Hans Sanders 18 juni 1946

Echte linkse sokken

‘Ze noemen me wel eens miljonair’, zei Hans Sanders eind 2002, staande op de golfbaan. Op de achtergrond hadden de makers van het tv-programma Gewest het refrein van een van de succesnummers van zijn band Bots gemonteerd: ‘Kom socialisten trek ten strijde/ Kom socialisten wees paraat/ Onze strijd is niet langer te vermijden/ Als je maar weet waar het steeds om gaat.’ De Brabantse zanger speelde nonchalance terwijl hij het balletje putte: ‘Om miljonair te zijn, interesseert me gewoon geen reet. Dat is er gewoon ingesluimerd.’

Erin gesluimerd. Als het in 1974 opgerichte Bots, bekend van de hit Zeven dagen langen talloze optredens op protestmanifestaties, ergens een afkeer van had, was het dat wel. In de jaren zeventig verwoordde een veel jongere Hans Sanders de idealen van de band voor de camera als volgt: ‘Wij proberen als muziekgroep deel uit te maken van de dagelijkse strijd. Die strijd kan voor ons ook geen andere zijn dan de strijd voor het socialisme.’ Maar meer nog dan over socialisme zong Bots over wat nu met een jeukwoord ‘authenticiteit’ heet. Trouw blijven aan jezelf. Vooral niet burgerlijk worden. Zoals in het nummer Hee, hee: ‘Je kunt nog lang genoeg de lul zijn met je huwelijk en je dubbele moraal/ Geef nou eens even niet de schuld aan jezelf maar aan het kapitaal.’

Voordat personal coaches, nieuwe spiritualiteit en filotainment zich om onze niet-religieuze zingeving gingen bekommeren, had links het monopolie daarop. Dat kwam misschien nergens zo duidelijk tot uiting als in de Nederpop, of het nu Doe Maar was (Is dit alles?), Klein Orkest (‘Al m’n goede vrienden, waar zijn ze gebleven/ Die vroeger altijd vonden dat je anders moest gaan leven’) of Bots. Geen grotere nachtmerrie dan ‘aangepast’ zijn, zoals het in Lied van de werkende jeugd heette.

Vormingswerker Hans Sanders deed dan ook alles om dat gezapige, burgerlijke leven te mijden. Voordat hij Bots oprichtte (als afstudeerproject aan de Sociale Akademie) draaide hij een tijdlang mee met de band van Peter Koelewijn. Maar dat werd hem te ‘kommersjeel’. Bots was daarentegen onderdeel van de protestgeneratie. De band trad op bij manifestaties van uiteenlopende linkse partijen en organisaties. Vanaf eind jaren zeventig deed Bots steeds vaker Duitsland aan. Een logische stap: terwijl in Nederland de gure wind van de neoliberale jaren tachtig opstak, werd er bij de oosterburen zo te zien nog wel zeven dagen lang samen gedronken, gewerkt en gevochten.

Dag in, dag uit trad Bots er op voor tienduizenden mensen. Dat deed de band aanvankelijk met een Nederlandstalig repertoire. Kees Buenen, toetsenist bij Bots en vriend van Sanders, herinnert zich een van de eerste optredens in Oost-Duitsland. Het was voor een congres van de Freie Deutsche Jugend, de officiële, aan het regime gelieerde socialistische jeugdorganisatie. Buenen: ‘Hans kwam met het idee om Zeven dagen lang in de pauze even snel te vertalen in het Duits. Zo gezegd, zo gedaan. Maar wij spraken toentertijd heel slecht Duits. Dus zingt Hans na de pauze: “dann trinken wir samen!” De mensen kwamen niet meer bij. Bleek Samen in het Duits “zaad” te betekenen. En dat zeven dagen lang. Verschrikkelijk.’

