Echte mannen et cetera

De echte vrouw, en dus ook de echte man, kun je aan drie dingen herkennen, even vooropgesteld dat er niet uit de kleren gegaan hoeft te worden. Aan hoe iemand zijn of haar nagels bekijkt, hoe hij of zij checkt of er iets onder zijn/haar schoen zit, en hoe iemand een lucifer afsteekt. Het zijn van die dingen die worden verteld tijdens een etentje in gemengd gezelschap, die dan ook ter plekke uitgeprobeerd worden, en inderdaad, o wonder der seksespecificiteit, alle mannen doen het zus, en alle vrouwen doen het zo.
Het zijn ook van die dingen die ik zo weer vergeten ben, ware het niet dat ik mijn broer onverwacht weer zag. Onverwacht, want ik dacht dat hij in Uruzgan zat, waarnaar hij immers nog maar onlangs uitgezonden was. Maar hij heeft een sterfgeval in zijn schoonfamilie, en mocht met bijzonder verlof. Ik tref hem bij mijn moeder thuis, waar hij even bij wil slapen.
Ik schrik als ik hem zie. Niet alleen heeft hij een volkomen kaalgeschoren hoofd, maar ook houdt hij niet op met praten. Al gauw imiteert hij een Afghaanse militair die met een uzi of misschien wel een mitrailleur (pin mij, vrouw, hier niet op vast) een compleet gezin neermaait.
Ramsey Nasr had ik zoiets laatst ook zien doen, backstage bij het Winternachtenfestival. Met een royaal gebaar trok hij zijn denkbeeldige lightsaber. Met een net iets ander geluid: wop-wop-wop. Van mijn zoon begreep ik later dat je lightsabers in verschillende kleuren en formaten hebt. Die van de schurken zijn rood, die van de helden geel.
Ik denk: echte mannen. Ik heb vrouwen nog nooit een zwaard zien trekken, of een gezin zien neermaaien. Het is vast een vaardigheid verwant aan het bespelen van de luchtgitaar.
‘De mensen daar zijn doodsbang’, zegt hij.
'Waarom?’ vraag ik, en voel me een beetje als Mia Farrow in Crimes and Misdemeanors, die als Woody Allen haar geschokt heeft verteld dat zijn zus een date had met iemand die zich in bed boven op haar wilde ontlasten, op haar allerlijzigst vraagt: 'Why?’
Ons gesprek wordt enigszins gecompliceerd door het feit dat mijn moeder in gesprek is met iemand van de thuiszorg, de officiële reden dat ik ben gekomen. Moet de zorg geïntensiveerd worden, dat is de vraag.
'Ach, de meeste mensen zijn aardig’, hoor ik mijn moeder blijmoedig antwoorden op de vraag of ze hulp genoeg heeft in haar omgeving.
Ondertussen windt mijn broer zich steeds meer op. 'Die Afghanen schieten op alles wat beweegt.’
Mijn moeder loopt naar de keuken en breekt bijna haar nek over de plunjezak in schutkleuren die midden in de kamer staat. Het verhindert haar niet om even een klopje te geven op haar zoons schedel.
'Kort koppie hè? Ach, het staat hem wel.’
Mijn broer vertelt dat hij zich uit pure woede kaal heeft laten scheren.
'Kan ze dat nog zelf?’ vraagt de mevrouw van de zorg.
Ik haat het als mensen het over 'ze’ gaan hebben als ze mijn moeder bedoelen, die zich ook nog eens binnen gehoorsafstand bevindt. Ook haat ik het als ze gaan betwijfelen of 'ze’ nog wel in staat is om zelfstandig koffie te zetten. Mijn lieve moeder die haar hele leven al voor Jan en alleman koffie zet. Snel glip ik haar achterna de keuken in om te souffleren waar de koffie ook alweer staat. Voor het geval dat. Mijn broer is nu aan het ijsberen geslagen, in een steeds kleinere cirkel om me heen.
'En ze worden dus opgeleid door de Australiërs.’
Ik geef mijn moeder de kopjes aan.
'Maar wat moet jij er doen dan?’ vraag ik.
'Dit knopje is het toch hè’, zegt mijn moeder.
'Dat is het ’m juist’, fulmineert mijn broer. 'Ik had een diplomatieke missie, maar er valt met niemand te praten. Iedereen houdt zich schuil.’
Mijn moeder begint alle laden open te trekken. Mijn broer schetst de contouren van een kamp, midden in de woestijn, omringd door bergen waar zich in spelonken her en der wat leven bevindt, dat alleen zigzaggend - om de mijnen te ontwijken -, bij voorkeur te voet, bereikt kan worden.
'Wat zoek je?’ vraag ik.
En tegen mijn broer: 'Misschien moet je niet teruggaan.’
Mijn broer heeft echter inmiddels een persoonlijke missie. Echte mannen et cetera. Hij zal het defensie laten weten ook, zegt hij, en snuift er vervaarlijk bij.
'Oké’, zeg ik, en schuif zijn spullen uit de loopruimte.
’s Avonds zie ik op tv een of andere commandant, verantwoordelijk voor de Uruzgan-missie. Met een klein mondje verkondigt hij: 'We vechten waar het moet, we bouwen op waar het kan.’
Wat een homo, denk ik.