee naar Saint-Tropez. Daar werkte hij overdag en maakte ’s avonds muziek. Na de sessies zakte het gezelschap af naar Bar Le Gorille, genoemd naar zijn zwaar behaarde uitbater, en de nachtclub Tropicana. Zo raakte Thijs bevriend met beroemdheden als Don Byas en jazzviolist Stéphane Grapelli. Sacha Distel, de toenmalige minnaar van Brigitte Bardot, kwam ook vaak meespelen.

Bij terugkeer in Arnhem, anderhalf jaar later, viel Chanowski met zijn neus in een vergelijkbaar pak boter. Hij mocht komen inwonen bij de vermogende weduwe van de stichter van de Algemeene Kunstzijde Unie. Als enige tegenprestatie verlangde zij dat de nieuwe kostganger af en toe aanschoof bij haar bridgekransjes. Daar ontmoette hij Binne Groenier, directeur van de Arnhemse toneelschool, actrice Ingeborg Elzevier en kunstenaar Klaas Gubbels, die een van zijn beste vrienden zou worden. Via Groenier en Arend Hauer, docent aan de toneelschool en de vader van Rutger, kwam hij in contact met de pioniers van de Nederlandse omroep.

Het was eind jaren vijftig; radio en televisie veroverden de Nederlandse huiskamers. Chanowski zei de mode vaarwel en sloot zich aan bij deze revolutie. Ger Lugtenburg van de Avro vroeg hem een show te regisseren van The ­Skymasters, de legendarische big band. Thijs was de eerste Avro-regisseur die zelf musiceerde. ‘Tijdens de opnamen zei ik tegen de geluids­technici: “Over acht maten zet de piano in, dan moet je dat kanaal wat harder zetten.” Dat hadden ze nog nooit meegemaakt.’ Door zijn veel­zijdigheid brak Chanowski snel door. Hij bedacht en maakte destijds populaire programma’s als de Lou van Burg Show en Domino, met alle grote Franstalige sterren uit die tijd: Edith Piaf, ­Gilbert Bécaud, Jacques Brel, Juliette Gréco.

Hij werkte als regisseur en producent tegelijk – in zijn werk voor de omroep hield hij alle touwtjes zelf in handen. Toen de Avro-directeur Karel Prior besloot regie en productie strikt te scheiden, kwam het tot een breuk. ‘Plotseling kreeg ik briefjes met: “Dan en dan komt die en die dat en dat zingen.” Die stuurde ik terug met heel groot “LUL!” erop geschreven. Ik zei: als ik een show doe, bepaal ik ook de inhoud.’

Prior boog niet en in 1961 begon hij voor zichzelf in Amsterdam, onder de naam Chanowski Productions. Aanvankelijk maakte hij vooral kunstprogramma’s voor de nts, de voorloper van de nos. Maar spoedig kruisten zijn oude en nieuwe werkterreinen elkaar: hij werd producent en regisseur van modeshows in de Rai, met film, dia’s en muziek. ‘Dat deed toen nog niemand.’ Zijn inspiratiebron was het Tsjechische Laterna Magika, dat hij had gezien tijdens de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1958. Black theatre – optische illusies met behulp van verduisterde ruimtes en UV-licht – gecombineerd met dans en film. ‘Je zag bijvoorbeeld een danseres dansen met een wit bord waarop zij zelf werd geprojecteerd. Ze begon een verhaal te vertellen. Midden in een zin verscheen plotseling een scherm waarop zij verder praatte, terwijl de “echte” danseres wegliep.’

Chanowski was gefascineerd. Zijn modeshows richtte hij in met schermen waarop hij dia’s en filmpjes kon vertonen. ‘Ik liet close-ups maken van details zoals kragen, mouwen en sieraden. Die projecteerden we dan terwijl de modellen de kleding showden. Zo kreeg het publiek veel meer te zien.’ Ook schakelde hij als een van de eersten ter wereld televisieschermen aan elkaar, zodanig dat hij op al die schermen één groot beeld kon tonen, of juist symfonieën van verschillende dia’s of filmpjes. Het mega­scherm werd een hit op congressen.

