Essay: Over heksenvervolging en bevolkingspolitiek

Echtbreeksters, hoeren en concubines

Heksen waren in de Middeleeuwen geen carnavaleske toverkollen, maar experts op het gebied van zwangerschapspreventie. Tegen hun soort ‘tovenarij’ kon volgens Rome niet streng genoeg worden opgetreden. Dezelfde hypocrisie zien we nu in ontwikkelingslanden.

DE HEKS BEHOORT sinds jaar en dag tot de populairste figuren in de carnavalsoptochten, die binnenkort weer door de steden en dorpen in het katholieke zuiden zullen trekken. Meestal ziet ze er weinig aantrekkelijk uit, zoals de heks in de sprookjes van Grimm: oud, kromme rug, haakneus, het gezicht half schuilgaand achter strakke haarpieken, zwarte kat of kraai op een schouder. Niet zelden heeft ze een pact gesloten met de duivel. Samen hebben ze het gemunt op types die bespot, aangeklaagd, gestraft of tot de orde geroepen moeten worden: mensen uit eigen kring die zich ‘misdragen’ hebben, buitenstaanders die per definitie een bedreiging vormen. Daarmee lijkt de carnavalsheks in een oude traditie te opereren, maar toch is dat bij nadere beschouwing nog de vraag.

Op z'n laatst sinds de studies van Herman Pleij weten we dat de huidige carnavalsoptochten teruggaan op laatmiddeleeuwse winterfeesten, die werden gekenmerkt door de ironie van de omgekeerde wereld: gedrag dat als wild en onverantwoordelijk werd beschouwd, werd quasi, voor de duur van de feesten, aangemoedigd. In feite demonstreerden de luieriken, vreetzakken, drinkebroers en overspeligen juist gedrag dat in normale tijden als ongewenst werd beschouwd. Nu mochten ze nog even de beest uithangen, als ze maar beseften dat dit een uitzonderingstoestand was. De meestal impliciete boodschap van vastenavondgrollen en daarmee verwante teksten was duidelijk: alleen standvastigheid in het leven - te verkrijgen via huwelijk, wijsheid of rijkdom - kan een eind maken aan deze onbezonnen en gevaarlijke wildheid.

Het lijdt geen twijfel dat de carnavalsheks, gemodelleerd naar de afzichtelijke toverkollen van Grimm, reële wortels heeft in oeroude volksverhalen. Maar die heks is geen representant van het gezag, ze is een handlanger van de duivel, verantwoordelijk voor natuurrampen, mislukte oogsten en epidemische ziekten. In Hans en Grietje is ze, zoals bekend, een kindermoordenaar en kannibaal: 'Als er een kind in haar macht kwam, maakte ze het dood, kookte het en at het op, en dat was voor haar een feestdag. Heksen hebben rode ogen en kunnen niet ver zien, maar ze hebben een goede neus, net als dieren, en ze merken het als er mensen aankomen.’

Maar er waren ook andere heksen, geraffineerder, geschikter om mannen te verleiden tot het kwaad en andere duivelse plannen uit te voeren, in feite dus ook geschikter voor de omgekeerde wereld van het carnaval. Die heksen waren jong, knap en sexy, zoals Mariken van Nieumeghen (nadrukkelijk in de orgiastische filmversie van Jos Stelling uit 1974). Zij beschikten over indrukwekkende magische krachten, ze hadden verstand van hallucinogene kruiden, hadden geen last van de zwaartekracht, konden toveren en vliegen. Dat is de heks die in de jaren zeventig door feministische historici werd ontdekt: de zelfbewuste, wijze vrouw die in de overgang van Middeleeuwen naar nieuwe tijd aan gruwelijke vervolging blootstond en dus aan herwaardering toe was.

