Echte heidenen groene-essay

Het katholicisme trekt vele nieuwe gelovigen aan. Dat vraagt om een verklaring. Komt het doordat de moderniteit, en het daarmee verbonden protestantisme, zichzelf heeft overleefd? Een beschouwing over het katholieke gemoed
KATHOLIEK-ZIJN LIJKT, achteraf gezien, een hele heksentoer te zijn geweest. De tentoonstelling Roomsch in alles, dit voorjaar in het Utrechtse Catharijneconvent, liet er geen twijfel over bestaan hoe exotisch het Rijke Roomse Leven wel niet was.

De wijwaterbakjes, bidprentjes en communieserviesjes in de vitrines deden eerder denken aan een Centraalafrikaanse stam dan aan het dagelijks leven in de Lage Landen van een paar decennia geleden. Ook in de toelichtende teksten klonk de toon door van nauw verhulde verbijstering.
Ik heb er, geboren in 1954, nog een staartje van meegemaakt. In het gemiddelde Roomse gezin was er toen nog geen enkele aanleiding tot verwondering over de folklore en bric-à-brac die ons omringde. Bevreemding wekte hoogstens het feit dat er ook niet-katholieken waren: mensen die ‘niks’ geloofden (en waarover dus ook niet veel te zeggen viel), of protestanten, onder wie je verschillende soorten scheen te hebben volgens scheidslijnen die wij onmogelijk konden volgen.
Zelfs voor die bevreemding was maar zelden aanleiding. 'Andersdenkenden’ waren een abstracte groep die zich, in een middelgrote stad als Amsterdam, vrijwel nooit vertoonde. Scheen er in dorpen nog wel eens tussen katholieke en protestantse jongens te worden gevochten, in de anonimiteit van de stad wisten we elkaar niet eens te vinden. Alleen in de zomermaanden, wanneer het hele leven een beetje dooreen was geschud, begonnen vakantievriendjes wel eens onverwacht te praten over de zondagsschool. Het klonk naar stijve kleren en strengheid, en ik beklaagde ze er bitter om.
Het katholieke leven speelde zich, ondanks incidentele ongemakken, af in een goedaardige sfeer die vertrouwd was en vertrouwen wekte. De alledaagse eigenaardigheden gaven er een versiering aan die pas opviel toen ze begonnen te verdwijnen. En op hoogtijdagen tilden de liturgische praal èn het bewustzijn deel uit te maken van een wereldomspannend geheel katholieken boven zichzelf uit, in een besef van grootsheid die anders voor hen onbereikbaar zou zijn geweest.
ZO BLEEF HET NIET. In de jaren zestig verdwenen de Heilig-Hartbeelden massaal uit de katholieke huiskamers en raakte het grootste deel van de folklore in onbruik. Het katholicisme moderniseerde, maar het raakte daardoor ook zijn innerlijke zekerheid kwijt. Katholiek-zijn was niet langer vanzelfsprekend, het werd een probleem. Allereerst omdat katholieken zelf nauwelijks nog wisten wat ze wilden en geloofden. Maar ook omdat de moderne wereld, waar ze inmiddels bij moesten horen, hen niet met open armen ontving.
Berucht was in die tijd de uitspraak van D66'er Hans Gruijters dat hij na een katholiek de hand te hebben geschud, altijd zijn vingers natelde. Buiten de eigen kring bleek het katholicisme een nogal sinistere klank te hebben. Veel van mijn generatiegenoten verzwegen hun Roomse afkomst dan ook maar liever, of spraken erover met een rancune die ik nog altijd niet goed met mijn eigen herinneringen kan rijmen.
Aan schaamte en verwarring ontkwamen maar weinigen. Dat het katholicisme onder alle niet-wetenschappelijke levensovertuigingen verreweg de minderwaardigste en meest vileine bestaansvorm was, gold onder spraakmakende columnisten, van Hugo Brandt Corstius tot Rudy Kousbroek, kennelijk als een axioma. En omdat 'eens katholiek’ voor hen ook 'àltijd katholiek’ betekende, werd degene die zich aan hun intellectuele standaard wilde meten, gedwongen tot een pijnlijke zelfverloochening.