‘Het waren geen echte uitvindingen’, relativeert hij zelf. ‘Eerder betere doorontwikkelingen van wat anderen hadden bedacht.’ Natuurlijk ging er ook het nodige mis. Zo bedacht hij de ‘spot-o-theek’, een soort beeldbibliotheek van reclamefilmpjes. ‘Op 8mm-film nam ik alle spotjes op, met camera’s die ik had gesynchroniseerd met de tv. Ik dacht: dat vinden reclamemakers vast geweldig. Maar niemand toonde enige interesse.’ Ondanks Chanowski’s talent voor knutselen was de techniek voor hem bijzaak. Hij had vooral de bijzondere gave om van tevoren, in zijn hoofd, te bedenken wat de beste manier was om een boodschap met beelden te versterken – of het nou een modeshow was, een congres of een tv-programma. ‘Wij zeggen niet voor niets: ik zit vóór de televisie, en áchter de computer. Hoe wij kijken, bepaalt hoe je iets moet tonen.’

Ramses Shaffy was destijds een rising star. De zanger en acteur stond onder contract bij Henk van der Meijden, maar Mister Privé wilde van hem af. Waarom weet Chanowski niet precies, maar het zal wel iets te maken hebben gehad met Shaffy’s romantische en losbandige levensstijl. Je moest altijd maar afwachten of het grote talent op de afgesproken tijden kwam opdraven. Chanowski besloot zich over Shaffy te ontfermen. Hij bombardeerde een jonge werkstudent bij zijn bedrijf tot de chauffeur die de zanger naar zijn optredens en daarna weer naar huis moest rijden. Zijn naam was Steve Austen.

Op zoek naar een vaste speelplek in Amsterdam viel Ramses’ oog op Felix Meritis. In het pand huisde destijds de Communistische Partij van Nederland. Dagblad De Waarheid werd er geschreven en gedrukt. Maar de filmzaal van Felix, bij Amsterdammers bekend vanwege de Russische kinderfilms die er na de oorlog werden vertoond, stond leeg. Shaffy wilde hem graag huren. Austen en Chanowski gingen op onderzoek uit. ‘De cpn’ers vonden het een prima idee. Met hen bleek heel goed samen te werken.’ Het duo improviseerde zitbanken van verzaagde spoorbielsen, bekleed met schuimplastic en daar overheen echte Perzische tapijten, uit een onverkoopbare voorraad die tapijthandel Perez nog ergens had liggen. Op de lijst tussen de muren en het dak van de zaal schilderde iemand: ‘Where There Is Ego, There Is No Go’.

Zo ontstond het Shaffy Theater, dat net als Paradiso en De Melkweg al snel ging behoren tot de hottest tickets in town. Ramses was de grote trekpleister, maar het publiek kwam ook voor de sfeer, voor het gevoel daar te zijn waar ‘het’ gebeurde. De zaal zat avond aan avond vol ofschoon de kaartjes tien gulden per stuk kostten, een fors bedrag in die tijd. Het systeem van kunstsubsidies bestond nog niet. De gemeenten zorgden voor de schouwburgen en concert­zalen. De bespelers hadden hun eigen boontjes te doppen, afgezien van een paar ensembles – de Nederlandse Comedie in de Stadsschouwburg, het Concertgebouworkest in het Concert­gebouw – die geld kregen van het rijk. Iedereen hielp elkaar. De Nederlandse podiumkunsten draaiden op vriendschap en vertrouwen.

Zo werd de Stadsschouwburg de facto niet gerund door de directeur, maar door de secretaris van de Nederlandse Comedie, barones Van Heemstra. Zij was dol op Shaffy, die af en toe nog een rol speelde bij het gezelschap. ‘Dankzij die band konden wij altijd bij haar aankloppen om kostuums of decorstukken te lenen.’ Er was een Nederlands Theater Centrum, dat toneelkaartjes verkocht via personeelsverenigingen van bedrijven. Als je daar de juiste mensen kende, en ze geloofden in je, dan wilden ze uit hun toekomstige kaartverkopen wel eens een voorstelling voorfinancieren die nog gemaakt moest worden. Ook op het stadhuis moest je de weg weten. ‘Sommige ambtenaren gaven je geld zonder dat er een politicus aan te pas kwam.’

