`echte liefde is wederzijds’

Between Friends: The Correspondence of Hannah Arendt and Mary McCarthy 1949-1975. Samenstelling en voorwoord Carol Brightman. Uitgeverij Secker & Warburg, f73,50
BRIEVEN BEWIJZEN dat we ooit om iets of iemand gaven. Ze zijn de fossielen van het gevoelsleven, zoals de Amerikaanse journaliste Janet Malcolm het in haar huiveringwekkende boek over Ted Hughes en Sylvia Plath omschrijft. Een boek dat aantoont hoe onmisbaar en tegelijkertijd onbetrouwbaar brieven zijn als bron voor biografisch onderzoek.

Het maakt het lezen van briefwisselingen van publieke figuren er niet minder interessant om. Hoeveel er ook gelogen of verzwegen wordt, die authenticiteit is er, simpelweg omdat er ooit een reden was die brieven te schrijven en bij een ander te laten bezorgen. De intimiteit van een brief grenst aan die van een dagboek; beide leiden een strikt persoonlijk bestaan. Het opheffen van die intimiteit wordt meestal gelegitimeerd door dat wat het oplevert: achtergrondinformatie die op een andere manier nooit verkregen had kunnen worden, het oplichten van een nooit vermoede kant van iemand. Of gewoon heel mooie brieven.
Voor de briefwisseling tussen schrijfster Mary McCarthy en filosofe Hannah Arendt, die onlangs werd gepubliceerd, geldt bovenal dat een vriendschap niet zuiverder en levendiger geportretteerd had kunnen worden. Een vriendschap die, groeiend door de jaren, alle mogelijke vormen wel een paar keer aanneemt. Ze zijn elkaars bewonderaar, criticus, mentor, vertrouweling. Hun briefwisseling is er een van het ultieme soort: geboren uit de noodzaak met elkaar in gesprek te blijven.
Het is niet moeilijk te bedenken waarom Mary McCarthy en Hannah Arendt zich vanaf hun eerste ontmoeting sterk tot elkaar aangetrokken voelen. Ze lijken op elkaar, in hun manier van denken, hun politieke smaak, hun gedrevenheid. En ze zijn aan elkaar gewaagd, want tegengesteld genoeg om hun beider zucht naar confrontatie te bevredigen. Als Vietnam aanhoudend gebombardeerd wordt, ontvlucht Arendt agressor Amerika naar het kalme Zwitserland, terwijl McCarthy afreist naar het oorlogsgebied. Zelf zich koesterend in een oud en allesvervullend huwelijk, reageert Hannah Arendt koeltjes op de verwensingen van McCarthy aan het adres van haar derde echtgenoot die het echtscheidingsproces traineert: ‘Het treft me dat je zo gemakkelijk vergeet dat je hem genoeg vertrouwde om vijftien jaar lang getrouwd met hem te zijn geweest.’
BIJ UITSTEK bindend is het vanzelfsprekende kosmopolitisme waarmee zij zich allebei over de aardbol bewegen en de intensiteit waarmee zij reageren op 'grote’ gebeurtenissen. Of het nu de honger is in Biafra, de aanval van Israel op Egypte, de berechting van Eichmann - het zijn kwesties die hun levens binnendringen en die hun werk en handelen bepalen. Als ze niet beiden zo'n aversie hadden gehad tegen de vrouwenbeweging, zou je bijna zeggen dat het persoonlijke bij hen politiek is en vice versa. Zo krijgt hun meningsverschil over het belang van de factor toeval - gerezen naar aanleiding van Arendts The Origins of Totalitarism (1951), een onverwacht relief als McCarthy het toeval in hun beider liefdesleven analyseert. Het is een fundamenteel verschil in levenshouding tussen hen: waar McCarthy gelooft in toevallige treffers en een immer stijgende lijn (de minnaars op haar pad maken allemaal deel uit van een continu persoonlijk evoluerend proces), denkt Arendt in termen van patronen en sjablonen. 'Je wordt wat je al was’, is haar credo, terwijl McCarthy denkt: 'Wat heeft het voor zin verliefd te worden als je allebei hetzelfde blijft?’ Arendt hoofdschuddend: 'Waarom blijf je niet gewoon bij elkaar?’