Maar - zo was de verwachting - op korte termijn zou het met het katholicisme wel afgelopen zijn. Een doctrine en vooral een praktijk die zo haaks staat op alles wat de moderne geest dierbaar is, moet het tegen de verworvenheden van de Verlichting wel afleggen. Om individualisme, rationaliteit, onttovering van de wereld en persoonlijke verantwoordelijkheid heeft het katholicisme nooit bekend gestaan. Zoveel obscure minachting voor de materiële en morele vooruitgang van de mensheid kon niet onbestraft blijven.
Toch laat de teloorgang van het katholicisme nog op zich wachten en wordt het tegen het einde van het millennium steeds minder waarschijnlijk. Serieuze tekenen van mondiale ineenstorting vertoont de Roomse kerk in ieder geval nog niet. Gezien met de brede blik van de geschiedenis lijkt haar huidige crisis niet erger dan zovele andere die ze al heeft doorstaan. In het seculiere Nederland steken hier en daar zelfs de schuchtere kopjes van een revival op, vooralsnog te incidenteel om veel gewicht in de schaal te leggen, maar als tijdsverschijnsel veelzeggend.
WAT IS DE aantrekkelijkheid van het katholicisme? De sensualiteit, het gemeenschapsgevoel en de rituele inbedding van religieuze emoties die anders stuurloos zouden blijven, spelen daarbij ongetwijfeld een rol. Erg modern is dat allemaal niet. Met pijn in het hart moet de moderniteit toezien hoe alle ondeugden die zij de Europese mensheid in de loop van haar Verlichtingsgeschiedenis had ontwend, weer stuk voor stuk door de achterdeur binnenkomen, precies op het ogenblik waarop haar klus bijna geklaard leek.
Een eeuwwende leidt wel vaker tot crisisgevoelens en een hang naar obscurantisme, en de opleving van het katholicisme is dan ook niet uniek. Zoals het einde van de negentiende eeuw een golf van zonaanbidding, theosofie en rozenkruisersmysticisme vertoonde, zo spinnen ook de neomystiek van de New Age en de meer bevlogen takken van opwekkingsprotestantisme garen bij het huidige fin-de-siècle.
Opvallend is wel dat dat bijna allemaal nieuwe bewegingen zijn, uiterst modern aan de ene kant en reddeloos begeesterd aan de andere. Daartegenover lijkt het katholicisme van de weeromstuit nogal belegen en ingetogen. Het is niet flitsend in zijn presentatie en organisatie, maar ook niet in zijn enthousiasme. Het steunt niet noemenswaardig op spectaculaire wonderen, verliest zich niet in astrale speculaties, en lijkt zich aan de andere kant ook maar weinig aan te trekken van de moderne vormen van communicatie en management.
Anders dan veel neoreligieuze bewegingen verleidt het katholicisme niet door een peilloos obscurantisme (al dan niet omstraald door een schijn van wetenschappelijkheid), maar door een mengsel van rationaliteit en het besef van de beperkingen daarvan. Het heeft de rede nooit opgegeven, maar ook nooit de alleenheerschappij willen verlenen. Daarin onderscheidt het zich van de verlichte moderniteit en van het protestantisme, die in dat opzicht in elkaars verlengde liggen. Zij deden beide dingen tegelijk, vereerden de rede èn verwierpen haar; ze hielden de beide terreinen strikt gescheiden waardoor ze allebei hun maat verloren.
Dat heeft uiteindelijk een theologische reden. Voor het katholicisme zijn hemel en aarde wel twee verschillende sferen, maar volstrekt tegengesteld zijn ze niet. Er is tussen die twee een druk wederzijds verkeer. Niet alleen dalen engelen, heiligen en de Heilige Geest regelmatig naar de aarde af, ook de mensheid kan een heel eind komen in de richting van de hemelse streken. Goede werken en de speculerende rede zijn misschien niet voldoende om de eeuwige zaligheid te bereiken of te doorgronden, maar ze kunnen daartoe wel flink bijdragen.
En dat op eigen kracht, zeer tot ontstemming van de reformatie. 'Werkheiliging’ gold voor de hervormers als dè grote katholieke zonde; wat mensen ook deden, welgedaan was het pas als de goddelijke genade erop rustte. En voor het denken gold hetzelfde. De rede mocht speculeren wat ze wilde, de goddelijke waarheid bereikte ze pas wanneer ze door genade werd bestraald, want zonder Hem was niets op aarde tot heil bestemd.