In die omgeving groeide Austen al snel uit van Shaffy’s chauffeur tot zijn producent. Hij had alleen één groot probleem: ondanks het succes was de nieuwste sideline van Chanowski Productions structureel verliesgevend. ‘Het aantal stoelen was maar klein en Ramses trad op met zeker tien anderen, die allemaal betaald moesten worden’, zegt Austen. In 1970 had Austen tachtig mille aan onbetaalde rekeningen uitstaan. In een weekend belde hij Han Lammers, de pvda-wethouder die later berucht zou worden om zijn bestuurlijke daadkracht, vanwege de halve burgeroorlog rond de aanleg van Amsterdams eerste metrolijn. Maar Austen had er baat bij. ‘Kom maandag maar naar het stadhuis’, zo kreeg hij te horen. Daar trof hij de wethouder en het gemeentelijk hoofd kunstzaken. De laatste had weinig op met de nieuwlichters die de hoofdstad destijds op stelten zetten. Maar Lammers instrueerde hem ter plekke 25.000 gulden naar het Shaffy Theater te gireren. Dat bedrag lenigde niet alleen Austens ergste nood, het legde ook de basis voor latere gemeentelijke subsidiëring.

Zo groeide de voormalige werkstudent uit tot een heuse theaterdirecteur. Maar hij bleef vooral ondernemer. Een echte manager zou hij nooit worden. Net zo min als Chanowski, die zijn megahit De Fabeltjeskrant niet te gelde wist te maken, ofschoon de serie werd geëxporteerd naar zo’n veertig landen. ‘De omroep betaalde ons voor de productie 2500 gulden per aflevering. Dat was een heel krap budget.’ Een zekere Mark Spits wilde de merchandising wel doen. ‘Hij bood tienduizend gulden als we hem de exploitatierechten gunden.’ Spits is er miljonair mee geworden, Chanowski niet. ‘Een land als Marokko betaalde vijftien gulden per aflevering. Na jaren kregen we onze kopieën terug met nietjes erdoor.’ Een zekere Carla bedacht een Fabeltjeskrant-toneelvoorstelling voor scholen. Chanowski vond het prima. ‘Zo heb ik Joop van den Ende leren kennen. Hij was de chauffeur die voor Carla bij ons de poppen kwam ophalen.’ Het kon hem niet schelen dat hij het grote geld misliep met Meneer de Uil. ‘In 1959 kocht ik mijn eerste huis, aan de Nieuwe Prinsengracht. Zeven jaar later verkocht ik het twee keer zo duur. Dát was pas rijkdom.’

Chanowski bleef vooral doen wat zijn hart hem ingaf. In 1971 leerde hij zijn vrouw Josine kennen, zelf scenarioschrijver. Zij nam hem mee naar voorstellingen van het Werkteater van Shireen Strooker en Joop Admiraal. ‘Daar was Thijs helemaal kapot van’, vertelt ze. Het leidde ertoe dat hij twee Werkteater-films regisseerde: Toestanden (1976), over psychiatrische instellingen, en Camping (1978). Het leverde nauwelijks een cent op, maar hij won er de Prix Italia mee en een nominatie voor de Gouden Beer op het filmfestival van Berlijn.

Intussen groeide uit de knutselaar een serieuze multimediale techneut. In 1974 werd Chanowski regisseur van de tv-serie De vloek van Woestewolf voor de nos, op een script van Paul Biegel. Voor die serie maakte Carl Hollander tekeningen met perspectief. Chanowski nam de acteurs in de serie op tegen een blauwe achtergrond. Met twee camera’s: één was gericht op de acteur in de verder lege studio, één op Hollanders tekeningen. Hij synchroniseerde die camera’s met Bowden-kabels, gekoppeld aan een tweedehands versnellingsbak, om het verschil in schaalgrootte tussen de acteur en de veel kleinere tekening te compenseren. In de montage vulde hij de lege blauwe achtergrond in met de opnamen van de tekeningen.