De 'feministische’ heks vertegenwoordigde de geheimzinnige wereld van het irrationele, van de op traditie en intuïtie, op ervaring en oefening berustende kennis, die haaks stond op de rationele, op natuurbeheersing gerichte techniek en wetenschap die het domein van de man was. Dat deze heks nog altijd zijn fascinerende kanten heeft, bewijzen onze eigentijdse heksen. Voor de schrijfster Susan Smit is heks zijn, zonder enige ironie, 'net zoiets is als christen, jood of boeddhist zijn’. De geschiedenis van de beeldende kunst laat zien dat deze heks, althans wat haar verleidelijke uiterlijk betreft, wel degelijk bestaan heeft - zie bijvoorbeeld de vroeg zestiende-eeuwse schilderijen en gravures van Hans Baldung Grien, die als verklaard tegenstander van de heksenvervolging geen geheim maakte van zijn sympathieën.

TOCH IS HET DE VRAAG of 'de’ heks, althans de heks die het slachtoffer was van eeuwenlange vervolging, daarmee voldoende is getroffen. En als dat zo is, wat kan dan de reden zijn voor de mateloze woede van de vervolgers? Waren de irrationele heksenpraktijken werkelijk zo aanstootgevend en bedreigend dat kerk en staat alles op alles zetten om hen op de meest gruwelijke wijze uit te roeien? En wat is het dan precies wat zo aanstootgevend was, toch niet enkel hun kennis van kruiden of hun rituele prevelementen? Aan die hocus pocus moest men dankzij kerk en kermis toch wel gewend zijn? Schattingen over het aantal slachtoffers lopen sterk uiteen, de meest betrouwbare komen in de buurt van de vijfhonderdduizend, maar te denken geeft dat het daarbij weliswaar in meerderheid maar niet uitsluitend om vrouwen ging - tussen de tien en twintig percent was man. Maakt dat de feministische theorie niet onwaarschijnlijk?

Een paar jaar geleden stuitte ik op een boek dat alles wat ik dacht te weten over heksen op losse schroeven zette. Van de auteurs, Gunnar Heinsohn en Otto Steiger, had ik nooit gehoord; de een was socioloog en demograaf, gespecialiseerd in genocide- en xenofobieonderzoek, de ander macro-econoom en geldtheoreticus. De titel van het boek: Die Vernichtung der weisen Frauen (1985). Zelden heb ik een wetenschappelijk boek, een boek dat bol staat van de onderzoeksgegevens en cijfers, schattingen en hypothesen, zo zeer met rooie oortjes gelezen als dit. Het was in Duitsland indertijd een bestseller, werd in diverse landen vertaald maar bleef in Nederland onopgemerkt; ik ben het althans in geen enkele bibliografie van ter zake doende boeken tegengekomen.

Heinsohn en Steiger waren bij toeval in het heksenonderzoek terechtgekomen, hun eigenlijke interesse gold de sterke bevolkingsgroei in Europa vanaf 1400 en in het bijzonder de bevolkingsexplosie in de achttiende en negentiende eeuw. Curieus genoeg waren juist de armste gezinnen, die er bij gebrek aan erfgoed belang bij hadden hun kindertal beperkt te houden, het meest kinderrijk; kennelijk had men geen weet meer van geboortecontrole. Hoe was dat mogelijk? Want in tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt was die kennis in de 'duistere’ Middeleeuwen wijd verbreid: eeuwenlang lag het gemiddelde kindertal op het gewenste aantal van twee à drie per gezin. De conclusie was onvermijdelijk: de kennis over geboortebeperking en gezinsplanning moet onwaarschijnlijk lang, tot aan het eind van de negentiende eeuw, zijn verdrongen. Dat bevreemdt des te meer omdat juist toen het wetenschappelijke, rationele en verlichte denken in Europa volop tot ontwikkeling kwam.

De grote ontdekking van Heinsohn en Steiger is niet het resultaat van onnavolgbare, hoogspeculatieve interpretaties, wel van het met elkaar in verband brengen van verschijnselen uit verschillende werelden. Wat heksen vooral zijn, buiten alles wat we al eerder wisten, staat expliciet in het geschrift dat het propagandistische begin markeert van de massale vervolgingen, te weten de Heksenbul (1484) van paus Innocentius VIII - in het licht van zijn terreurcampagne een wel zeer hypocriete naam.