Het protestantisme maakte de kloof tussen hemel en aarde groter dan ze in het katholicisme ooit was geweest en legde het primaat resoluut bij het bovenmaanse. Met als gevolg dat de aarde en de menselijke rede aan hun eigen lot èn aan elkaar werden overgelaten. Voor het zieleheil deden zij er eigenlijk niet zoveel toe. Van belang was vooral de ontvankelijkheid voor de genade, die allereerst een opdracht was van het menselijk gemoed.
Het protestantisme werd een sentimentele godsdienst, die probleemloos kon samengaan met een groot rationalisme in wereldse zaken, omdat die twee uiteindelijk weinig met elkaar van doen hadden. Maar daarmee was de band tussen het hemelse en het aardse wel heel smal geworden. Alle intensiteit ervan was geconcentreerd in de persoonlijke relatie tussen het individu en God. En toen dat individu in de loop van de moderne tijd steeds meer begon te twijfelen, was er niets dat die twee nog bijeenhield.
Voor het wereldse leven was die verandering nauwelijks merkbaar; het was door het protestantisme tòch al onttoverd en overgelaten aan menselijke rede en berekening. Daardoor hadden wetenschap en aards bestuur alle ruimte om hun eigen, rationele gang te gaan. Dat hun geen windeieren legde, want vooral vanaf de Verlichting bleek de rede een machtig iets.
Het gemoed ging intussen, al even ongehinderd, zijn eigen weg en bleef ook in het moderne levensbesef de plaats waar de belangrijke levensgebeurtenissen zich afspeelden. Niet de rede maar de emoties bepalen volgens hedendaagse consensus wie iemand 'werkelijk’ is. En wie voor belangrijke beslissingen staat, krijgt steevast de raad niet te veel na te denken en af te gaan op zijn gevoel.
DE MODERNITEIT MAG zichzelf nog zo atheïstisch vinden, in haar scheiding van rede en gevoel zet ze de protestantse traditie rechtstreeks voort. Over levensvragen moet je niet redeneren en in wetenschap, beheer en bestuur hoort het sentiment niet thuis: die raad van protestants dualisme heeft het moderne levensgevoel zich goed ter harte genomen. Het houdt de zaken liefst goed uit elkaar. Daarentegen heeft het katholicisme van zo'n geest van scheiding nooit veel willen weten. Ook wanneer het over vragen van ziel en gemoed ging heeft het graag argumenten willen horen. De rede heeft voor het katholicisme misschien niet het laatste woord, maar spreekt in alles wel een duidelijk woord mee. Daarom kon de katholieke theologie zich in de middeleeuwen en lang daarna overgeven aan uiterst rationele speculaties die ons nu soms absurd voorkomen. Het was haar manier om door te dringen in de grote raadsels van het leven (die altijd ook geloofsraadsels waren) en daarbij zo lang mogelijk lucide te blijven.
Maar rationalistisch is het katholicisme nooit geworden. Zoals de rede het gevoel inperkte, zo heeft het gevoel ook altijd de rede beperkt. Het gemoed mocht soms ver weg dwalen, maar bleef uiteindelijk vastzitten aan de teugels van filosofie, theologie en dogmatiek. En de rede mocht speculeren wat ze wilde, ten slotte stuitte ze op de grenzen van het geloofsmysterie, waartegenover ze haar onmacht moest erkennen.
Dat heeft in het katholicisme een geest van betrekkelijkheid voortgebracht die aan de rede noch aan het gevoel zijn ziel verkocht maar deze evenmin prijsgaf. Voor het protestantisme kwam dat al snel neer op geloofszwakte, en voor een compromisloos rationalisme als dat van Rudy Kousbroek op obscurantisme. Zoals de laatste deze zomer nog schreef, kun je niet een beetje gelovig zijn, maar betekent elk spoor van geloof meteen verraad aan de rede. Ironisch genoeg denkt zijn protestantse tegenhanger precies hetzelfde, zij het niet vanuit een rationalistisch maar vanuit een religieus fundamentalisme.
Toch is 'een beetje geloven’ precies wat katholieken altijd hebben gedaan. Zeer consequent is dat niet van hen, maar consequentie is dan ook een eis die zij slecht met hun gevoel voor betrekkelijkheid kunnen rijmen. Meer dan een marsroute die met behulp van rede of geloof moet worden afgelegd, is het leven voor hen een plaats van voortdurende improvisatie, waarbij zij naar believen gebruik maken van de instrumenten van rede of gemoed, hoofd of lijf, in het volle besef van de ontoereikendheid daarvan.