Deze techniek heet chroma key, en Chanowski was een van de eersten ter wereld die ermee werkte. ‘Eerst in zwart-wit, later in kleur.’ Vier jaar na Woestewolf stuitte hij op een advertentie in het Amerikaanse vakblad The Cinemato­grapher. Daar werd een ‘nieuwe uitvinding’ te koop aangeboden, voor driehonderdduizend dollar. Het was ‘zijn’ chroma key-machine. Weer had Chanowski er geen cent aan verdiend.

In de jaren zeventig ging hij ook werken voor Philips in Eindhoven – dankzij de eerste cameraman van Nederland, Vara-pionier Erik de Vries. Daar was de beeldplaat uitgevonden, een soort langspeelplaat die foto’s en films kon vastleggen. Chanowski begreep het potentieel van deze innovatie beter dan de verkopers en boekhouders die bij Philips de dienst uitmaakten. Samen met Aart Gisolf maakte hij Ouder worden, een van de eerste films die de kijker kon manipuleren – nu zouden we dat interactiviteit noemen. Eén Eindhovenaar zag in dat hier iets bijzonders was verricht, een Turkse Philips-manager die luisterde naar de naam Buktas. ‘Hij tekende voor de aankoop van dertig procent van Chanowski Productions, en nam meteen afscheid: hij had inmiddels een andere baan binnen Philips.’ Buktas’ opvolger kwam uit de baksteenindustrie. ‘Toen heb ik mijn aandelen meteen weer teruggekocht.’

Toch zou Chanowski Philips tien jaar lang blijven bestoken met ideeën en uitvindingen, soms van hemzelf, soms van anderen. Samen met ruimtevaarder Wubbo Ockels bedacht hij een systeem voor onderhoud op afstand. ‘Dat hebben we nog vanuit Eindhoven getest op een onderwatercabine ergens in Noorwegen. Het werkte. Later hebben zowel de Amerikanen als de sovjets het in hun ruimtevaartprogramma’s gebruikt.’ Voor de havenschool in Rotterdam ontwikkelde hij een simulator waarmee havenwerkers konden leren containers te laden en te lossen. ‘Ampex, een grote Amerikaanse onderneming in Silicon Valley, zou die haven­simulator gaan bouwen. Daar werkten zesduizend man, aan mijn kant zes. Ze wilden een joint venture met mij aangaan. Ik mocht het contract dicteren.’ Chanowski kwam te spreken met een Ampex-manager. De man bleek net als hij familiewortels te hebben in de Poolse stad Lvov. Dat brak het ijs. ‘Ampex had net een Emmy Award gewonnen en hij was dronken. “Hoeveel moet je hebben?” vroeg hij.’

Weer kwam er niets van terecht. Al deze vondsten waren gebaseerd op de beeldplaat. ‘Het mooie van dat ding is dat het een drager is voor foto’s en films. Die geven een veel realistischer beeld dan computeranimatie.’ In de handen van Philips veranderde dit goud echter in modder. ‘Beeldplaten worden nog steeds over de hele wereld gebruikt. Maar ze komen uit Japan, al jaren niet meer uit Eindhoven.’

Chanowski’s echte doorbraak kwam toen hij geïnteresseerd raakte in de ontsluiting van data, de goudmijn van het internet. ‘Ik ontmoette Hans Paaijmans, een jongen uit Tilburg die een vrije-tekstzoekprogramma had bedacht.’ Wat dat is, maakt Chanowski duidelijk aan de hand van een treffende metafoor. ‘Als je via Google een naald in een hooiberg zoekt, geeft Google je de naalden. Hans en ik gaven je de boerendochter.’ Het zoeksysteem Freebase dat hij met hulp van Paaijmans ontwikkelde, werkt associatief. Net als de mens. ‘Als je denkt aan Beatrix, denk je al gauw aan Claus. Dat lijkt op Santa Claus, en zo kom je vanzelf op Sinterklaas.’