Bij hun eerste ontmoeting, in 1944 in een cafe in Manhattan, is Hannah Arendt 38. Ze begint dan net buiten de Duits-joodse emigrantengemeenschap bekend te worden met haar artikelen en essays. De zes jaar jongere Mary McCarthy heeft een verhalenbundel geschreven (The Company She Keeps, 1942) en is toneelrecensente voor het links-intellectuele Partisan Review. Na een lichte aarzeling en wat haperende periodes van brieven schrijven gedurende de jaren vijftig is er vanaf 1960 tot en met 1975 - het jaar waarin Hannah Arendt aan een hartaanval overlijdt - een intensieve uitwisseling met ontmoetingen, tweewekelijkse telefonades en vele brieven.
De hele wereld is hun toneel, al concentreren hun levens zich in Amerika en Europa; Arendt woont in New York en McCarthy vanaf 1961 in Parijs vanwege het werk van haar (vierde) echtgenoot. Talloze brieven besluiten met ingewikkelde reisschema’s, om elkaar dan in ieder geval toch nog even in Munchen te kunnen treffen, of in Italie. Ze stimuleren elkaar in het lezen van bepaalde schrijvers (Sarraute, Nabokov) en zijn eensgezind in hun keuze van haatobjecten. Nixon is daarvan een voor de hand liggend voorbeeld, het paar Sartre-De Beauvoir minder. Het Parijs in McCarthy’s tijd wordt geregeerd door Jean-Paul Sartre en de zijnen en McCarthy laat niet na ruzie met ze te zoeken. Ook Arendt moet niks van ze hebben. De dikke delen memoires van De Beauvoir gebruikt ze als slaappil. Het autobiografische De woorden van Sartre vindt ze leugenachtig: 'Ik vraag me af hoe hij zijn soort van “waarheid” gaat vertellen ten aanzien van het onplezierige feit dat hij geen deel nam aan het verzet, in wezen nooit ook maar een vinger uitstak.’
Een zwaar jaar voor allebei is 1963. In Eichmann in Jerusalem: A Report on the Banality of Evil (1963) beschrijft Arendt de oorlogsmisdadiger Adolf Eichmann niet als een demon die zijn lusten aan het botvieren was, maar als een streberige ambtenaar in wie het niet opkwam zijn dienstbevelen niet uit te voeren. McCarthy schrijft in een reactie aan Arendt dat ze meer voelt voor de monsterlijke variant, al is het maar omdat die de mogelijkheid tot afstraffing biedt. Haar bedenkingen blijken de voorbode van een lawine aan verdachtmakingen die Arendt over zich uitgestort krijgt.
Met de publikatie van de roman waaraan ze elf jaar heeft gewerkt, The Group, komt ook McCarthy in de spotlights terecht. Haar geestige portret van een lichting Vassar-studentes wordt in literaire kringen verguisd om zijn snelle schrijfstijl en in andere kringen vanwege het vermeende pornografische gehalte. The Group wordt een bestseller, verfilmd, over de gehele wereld vertaald. McCarthy wordt er rijk en beroemd door. Maar, zoals dat hoort, ook beroddeld en bespot.
De kritiek aan het adres van Arendt is heel wat venijniger. Hannah Eichmann wordt ze 'per ongeluk’ genoemd. Ze wordt verdacht van antisemitisme omdat ze de persoon Eichmann terugbrengt tot klerkerige proporties en omdat ze de medewerking van de Joodse Raden in diverse landen aan de orde stelt. Arendt zelf laat zich op geen enkele manier verleiden tot een weerwoord. McCarthy wel. In de Partisan Review beschrijft ze de moreel opwekkende invloed die voor haar van het lezen van Eichmann in Jerusalem uitgaat. Ze hoort er een jubelzang in, vergelijkbaar met die uit de Figaro of de Messias. McCarthy is aan het jubelen over de massamoord op joden, luidt het fantasievolle commentaar van de tegenstanders. 'Alsjeblieft, vergeef me, als je kan’, schrijft ze berouwvol aan Hannah. Hannah Arendt reageert onmiddellijk. 'Ik ben altijd erg gesteld geweest op die zin omdat jij de enige lezer bent die begrijpt wat ik anders nooit had toegegeven - namelijk dat ik dit boek schreef in een vreemde staat van euforie. En dat sinds ik het heb geschreven, ik - twintig jaar na de oorlog - luchthartig denk over de hele zaak. Zeg het aan niemand, want is dit geen sterk bewijs dat ik geen “ziel” heb?’
