Echte televisie kunst en werkelijkheid

‘IK ZOU HET liefst de Honeymoon Quiz nadoen en dan stiekem de banden verwisselen, zodat niemand het merkt. Dan heb je pas wat bereikt.’
In de tijd dat hij nog samen met Tosca Niterink tv-programma’s maakte als Kreatief met kurk en Borreltijd heeft Arjan Ederveen deze uitspraak regelmatig gedaan.

Een soort onzichtbare televisie wilde hij maken. Een perfecte kopie van een bestaand programma, zo perfect dat het exact zou lijken op het origineel. Afgelopen jaar heeft Ederveen dit verlangen verwezenlijkt. Zonder Niterink, maar met zijn vaste regisseur Pieter Kramer, maakte hij voor de VPRO zijn veelgeprezen 30 Minuten-serie. Een van de eerste filmpjes in deze reeks was een nepdocumentaire over een Friese boer die erachter kwam dat hij in het verkeerde lichaam zat. Diep van binnen voelde hij dat hij thuishoorde bij een primitieve Afrikaanse stam. Een jaar lang werd in dit filmpje de boer gevolgd in zijn transformatie van witte Nederlander tot zwarte krijger. De pigmentbehandeling, het uitrekken van de oren en onderlip, de survival-oefeningen die de boer verrichtte op zijn eigen land, waar hij in een rieten rokje op kikkerjacht ging, zijn eerste pogingen om vanuit de schuur met trommelseinen te communiceren - het werd allemaal stap voor stap in beeld gebracht. De cameraploeg had ook uitgebreid gesproken met de boer en zijn familieleden. Via interviews kwamen we te weten hoe de betrokkenen zich voelden tijdens dit ingrijpende veranderingsproces, dat overigens kundig begeleid werd door een gespecialiseerde therapeut.
Ongetwijfeld zijn er heel wat kijkers ingetrapt. Nietsvermoedende zappers die halverwege het programma binnenvielen en die verbaasd bleven hangen, de hand nog schakelklaar op de afstandsbediening. Het meest verleidelijke van deze nepdocumentaire was de onmiddellijk herkenbare vorm. Kosten noch moeite waren gespaard om het filmpje het aanzien te geven van een aflevering van de NCRV-serie Dokument, of van een serieus item in een actualiteitenrubriek. Zorgvuldig geënsceneerde beelden waarin de camera de boer en zijn familieleden zogenaamd betrapte in situaties die alles vertelden over het stadium van de transformatie waarin zij zich op dat moment bevonden. Goed gekozen muziekjes ter begeleiding, die de beelden een ingehouden dramatiek gaven. Een commentaarstem die precies de juiste zakelijke toon aansloeg. Knap spelende acteurs, die een gepaste ongemakkelijkheid voorwendden in de interviews, overvallen als zij waren door de cameraploeg èn door de bizarre wending die hun levens hadden genomen.
Hoe bizar het gegeven van deze namaak-documentaire ook was, de perfect geïmiteerde vorm waarin het filmpje was gegoten, zorgde voor voldoende geloofwaardigheid. Dat was misschien ook de verborgen betekenis van ‘Geboren in een verkeerd lichaam’. Het filmpje fluisterde dat je de mensen alles kunt wijsmaken, als je het maar op de juiste manier vertelt.
Deze dertig minuten durende namaak-documentaire markeert een hoogtepunt in een ontwikkeling die de Nederlandse televisie momenteel doormaakt: een steeds verdergaande verstrengeling van fictie en werkelijkheid. Eigenlijk is het een logisch gevolg van de manier waarop de televisie zich sinds het begin heeft ontplooid. Uitgevonden als een medium dat de werkelijkheid onmiddellijk kan laten zien, heeft de televisie zich vanaf haar officiële intrede gestort op de vervalsing van die werkelijkheid. Televisiepionier Erik de Vries, die intussen de tachtig is gepasseerd, beklaagt zich daar regelmatig over in interviews. Toen hij met de eerste demonstratiemodellen de wereld rondreisde, was het nieuwe medium z'n naam nog waardig. Het was letterlijk een verre-kijker, die de mensen binnen kon laten zien wat zich op dat moment buiten afspeelde. De tv droeg de belofte in zich om de hele wereld tot in de kleinste hoeken en gaatjes zichtbaar te maken. Om de aardbewoners alles over elkaar te leren.