Heksen blijken 'zeer veel personen van beiderlei geslacht’ te zijn 'die met hun tovenarijen geboorten verhinderen’, ofwel: vroedvrouwen (of -mannen) die ook experts waren op het gebied van de zwangerschapspreventie en -onderbreking. Tegen deze tovenarijen helpen alleen de strengste straffen, dus roept de paus de ketterjagers van de inquisitie op hun werk grondig te doen en geen genade te kennen; wie zich van zijn verordening niets aantrekt moet weten dat hij 'de toorn van de almachtige God over zich afroept’. Met religieus fanatisme heeft dat weinig te maken, het gaat Innocentius erom de diep in de volkskennis verankerde geboortecontrole uit te roeien.

Drie jaar na de Heksenbul verscheen het wel invloedrijkste geschrift uit de geschiedenis van de heksenvervolging, de zogenaamde Heksenhamer, officieel Malleus maleficarum geheten, geschreven door Heinrich Institor en Jakob Sprenger, Dominicaanse inquisiteurs. Zich nadrukkelijk beroepend op Innocentius richten de auteurs zich tegen de vrouwen die 'eerder ontbranden van de vervulling van hun kwaadaardige lusten’ dan van het moederschap; liever zijn ze 'echtbreeksters, hoeren en concubines’ dan zich te bekommeren om nageslacht. Zij klagen de 'zevenvoudige hekserij’ aan die 'de ontvangenis in het moederlichaam’ verhindert. Onvruchtbaarheid is een door het volk gewenste 'tovenarij’ waar niet streng genoeg tegen kan worden opgetreden. Duiveluitdrijving betekent nu primair heksenmoord.

Niet alleen van kerkelijke kant werd de terreur tegen de 'wijze vrouwen’ afgeroepen. Het ging ook niet primair om afkeer van fysieke lust; het ging om kennis van de anticonceptie, en die was ook de vroegburgerlijke staatkundige bevolkingspolitici van de zestiende eeuw een doorn in het oog. In dit verband dient vooral Jean Bodin (1530-1596) genoemd te worden, universeel genie van de nieuwe tijd, politiek filosoof en grondlegger van het moderne soevereiniteitsconcept. Hij kende de staat absolute macht toe, ook op economisch gebied; de staat was in zijn ogen verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen van arbeidskrachten voor de economie. Als grondlegger van de wereldgeschiedschrijving was Bodin, net als Machiavelli, in het bijzonder geïnteresseerd in het Romeinse Rijk, waarvan hij de ondergang primair weet aan gebrek aan arbeidskrachten, mede als gevolg van een wijdverbreide abortuspraktijk en het doden van zuigelingen.

In zijn even populaire als sadistische De la démonomanie des sorciers (1580) roept Bodin derhalve op tot genadeloze vervolging van alle 'hekserij’. En daarbij heeft hij het niet gelaten, de grote rationalist heeft eigenhandig voorgedaan hoe het folteren in zijn werk moest gaan. Vooral het schroeien van het slachtoffer met een gloeiende pook, ter voorbereiding van het 'uitsnijden van het verbrande vlees’, vond hij van belang. Te snel mocht het slachtoffer niet sterven. Voor een levend verbrande vrouw die eigenlijk eerst had moeten worden opgehangen, levert hij deze rechtvaardiging: 'Dat is echt geen fout. Het is eerder een rechtvaardig oordeel Gods, die ons eraan herinnert dat geen misdaad de brandstapel meer verdient dan deze.’

Heksen waren dus geen heerseressen in het rijk van het irrationele, ze beschikten over alleszins nuttige kennis. Ook was hun vervolging geen terugval in middeleeuwse barbarij, maar middel in een rationele bevolkingspolitiek. Ze moesten worden uitgeroeid omdat Europa gebukt ging onder een groot tekort aan mensen, lees: arbeidskrachten.

Want dat is de crux van de theorie van Heinsohn en Steiger: na de grote pestepidemie (1348-52) en de mislukte oogsten was de Europese bevolking tussen 1300 en 1400 dramatisch teruggelopen, van 73 naar 45 miljoen, zodat grote delen van de adellijke en kerkelijke landerijen braak kwamen te liggen en er ook in de steden een schrijnend tekort aan arbeidskrachten ontstond. Dat tekort kon alleen teniet worden gedaan door de 'mensenproductie’ van overheidswege krachtig te stimuleren. En aangezien men daar begrijpelijkerwijs niet vrijwillig toe overging, kon dat alleen door de kennis over geboortebeperking te vernietigen.