Gelukkig kreeg Bots hulp bij het vertalen. Zwaargewichten als Wolf Biermann en Günter Wallraff schreven teksten voor de diverse Duitstalige platen. In totaal zou Bots in Duitsland ongeveer een miljoen elpees verkopen. Haar grootste optreden had de groep op het West-Berlijnse festival Künstler für den Frieden, waarvoor een half miljoen mensen bijeenkwamen op het veld voor de Rijksdag. Bots was, kortom, heel groot, zowel in Oost als in West, en een van de spreekbuizen van een generatie. Daar maakte de groep dan ook gretig gebruik van. Tijdens het Festival voor het Politieke Lied in de ddr droeg Bots de hit Zeven dagen lang op aan dissident Wolf Biermann. In de Bondsrepubliek verzorgde de band de muzikale omlijsting van toespraken van Willy Brandt. Na afloop dronken de bandleden en de voormalige bondskanselier samen een biertje.

Het contrast tussen de enorme populariteit in Duitsland en de relatieve anonimiteit in Nederland werd intussen almaar groter. ‘De mensen hier vroegen me wel eens wat ik eigenlijk deed’, vertelt Buenen, gezeten in zijn woonkamer in het Brabantse Schijndel: ‘Als ik dan zei dat ik bij Bots speelde, was de reactie: “O, bestaat dat nog?”’

De kloof tussen de bekendheid van Bots in Nederland en in Duitsland viel samen met een verschil in politiek klimaat. Tekenend was de viering van het 125-jarig bestaan van de spd, de oudste en belangrijkste arbeiderspartij van Europa. Kees Buenen: ‘Wij werden speciaal ingevlogen om in de Rijksdag een lied te zingen. Olof Palme was er, iedereen die maar iets voorstelde binnen de sociaal-democratie. Maar wat denk je? Niet één Nederlander!’

Op een dag eindigden ook in Duitsland de jaren zeventig. In ’89 viel de Muur, daarna verbrokkelde de protestbeweging, nam de macht van de spd verder af en hield ook Bots het voor gezien. De band werd niet opgeheven, maar kwam sporadisch bij elkaar. Sanders richtte zich op zijn muziek- en eetgelegenheid Kaffee de Groot aan het Wilhelminaplein in Eindhoven. Hij verzamelde gitaren, kunst en stripboeken. Hij schreef het psv-lied. En hij golfde. De totale depolitisering sloeg toe, zo leek het – het bekende liedje van de jaren negentig, toen Bolkestein joeg op alles wat ‘fout in de Koude Oorlog’ was en de linkse mea culpa’s elkaar in rap tempo opvolgden.

Maar in 2001 pakten Sanders en Bots de draad weer op. De band speelde voor de SP en de Internationale Socialisten en stond op 2 oktober 2004 ineens in het voorprogramma van de historische vakbondsmanifestatie in Amsterdam, waar honderdduizenden mensen op afkwamen. Was dit dezelfde man die een rondedansje maakte op de green omdat hij vanaf acht meter het golfballetje had geput? Blijkbaar. Niet voor niets herdacht Sanders’ vriend Bèr Wilbers hem na zijn dood op dewebsite van de band als ‘soms een raar, ietwat pedant vat vol tegenstrijdigheden, maar altijd een warm, meevoelend mens, goede vriend en grote, inspirerende persoonlijkheid’.

De tegenstrijdigheden zaten ’m niet alleen in zijn wat onvoorspelbare humeur, maar ook in zijn maatschappelijke positie. In 2005 zei Sanders op de radio: ‘Ik ben al 27 jaar lid van de vakbond. Tegelijkertijd heb ik al 23 jaar een eigen onderneming, dat is mijn café. Aan de ene kant word je als kapitalist beschouwd, aan de andere kant zit je in een geëngageerde popgroep met een socialistisch tintje.’ Kapitalist of socialist, voor sommige critici was het nooit goed. De ene keer werd Sanders neergezet als de hypocriete salonsocialist, het volgende moment was hij een man die halsstarrig vasthield aan verouderde idealen, niet bereid de nieuwe tijden te accepteren. Opvallend genoeg kreeg Sanders zulke kritiek zowel van rechts als van links, vertelt Buenen: ‘In de ddr werd Hans soms verweten dat hij zijn platen uitgaf via een multinational als Philips, of dat hij een kroeg had. Daar had Hans schijt aan. Hij zei altijd: ik woon in een kapitalistisch land, er moet brood op de plank komen. En dat golfen vond hij gewoon heel leuk.’