Maar in zijn optimistische toekomstvisioen rekende De Vries buiten één dominant kenmerk van het nieuwe medium: de manipulatieve kracht van het gefilmde beeld. Hij interpreteerde het tweede deel van het toverwoord televisie als 'kijken’. Dat deed de cameraman: kijken. En dat zouden ook de mensen in de huiskamers doen. Kijken moet je daarbij opvatten als een actieve daad. Zo heeft ook theatervernieuwer Bertolt Brecht erover geschreven. Kijken als een manier om kennis te vergaren. Kijken was al genoeg om de mensen te veranderen, lees: te verbeteren.
Uiteraard vond ook Bertolt Brecht dat mensen niet zomaar naar alles mochten kijken. Wat toneel betreft had hij zelfs zeer uitgesproken opvattingen over wat goed was voor de kijkers en wat uit den boze was. De mensen mochten naar hartelust kijken, maar Brecht wilde dan wèl bepalen wat hen werd voorgeschoteld.
Die autoriteitskwestie kwam ook bij het nieuwe massamedium onmiddellijk om de hoek kijken. Toen de televisie in Nederland officieel haar intrede deed, was daar al een strijd om de macht aan voorafgegaan. De overheid bepaalde uiteindelijk waar de zenders mochten staan en wie daarvan gebruik mocht maken. Dat was bijvoorbeeld niet Erik de Vries, die bij tv-fabrikant Philips eigenhandig met uitzendingen was begonnen en met zijn 'eigen’ zender al verschillende delen van het land kon bereiken. Mede door dat overheidsbeleid werd de televisie na de wilde pioniersjaren een medium van enkelen voor velen. Net als de radio overigens, waarover Brecht in de begintijd nog droomde dat het een interactief apparaat zou worden, waardoor iedereen met iedereen kon praten.
Die droom van een wereldwijd communicatienetwerk is pas bij de introductie van een nieuw medium werkelijkheid geworden. De computer heeft met Internet de zender en de ontvanger gelijkgeschakeld. Of de televisie ooit op dezelfde democratische manier gebruikt zal worden is nog maar de vraag. Marleen Stikker, oprichter van het netwerk De Digitale Stad en momenteel directeur van het centrum voor Oude en Nieuwe Media, vecht al jaren voor een andere bekabeling van Nederland. De televisiekabels die nu worden aangelegd, bieden de aangesloten huishoudens maar heel weinig ruimte om terug te communiceren. Zo blijft 'interactieve’ televisie ook in de nabije toekomst beperkt tot een enkele meerkeuzetoets waarmee de kijkers thuis kunnen bepalen welke van drie aangeboden videofilms zij wensen te ontvangen.
TERUG NAAR Arjan Ederveen. Zijn nepdocumentaires hebben alles te maken met deze veranderingen op mediagebied. Want één ding maakt het Internet - samen met alle nieuwe interactieve speeltjes die het pas ingetreden computertijdperk ons heeft gebracht - pijnlijk duidelijk: hoe hopeloos verouderd de televisie eigenlijk is. En hoe we ons eigenlijk decennia lang hebben laten bedonderen. Actief kijken? Welnee. Als Amerikaanse couch potatoes hebben we ons onderuitgezakt op de bank een werkelijkheid laten voorschotelen die door een select groepje mensen was geprepareerd. Mensen met 'visie’ - ziehier de werkelijke betekenis van het tweede deel van het toverwoord televisie. Specialisten die niet alleen wisten hoe ze de zendapparatuur moesten bedienen, maar ook hoe ze hun eigen 'kijk’ op de wereld moesten overbrengen. Die een uitgebalanceerd dieet samenstelden, met een gezonde dosis degelijke informatie, gelardeerd met een toefje amusement. Ook de explosie aan te ontvangen kanalen en de opmars van de commerciële zenders heeft bijgedragen aan de uitholling van dit bevoogdende systeem. Kijken een actieve bezigheid? Ja, de hand schakelklaar aan de afstandbediening. En niemand die ons meer wijsmaakt dat het vaderlandse publieke omroepbestel de betere televisie biedt.