Die scepsis heeft katholieken een zekere lichtheid gegeven, waarom ze even vaak worden benijd als - onder de noemer van lichtzinnigheid en onbetrouwbaarheid - beschimpt. Aan die scepsis dankt het katholicisme zijn mildheid, al ziet men die er aan buitenkant misschien niet zo aan af. Het legt in de dagelijkse praktijk een soepelheid aan de dag die niet voortkomt uit afwezigheid van regels, maar uit het besef dat regels niet het laatste woord hebben. In het katholicisme is, achter de rigoureuze strengheid van zijn façade, aan bijna alles wel een mouw te passen.
Aan de andere kant heeft die scepsis katholieken ook behoed voor het naïeve optimisme dat zo veel moderne gelovigen bezielt - of ze nu in verwachting zijn van de eeuwige zaligheid of van de ideale maatschappij. Hoe blij het Roomse leven ook heette te zijn, er heeft altijd de schaduw van het betrekkelijke overheen gehangen, die scherp contrasteerde met de gelukzaligheid van de overtuigde gelovige. Katholieken wisten dat het goede op aarde voorbijging en altijd door ongewisheid werd bedreigd, maar zagen daarin aan de andere kant geen reden om er niet van te genieten. Ook het pessimisme en nihilisme waarin hun scepsis zo gemakkelijk had kunnen uitmonden, waren hun te zeer van hun eigen gelijk overtuigd.
Die katholieke twijfel gold zelfs het geloof dat die sceptische geest theologisch legitimeerde. Katholieken zijn, door de bank genomen, zelden grote gelovigen geweest en zowel tegenover de geloofsleer als tegenover het kerkelijk gezag en hun kerkelijke plichten hebben zij zich liefst op een afstand gehouden. Ook al rekenden zij zich er van harte toe, hun katholieke geest weerhield hen ervan zonder meer met de kerk en haar leer samen te vallen. Niet omdat zij er - zoals in het protestantisme nog wel eens gebeurde - als individu andere inzichten op nahielden. Maar omdat zij liever een slag om de arm hielden en zich niet zomaar uitleverden aan een geloof dat nooit helemaal h†n geloof werd.
DAT LAATSTE HEEFT het katholieke leergezag uiteraard nooit kunnen accepteren, en het heeft hemel en aarde bewogen om haar gelovigen tot echt geloof op te voeden. Katholieken moest wat ze zeiden te belijden in het hart worden geplant als iets dat klonk als een waarachtige overtuiging. Sinds de reformatie heeft de katholieke kerk weinig anders gedaan dan te trachten haar kudde, naar het protestants voorbeeld, modern te maken. Veelzeggend genoeg zijn die pogingen (van de inspanningen van de jezuïetenorde tot het succes van Opus Dei) steeds samengegaan met haar grootste intolerantie en fanatisme.
In haar wil tot modernisering heeft de katholieke kerk de katholieke geest van betrekkelijkheid voortdurend moeten verloochenen. Ze heeft daarin, al met al, maar matig succes gehad. Die geest van scepsis had zijn eigen taaiheid, die eerder een volkse dan een kerkelijke realiteit was. Meer dan bedreigingen van buitenaf is de onhandelbaarheid van het eigen kerkvolk veelal Romes grootste zorgenkind geweest.
Rome had lange tijd nog het meeste succes in Nederland, dat volgens de Utrechtse tentoonstelling dan ook gold als een voorbeeld voor de hele wereld. Dat succes heeft het kerkelijk gezag misschien zelf verwonderd, al zal het hebben gedacht dat het Nederlandse katholicisme hoe dan ook al een half calvinisme was. De bittere vruchten daarvan mocht het een paar decennia later plukken. In de jaren zestig begon de Nederlandse kerkprovincie vanuit precies dezelfde geloofsijver en innerlijke overtuiging een moderniseringsproces dat in de opinie van Rome neerkwam op een èchte nieuwe reformatie.
Het enthousiasme daarover onder Nederlandse gelovigen kwam voort uit het gevoel dat het katholicisme tegenover de moderne wereld op het nippertje zijn eer had gered. Eindelijk hadden katholieken een overtuiging waar ze voor stonden en die - hèt criterium van die dagen - politieke en maatschappelijke betekenis had. Voor die betekenis en die nieuwe zekerheid moest niet alleen het overgrote deel van de liturgische en huiselijke folklore wijken, maar ook het oude gevoel van betrekkelijkheid. Wij waren, in de jaren zestig en zeventig, inderdaad zeer van onze innerlijke èn politieke roeping overtuigd. We waren eindelijk bij de tijd.