'HEB JE HANNAH geschreven? Heb je nog wat gehoord van Hannah?’ vraagt McCarthys echtgenoot geregeld, alsof hij haar vraagt of ze haar gebeden al heeft opgezegd, zoals ze zelf spottend aan Hannah schrijft. Zo erg is het niet, maar McCarthy heeft in Hannah Arendt wel haar lievelingslerares gevonden. Meestal is zij degene die de kwesties aansnijdt en de vragen voorlegt, waarop Arendt uitlegt, adviseert, voortborduurt. Daardoor kom je meer van McCarthy te weten, uiteindelijk.
Op het persoonlijke vlak leidt zij ook een roeriger bestaan. Zo wordt Hannah Arendt in de nadagen van McCarthys derde huwelijk ingeschakeld om haar overspel te maskeren voor manlief. Een affaire die een bizarre wending neemt als de minnaar een pathologische leugenaar en bovendien een alcoholist blijkt te zijn. Als ze zich wanhopig maar niet minder verliefd tot Hannah Arendt wendt, 'hoe kon ik…’, 'wat moet ik…’, staat Arendt klaar met een plausibele en wijze verklaring - denkend aan haar eigen ervaringen met jeugdliefde Heidegger.
Heel af en toe zijn de rollen omgedraaid. Nadat Arendt een aanminnige W. H. Auden op bezoek heeft gehad en hem in beschonken toestand min of meer de deur uit heeft gezet, schrijft ze vol wroeging aan McCarthy: 'Het zou erger geweest zijn dan zelfmoord, op zijn aanzoek in te gaan.’ McCarthy sust en steunt: 'Natuurlijk moest je hem afwijzen.’
Natuurlijk, denk je, als Renate Rubinstein opeens opduikt in een brief van McCarthy. Als Annie M. G. Schmidt haar gedroomde moeder is, zoals Rubinstein ooit aan Annie M. G. vertelde, en Simon Carmiggelt haar vader, dan moeten Arendt en McCarthy als haar zusjes dit gezin completeren. In 1965 ontmoeten McCarthy en Rubinstein elkaar in Amsterdam. Bij die gelegenheid vertelt Rubinstein over haar bewondering voor het Eichmann- boek van Arendt; haar bespreking belandt via McCarthy bij Arendt. In de begeleidende brief schrijft McCarthy over Rubinstein: 'Ze is geen zioniste, en had betrouwbare informatie over joodse samenwerking met de nazi’s in Nederland. (…) Misschien dat je het leuk zou vinden dat Rosenthal-meisje eens te ontmoeten. Evenals Harry Mulisch.’ ('Rosenthal’ was een verschrijving.)
Met zowel Mulisch als Cees Nooteboom was McCarthy bevriend geraakt, en gebleven, sinds de idiote conferentie over de roman drie jaar daarvoor in Edinburgh waarover Gerard Reve heeft geschreven in Op weg naar het einde. Het is grappig om de verslagen die Reve en McCarthy van dit congres schreven, naast elkaar te leggen, vooral omdat beiden figureren in elkaars verhaal. In oktober 1965 wordt een ontmoeting gearrangeerd tussen Arendt en haar man en de Amsterdamse intelligensia, onder wie Rubinstein. Arendt is enthousiast, over de mensen en over het land. 'Er is een soliditeit in hun welvaart die zo prettig is, heel ouderwets zoals ze leven maar helemaal niet zoals ze denken. Een land zonder hysterie. Erg anti-Duits trouwens (…) Ze weigerden Duits te spreken, hoewel bleek dat iedereen Duits kende en beter Duits kon spreken dan Engels.’