Bij het verschijnen van het album Botsproeven in 2005 ondervond Buenen bovendien hoe veranderlijk de kritiek is. Aanvankelijk werden de teksten van Bots als gedateerd afgedaan. Kees Buenen: ‘Toen heb ik een persbericht geschreven bij de cd waarin stond hoe verrassend actueel die oude teksten nog waren. Als je Ali ouwe Turk vervangt door ouwe Pool, heb je precies hetzelfde verhaal. In alle recensies stond vervolgens die quote. Het is dus maar net hoe je het zegt.’ Te midden van zoveel clichés raakt de echte Hans Sanders gemakkelijk zoek. Wat dacht en vond hij nou werkelijk in zijn laatste levensjaren?

‘We worden weer rechts’– de titel van een oud Bots-nummer – gold in ieder geval niet voor hem. Volgens Buenen stemde hij doorgaans GroenLinks. Hij bespeurde wel een zekere verdieping bij zijn vriend, die begin dit jaar te horen kreeg dat hij ongeneeslijk ziek was: ‘Hij veranderde niet van mening, maar ging wel prioriteiten stellen.’ Sanders maakte zich druk over wantoestanden in de gezondheidszorg waarmee hij nu zelf te maken kreeg. En hij ging de natuur nog meer waarderen. Kees Buenen: ‘Dat had hij altijd al. Zo wist Hans alles van paddenstoelen. Als we een vrije dag hadden tijdens een tournee, in het Zwarte Woud bijvoorbeeld, wandelden we samen door het bos. Dan nam Hans een mandje mee en ging hij paddenstoelen zoeken. ’s Avonds bij het restaurant dat voor ons geboekt was, gaf hij dat mandje aan de kok en die maakte dat dan klaar.’

Sanders’ partner Line Reijn zag een soortgelijke ontwikkeling. ‘Mijn indruk is dat het beeld dat mensen hebben tot tien jaar geleden misschien aansluit’, zei zij in een mooi portret, gemaakt door Vals Plat. ‘Maar de verdere ontwikkeling die hij als ouder wordend mens heeft meegemaakt, is niet uitgedrukt in tekst of muziek. Een mens wordt ouder en in zekere zin genuanceerder. Dat is absoluut mijn indruk van Hans. Wijzer, rijper, zachter.’ In dezelfde documentaire zijn beelden te zien die Sanders zelf vlak voor zijn dood maakte met een camera. Rozenblaadjes. De tuin. Een mooie, koude blauwe hemel. Line Reijn: ‘Hans was trots op de hele Bots-periode. Hij zal daar altijd volledig achter hebben gestaan. En tegelijkertijd wilde hij meer. Ik denk dat we de beelden die hij met zijn camcorder heeft gemaakt, kunnen zien als zijn niet-geschreven liedjes. Poëtisch, teder, respectvol. Dankbaarheid zat er veel in.’

Op de zelfgemaakte opnamen zien we naast de natuur ook een plotseling heel oud geworden man voor de spiegel. ‘Nou, dan nok ik er nou mee. Houdoe.’ En Sanders’ voeten. Ze worden ingesmeerd door Line. Ze trekt zijn sokken aan. ‘Echte linkse en rechtse sokken’, fluistert Sanders hees. ‘Die sokken hebben ooit een duidelijke keuze gemaakt.’ Daarmee was alles gezegd.

3 november 2007