Ger Groot

Echte fictie

In 1989 publiceerde de Spaanse schrijver Javier Marías een hilarische roman over het leven aan een college in Oxford. Hij had daar enkele jaren als gastdocent gewerkt en omdat ook zijn hoofdpersoon een Spaanse gastdocent was, lag de conclusie voor de hand: Allerzielen was een sleutelroman. Plotseling begonnen Marías’ voormalige collega’s zich massaal in het boek te herkennen. Niet altijd tot hun genoegen.

Maarten Steenmeijer, kersverse hoogleraar Spaanse letterkunde en cultuur aan de Universiteit van Nijmegen, vindt dat vreemd. Die collega’s, allemaal literatuurprofessoren, hadden op grond van hun professie beter moeten weten, zei Steenmeijer vorige week vrijdag in zijn inaugurale rede Je sterft maar twee keer (Wereldbibliotheek). Een kleine tien jaar na Allerzielen had Marías in De zwarte rug van de tijd al geschreven dat er een verschil bestaat tussen werkelijkheid en romanfictie — en terloops laten zien hoe je zo’n allersimpelste bewering met een beetje handigheid moeiteloos kunt opkloppen tot een heel boek.

Wereldschokkend, zo’n vaststelling, maar daarmee beginnen de problemen pas. Want ook Marías had er geen enkele moeite mee allerlei personen te identificeren die hem voor zijn romanfiguren hebben geïnspireerd. Hoe het met die wederzijdse doordringing van literatuur en realiteit dan wel precies zit, blijft in zijn boek een open vraag. Op gezette tijden herhaalt Marías simpelweg zijn uitgangsstelling, met een hardnekkigheid die steeds minder op naïviteit en steeds meer op kwade trouw gaat lijken.

Het kunstwerk als wereld op zich is een bekend romantisch uitgangspunt en de literatuurkritiek loopt daar nog steeds achteraan. Een imaginair universum is bovendien snel geschapen, zo heeft de moderne filosofie laten zien. Je hoeft maar één ding in de werkelijkheid te veranderen en je hebt al een «mogelijke wereld» die anders is. Ook Marías maakt daar dankbaar gebruik van. Aan het eind van Allerzielen trouwt de gastdocent, terwijl hijzelf, de schrijver, ongetrouwd is gebleven. Dat detail alleen al bewijst volgens Marías dat het boek een geheel eigen wereld beschrijft.

Gelooft hij dat zelf? Heeft het Oxford dat in zijn boek zo’n grote rol speelt, werkelijk niets met het echte Oxford te maken? Zou de lezer niet vreemd op moeten kijken, wanneer Marías daarin — pakweg — de Eiffeltoren had gesitueerd? Iedere roman, hoe «fictief» ook, beschrijft een wereld die voor bijna honderd procent met de onze samenvalt. Dat is een wereld waarin madeleines een bepaald soort cakejes zijn, Denemarken een koninkrijk is geweest waarin iets aan het rotten was en windmolens niet hetzelfde zijn als reuzen.

Het aardige van literatuur, zei Maarten Steenmeijer in Nijmegen, is dat daarin van alles mogelijk is wat in de werkelijkheid niet kan. Ze moet ons aan het verwonderen brengen. Maar dat kunnen we alleen wanneer we zien hoe vreemd het is dat een ridder een windmolen bevecht alsof het een reus was. Wanneer de rest van Cervantes’ wereld dus gelijk is aan die van ons, want alleen dan is er contrast en verbazing daarover.

Zo gaat het ook met boekpersonages. De meeste schrijvers spelen driftig leentjebuur bij hun omgeving en voor de literaire beoordeling van een roman maakt het niets uit of al die vrienden, kennissen en vijanden daarin een beetje (of soms heel erg) herkenbaar blijven. Dan mogen we geloven in de fictie van het autonome kunstwerk. Maar een roman is ook nog iets heel anders dan literatuur. Hij beschrijft ook de wereld zoals ze is. Inclusief allerlei mensen daarin, zoals sommige lezers moeten ontdekken.

Wie redenen heeft om zich in een romanfiguur te herkennen, neemt geen genoegen met het romantische excuus van een schrijver die zegt een geheel eigen werkelijkheid te hebben geschapen. De Vlaamse couturière Ann Demeulemeester, die zich in de roman Uitgeverij Guggenheimer van Herman Brusselmans met naam en toenaam geschoffeerd zag, stapte daarom naar de rechter.

Ook Brusselmans wist in zijn verweer weinig beters te doen dan zich te verschuilen onder de rokken van het romantische schrijverschap en trok Marías’ kwade trouw daarmee tot het einde door. Maar alleen in de fictie van de literatuur heeft zo’n belediging geen reële betekenis. Degene die het betreft weet intussen wel beter, net als, heimelijk, de schrijver die zich drukt — en het intussen toch maar lekker heeft gezegd.