ALS MCCARTHY begint met haar verslaglegging van de Watergate-affaire (1973), staan er bloemen op haar hotelkamer in Washington. Van Hannah. Gedurende al die jaren maken Arendt en McCarthy elkaar het hof. Ze zoeken sieraden voor elkaar uit, mooie pennen, een sjaal. Via de plaatselijke bloemisten laten ze elkaar geregeld rozen bezorgen. En, zoals het hartsvriendinnen betaamt, ze houden argwanend mogelijke rivalen in de gaten. Vals informeert McCarthy naar Susan Sontag: 'De laatste keer dat ik haar met jou bij de Lowells (de met beiden bevriende dichter Robert Lowell en zijn vrouw, de schrijfster Elizabeth Hardwick - mp) zag, was het duidelijk dat ze erop uit was jou te veroveren. Of dat ze verliefd op je was geworden - hetzelfde. Hoe dan ook, heeft ze wat ondernomen?’
Hun beider streven is altijd gericht op een hereniging, een gezamenlijke vakantie. In Maine hebben McCarthy en echtgenoot een buitenhuis voor in de zomer, waar McCarthy verwoed tuiniert, sla kweekt en wilde aardbeien laat woekeren. 'Wanneer je hier bent, kunnen we jam gaan maken’, schrijft ze enthousiast. Na weer eens zo'n lange logeerpartij schrijft Arendt een verlangende en weemoedige brief. 'God weet waarom ik vandaag pas schrijf. Ik schreef je talloze brieven - om je te bedanken, omdat ik je zo mis, omdat ik aan je denk met zoveel tederheid, omdat je me zo na staat. (…) Maar denk eraan dat we ’s morgens jouw jam eten, de lekkerste die ik ooit heb gegeten, bij het ontbijt, en ’s avonds drinken we jouw wijn. En tussendoor lees ik de manuscripten die jij voor me hebt gecorrigeerd. Hoe moet je aan iemand schrijven die er altijd is?’
Liefhebbend en tegelijkertijd streng en eerlijk, blijkbaar. Als McCarthy het woord 'akelig’ ('hateful’) gebruikt om haar gevoelens over de dood van een van haar beste vrienden, de Italiaanse criticus Nicola Chiaromonte, uit te drukken, wekt dat wrevel op bij Arendt. 'Kijk Mary, (…) als je alleen maar zegt “akelig”, dan moet je heel wat meer dingen akelig noemen als je consequent bent.’ Wat dat betreft is het niet helemaal onbegrijpelijk dat McCarthy zich wel eens onzeker voelt over hun vriendschap. Als ze Arendt op een keer naar het vliegveld brengt en deze zich niet meer omdraait bij de uitgang om te zwaaien, ziet ze daar een teken in. 'Het minste wat ik kan bedenken is dat ik je op je zenuwen werk.’ Arendt praat dat weer uit haar hoofd, geholpen door hun wederzijdse uitgever. Europeanen maken nooit zo'n toestand van het afscheid.
HOE NEEM JE afscheid van iemand die er altijd is? Niet. Na de onverwachte dood van Hannah Arendt, in 1975, neemt Mary McCarthy het op zich om haar laatste werk te voltooien en te bezorgen. Drie jaar lang ploetert ze zich onder meer door Plato heen, om van The Life of the Mind, waarvan Arendt twee delen in grove vorm afhad, een afgerond geheel te maken. 'Het was een zwaar karwei’, schrijft ze in het nawoord, 'dat een denkbeeldige dialoog met haar aan de gang heeft gehouden, die soms, net als in werkelijkheid, op een twistgesprek dreigde uit te lopen.’ Tegen het eind van haar eigen leven als ze haar Intellectual memoirs te boek stelt (postuum in 1992 uitgegeven), is ze nog steeds met Hannah in gesprek. 'Echte liefde is wederzijds’, haalt ze in haar memoires de uitspraak van Hannah Arendt aan, haar keer op keer voorgehouden. 'Na lange overweging’, schrijft Mary McCarthy, bijna vijftien jaar nadat haar vriendin is overleden, 'ben ik het daarmee eens.’