Arie Storm, Gevoel

Echte liefde

Arie Storm

Gevoel

Prometheus, 176 blz., € 15,-

Wie eerder werk kent van Arie Storm voelt in de titel van zijn nieuwe roman al een soort diabolische lading. Ik ga niet opnieuw zijn jihad tegen een zekere succesvolle schrijfster in herinnering roepen — de schrijfster die als kop van Jut fungeert voor heel snordragend literair Nederland (ik héb helemaal geen snor! piept Storm op dit moment; nee, maar toch) — maar laten we het erop houden dat Storm een complexe relatie onderhoudt tot ostentatief gevoelsproza. Zelf legt hij zich in zijn romans toe op het verfijnen van een cerebrale stijl, waarin herhaling van triviale observaties en gedachten een grote rol speelt. Het effect daarvan is reviaans ongrijpbaar, ergens tussen meligheid en schoonheid in. Op zijn beste momenten schrijft hij onheilspellend, en op andere momenten slaat zijn ironie dood. In zijn nieuwe roman is die spanning in vergelijking met De ongeborene (2001) en Afgunst (2003) nóg weer sterker voelbaar, maar dit keer met een andere uitkomst.

In zijn werk bespot Storm de eeuwige vraag naar de autobiografische werkelijkheid achter de roman, door zogenaamd direct vanuit zijn eigen wereld te berichten. De verteller heet Arie Storm, is schrijver van beroep, en woont met vrouw en dochter in de Amsterdamse Pijp. In Afgunst verdacht verteller Storm zijn vrouw van overspel en zon hij een roman lang op actie. Geregeld wordt in Gevoel verwezen naar deze periode, die achteraf wordt beschouwd als een periode van persoonlijke crisis. Een dergelijke crisis dient zich opnieuw aan. Schrijvers vader is overleden en sinds die tijd heeft hij last van een «aanwezigheid». Hoe deze te duiden? Liever nog: hoe hiervan verlost te raken?

In Gevoel heeft Storm het oneindige doorredeneren van kleine voorvallen en non-gebeurtenissen tot in de perfectie verheven. Een paar ingrediënten — de ene grijze haar die voor de spiegel uitgetrokken moet worden, de witte huid die in de zon snel verbrandt, de erotische fantasieën over ex-schaatster Tonny de Jong, het bed dat hij deelt met vrouw en dochter, het liedje Feel van Robbie Williams dat hij tot gekmakens bij de buren hoort — vormen de werkelijkheid waarin Storm zin en verband probeert te ontdekken. Meer dan in zijn vorige werk heeft die zoektocht urgentie; daar, aan de overkant, staat immers die man hem te observeren. «Hoeveel nachten gaat die man dit nog volhouden? En wat moet hij van mij? Hoeveel nachten ga ík dit nog volhouden?»

De aanwezigheid van de man dringt zich fysiek op als Storm zich in het huis van zijn uitgeefster terugtrekt om een roman te schrijven. Om toch íets op papier te kunnen zetten, besluit hij te schrijven over wat aan zijn verblijf in dit gasthuis vooraf ging, het zeer nabije verleden: «Ik schrijf erover alsof het allemaal lang geleden is gebeurd, terwijl ik in werkelijkheid schrijf over iets wat nog steeds aan de gang is. Ik schrijf over een wond die nog lang niet is geheeld.»

Wat volgt is de voorzichtige recapitulatie van een vader-zoon-verhouding. Heel voorzichtig, tussen die grijze haren, de verbrande armen, de belijdenis van Robbie Williams, het bed met zijn vrouw en dochtertje erin, en de Playboy met Tonny de Jong, door. Er zijn halve gesprekken met zijn moeder aan de telefoon. Voortijdig afgebroken gesprekken met zijn zus. Scherpe herinneringen aan ooit gevoerde conversaties met zijn vader, die uit niet méér bestonden dan het afroepen van voetballersnamen. De vroegere vanzelf sprekendheid waarmee samen naar sport programma’s werd gekeken, werd allengs verdrongen door een groeiende afkeer en afstand. Het grootste probleem voor Storm als zijn zus hem belt met de mededeling dat zijn vader dood is, is dan ook dat hij niets «voelt». Ondertussen geeft zijn gedrag zijn vriendin aanleiding regelmatig aan hem te vragen of het wel goed met hem gaat. «Nee, hoorde ik mijzelf zeggen, nee, het gaat niet goed met mij. Niet meer. En ik zei: ik vind het niet erg dat mijn vader is overleden, en ik vind het erg dat ik dat niet erg vind. Maar waarom? Waarom vond ik dat erg, als ik het eigenlijk niet erg vond? Ik vond het erg. (…) Was dit een speelfilm (Robbie Williams verzorgde de soundtrack) en speelde ik daarin de hoofdrol, dan was dit mijn streven: gevoel.»

De ongeborene en Afgunst waren dubbelzinnige bouwwerken, persoonlijk verteld maar opgetuigd met zinnen van collega-schrijvers, uit het leven gegrepen maar uiterst literair gestileerd. Dat gaf deze romans een zekere steriliteit mee, een zekere geposeerdheid. De geposeerdheid is gebleven in Gevoel, maar met een minder dubbelzinnig resultaat. Zelfs zou je kunnen zeggen: met een ontroerend resultaat. «I just wanna feel real lovin’» brult Robbie Williams voor wie het maar horen wil van de daken. In diapositief brengt Storm dezelfde boodschap. Van vaders neem je nu eenmaal niet zomaar afscheid.