Maar daar waren we wel laat mee. Want de aansluiting met de grote politieke en maatschappelijke dromen was nog niet gevonden, of die dromen zelf vervlogen en verkeerden in onzekerheid. Een marsroute naar het heil op aarde durfde in ieder geval niemand meer uit te stippelen. Tot overmaat van ramp herleefde in het katholicisme precies datgene wat kort daarvoor nog als obscurantistisch de deur was uitgedaan. Aantrekkelijk bleken tegen het eind van het millennium de katholieke vormen, niet de dromen van een nieuwe aarde. Nadat in de meeste katholieke kerken de misviering had plaatsgemaakt voor een dienst van het woord, begon zelfs het Humanistisch Verbond een interne discussie over de wenselijkheid van rituelen. De simpele lezingen met discussie na, waartoe hun bijeenkomsten zich tot dan toe hadden beperkt, bleken kennelijk weinig inspirerend.
HET RITUELE karakter van het katholicisme is niet alleen het protestantisme een doorn in het oog geweest. De kerk had het er zelf ook wel eens moeilijk mee. Louter uitwendige handelingen die zonder de noodzaak van enige innerlijke betrokkenheid konden worden verricht, golden ook voor het leergezag als gevaarlijke heidense resten. Dat het daaraan zelf bijdroeg met de leerstelling dat een sacrament geldig is ex opere operato (door de verrichte handeling zelf) maakte de zaak er niet gemakkelijker op.
Alle catechismuslessen die de gelovigen moesten doordringen van de bovennatuurlijke betekenis van het katholieke ritueel hebben die heidense rest nooit weggenomen. Welke hogere betekenissen het leergezag er ook aan wilde geven, voor de katholieke gelovige betekenden de vertrouwde beelden en gebaren die hem omringden allereerst dat hij katholiek was. Dat zou hem later, in de hemel, gelukkig maken, natuurlijk. Maar allereerst maakte het hem hier gelukkig en steeg hij ermee een beetje boven zichzelf uit.
Dat geluk was niet manipuleerbaar; het werd door het ritueel, en alle bric-à-brac in het katholieke leven, niet eens uitdrukkelijk beoogd. Het kwam er zomaar bij, en juist in dat bijkomstige werd het belangrijk, misschien wel het belangrijkste van alles. Het gaf katholieken hun plaats en rechtvaardiging in het leven.
Het ritueel behoort net zo bij katholicisme als de scepsis. Ze wortelen allebei in het gevoel van betrekkelijkheid, dat de menselijke vermogens een onmiskenbare maar wel een beperkte draagkracht toekent. Het ritueel maakt duidelijk dat je de belangrijkste dingen in het leven niet kunt maken en dat hun gave onbegrijpelijk is. Dat is nog iets anders dan een vurige bekering tot de God van Jezus Christus, zoals de kerk - èn het protestantisme - zo graag hadden gezien. Wat dat betreft bleef het voor katholieken vaak bij een beetje geloof.
Het katholieke besef van beperktheid was (en is) niet bijzonder christelijk; daarin had de reformatie ongetwijfeld gelijk. Dat de liturgische rituelen onbegrijpelijk waren, was voor het heidense katholicisme dan ook nauwelijks een bezwaar. Daarin stemden ze overeen met de onbegrijpelijkheid van het levensmysterie zelf, waar ieder zo zijn gedachten bij kon hebben. De geloofsbelijdenis was voor katholieken een nogal uitwendige zaak; de belangrijkste geloofsgeheimen konden, zo meende het leergezag, door leken trouwens toch niet worden begrepen.
Dat gaf katholieken, anders dan de schijn deed vermoeden, een grote innerlijke speelruimte, zolang ze althans niet probeerden hun woorden, daden en gedachten onderling in het gelid te krijgen. Vanuit hun scepsis zagen ze daarvan de noodzaak zelden in. In hun lauwe gelovigheid vonden zij een grote gemoedsrust, die door protestanten voor heidendom en door de moderniteit voor berustend obscurantisme werd versleten.
In Nederland nam het katholicisme zijn christelijke en moderne roeping zo serieus dat het zichzelf tenslotte ophief. Het is niet gemakkelijk meer katholiek te zijn. Tenzij als heiden.