Zijn latere doorontwikkeling van Freebase herdoopte Chanowski tot AquaBrowser. ‘Aqua is water, vloeibaar. Het staat voor zoeken zonder hiërarchie. De beste vondsten doe je namelijk juist vaak wanneer je niet zoekt. Wat ik heb verdiend, kwam meestal voort uit toevalligheden.’ Nicholas Negroponte van het gerenommeerde Massachusetts Institute of Technology liet Chanowski voor drieduizend dollar participeren in een uitwisseling van technische gegevens. De AquaBrowser wist Chanowski voor de verandering eens goed te verzilveren. De koper was bso/Origin van Eckart Wintzen, net als hij een voormalige roepende in de woestijn die Philips heette. ‘Van de opbrengst heb ik dit huis kunnen kopen’, zegt Chanowski, om zich heen gebarend in zijn huidige riante woning in Bergen. Wat hem niet belette de AquaBrowser weer terug te kopen toen bso opging in het huidige Atos Origin.

Dankzij Wintzen werd Chanowski in 1995 benoemd tot buitengewoon hoogleraar databases en zoeksystemen aan de Universiteit van Amsterdam. De UvA moest daar wel een jaar over vergaderen. Tenslotte had hij noch de lagere, noch de middelbare school afgemaakt – laat staan een universitaire studie.

Chanowski noemt het wetenschappelijk klimaat aan de UvA ‘onwaarschijnlijk’. ‘Er zijn hoogleraren die hun studenten leren hoe je trams moet besturen, volgens een methode uit 1914.’ Wat jpeg is, moest hij ze uitleggen. ‘Het eerste wat ons onderwijs doodt in studenten is hun nieuwsgierigheid.’ Ooit telde Nederland ook buiten de universiteiten gerenommeerde onderzoeksinstituten, zoals het befaamde Natuurkundig Laboratorium van Philips. ‘Maar daar is niets van over. Hun vrije en creatieve setting is vervangen door een puur commerciële aansturing.’

Vernieuwing en verandering gedijen bij een zekere anarchie, in de kunsten en in de wetenschap. Maar die is verdrongen door een tweekoppig monster: het rendementsdenken dat het bedrijfsleven is gaan beheersen, en de beleids- en regelzucht van de overheid. In Amsterdam is het voormalige terrein van de adm-werf, waar Steve Austen dertig jaar geleden het Festival of Fools organiseerde, al lang bebouwd met woningen. Ook andere vrijplaatsen in de hoofdstad staan onder druk van lucratieve projecten voor huizen en kantoren, zoals de ndsm-werf verderop aan de noordoever van het IJ. ‘Creatieve industrie’ is een kwestie van toestaan, laten gebeuren. Dat verdraagt zich slecht met speerpuntbeleid voor een ‘topsector’, hoe goedbedoeld ook.

Het is een klein wonder dat Felix Meritis, voorheen het Shaffy Theater, in dat klimaat kon overleven. Steve Austen en zijn nazaten wisten de oude tempel van de Verlichting meermalen van de ondergang te redden. Nog onlangs sneed de gemeente Amsterdam drastisch in haar jaarlijkse subsidie. De stichting voorziet nu deels in haar inkomsten door het gebouw te verhuren aan derden. Zo was er op 11 juni jongstleden een congres gaande. In de zaal waar Ramses Shaffy ooit zijn triomfen vierde, stond een seminar ‘Valorisatie en beleid’. De Teekenzaal bood onderdak aan ‘Publiek-private samenwerking’, de Koepelzaal aan ‘Ondernemerschap en beleid’. Organisator was de Science Alliance. Een jonge medewerker legde enthousiast uit dat deze organisatie wetenschappers leert ‘hoe je van kennis kassa kunt maken’.