De vervolgingen begonnen in 1360, toen de Europese bevolking zich op een dieptepunt bevond. In 1500 telde Europa alweer 69 miljoen inwoners, in 1600 negentig miljoen en in 1900 maar liefst 460 miljoen; het geboorteoverschot moet nog hoger hebben gelegen, aangezien vele miljoenen Europeanen het continent in de loop der eeuwen voorgoed hebben verlaten. Heinsohn en Steiger zien in deze voor die tijd unieke bevolkingsexplosie de demografische voorwaarde voor het Europese kolonialisme en imperialisme, maar die redenering zal ik hier niet verder volgen.

EN DE CARNAVALSHEKS? Wat valt er tegen deze achtergrond nog over 'haar’ te zeggen? Dat ze in de optochten alleen als toverkol populair is, lijkt me symptomatisch voor de verandering die het carnavalsfeest in moderne tijden heeft ondergaan. In de late Middeleeuwen was het, zoals gezegd, het feest van de omgekeerde wereld: de minst bedeelden en de laagst geplaatsten hadden tijdelijk de macht. Met hun groteske vermommingen, hun infantiele pies-, poep- en seksgrappen en hun alle grenzen van de betamelijkheid overschrijdende uitingen van spontane lustbeleving dreven zij de spot met het hiërarchische gezag, het lichaamloze idealisme en de intimiderende eeuwigheidspretenties van kerk en vorst.

Tot in het derde kwart van de twintigste eeuw moet het feest hier en daar iets van die kritische geest hebben bewaard, maar daarvan is nu geen sprake meer. De carnavalsprins behoort allang niet meer tot de sociale onderklasse van voetvolk en voetvegen, hij is tegenwoordig zelf een luisterrijke autoriteit, een man met aanzien en geld, bij wie elke herinnering aan een andere, lagere status zorgvuldig is weggeregisseerd. Carnaval onderscheidt zich niet meer wezenlijk van een feest in de Jordaan of op de tribunes van een schaatsbaan, de hoempa, het gehos en de polonaises zijn verwisselbaar.

Limburgers wijten de 'vervlakking’ van carnaval tot een ordinair volksfeest - in alle betekenissen van het woord - graag aan de invloed van 'Hollandse’ elementen, bijvoorbeeld in de liedjescultuur, maar dat is een te oppervlakkige en ook te chauvinistische verklaring. Alles wat het carnaval ooit zijn specifieke kleur gaf - de alleen voor insiders begrijpelijke toespelingen, de spotpraktijken, het 'waarheid zeggen’, de maskerade, de sociale kritiek - kon alleen functioneren in een gesloten gemeenschap. De excessieve pret, Pleij heeft dat vaak genoeg beklemtoond, had ook een ventielfunctie: na het feest moest men zich weer schikken in de harde, alledaagse realiteit van de feodale orde. In een moderne, open samenleving ontbreekt dus eenvoudigweg de sociale structuur die ooit de voedingsbodem was voor meer 'authentieke’ carnavalslol.

Een kritische carnavalsoptocht is alleen nog denkbaar als gedachte-experiment dat zich logischerwijs niet meer exclusief richt op de lokale gemeenschap. De eigentijdse heks zou daarin als kenner en propagandist van zwangerschapspreventie en gezinsplanning een prominente rol kunnen spelen. Zeker nu de rooms-katholieke kerk, waarbinnen carnaval immers van oudsher functioneerde, nog altijd overeind hoopt te blijven door zich in de ontwikkelingslanden, haar rekruteringsgebied bij uitstek, te verzetten tegen het gebruik van voorbehoedsmiddelen, ligt er voor de heks een dankbaar operatiegebied braak. In Rome, het centrum van de katholieke reactie, is er sinds Innocentius niet veel veranderd. De carnavalsheks die haar eigen traditie kent, zou haar creatieve spotlust moeten richten op dat obscure Romeinse bolwerk van paternalisme, hypocrisie, lustvijandigheid en behoudzucht.