De autoriteit die de officiële televisie in de eerste decennia van haar bestaan heeft opgebouwd, wordt de laatste jaren van alle kanten betwist. Op de lokale zenders flansen de grootse amateurs uitzendingen in elkaar, alsof televisie maken nooit een vak is geweest. Cameramannen als Frans Bromet schuiven de geschoolde interviewers terzijde en tonen aan dat de camera helemaal geen neutraal doorgeefluik is maar werkt als een gemeen stokertje in intermenselijke relaties. De commerciële zenders verheffen met hun vele soapseries de houterigheid en knulligheid tot de nieuwe norm van het televisieacteren. En op Amerikaanse leest geschoeide praatprogramma’s bieden kijkers zonder visie op wat dan ook de mogelijkheid om hun zegje te doen over het een of andere huis-, tuin- en keukenprobleempje.
EN DAN is er nog de verwoestende werking van de neptelevisie. Ederveen begon daar tien jaar geleden al mee, in de Theo & Thea-programma’s die hij met Tosca Niterink maakte. Dat was nog een relatief onschuldige vorm van namaak-tv. Het was immers voor kinderen gemaakt en werd uitgezonden buiten prime time. Bovendien waren Theo en Thea zo idioot uitgedost met hun jampotbrilleglazen en hazetandjes dat hun visie op de dingen per definitie als absurd werd gezien. Alles wat Theo en Thea naspeelden, kreeg een schromelijke overdrijving mee, en dat maakte het makkelijk om hun VPRO-programma het label 'kritisch’ te geven.
Maar we moeten vooral niet onderschatten wat dit duo heeft aangericht in de tere zieltjes van de Nederlandse kijkbuiskinderen. Met een enorm fanatisme imiteerden Theo en Thea de ingesleten gewoontes van de officiële televisie. De pedagogisch verantwoorde opvatting dat kinderprogramma’s vergezeld moeten gaan van een interessant thema, werd met een satanisch genoegen uitgemolken. 'Waar gaat het vandaag over, Thé?’ vroegen de twee lelijke reuzenkinderen quasi-spontaan aan elkaar, om vervolgens gezamenlijk het antwoord uit te spreken op deze belangrijke vraag. Vaak moesten de kinderen thuis raden waar het over ging, en in de laatste serie Theo & Thea in de gloria moest de gast van de dag via een flauw spelletje 'hints’ het onderwerp raden van de volgende keer.
Een 'semi-live’ programma noemden de makers dit ontbijtmagazine op de zondagochtend. De teksten voor dit praatprogramma-met-showblok waren volledig uitgeschreven en gerepeteerd, en Theo en Theo lieten niets na om dit duidelijk te maken. Als je oude afleveringen terugziet, herken je in het kinderduo de latere presentatoren van Kreatief met kurk en Borreltijd. Diezelfde nadrukkelijke duo-presentatie, waarbij Ederveen en Niterink elkaar uiterst beleefd aanvullen, waarbij ze elkaars teksten zo ongeveer overnemen. Dezelfde kunstmatige, zogenaamd originele 'bruggetjes’ tussen de verschillende onderwerpen. 'Fijn dat je dat zegt. Nu we het daar toch over hebben…’ Theo en Thea speelden grote-mensentelevisie. Ze deden dat in kartonnen decortjes, met gordijntjes waarachter ze zich verkleedden en met requisieten die ieder kind thuis kon aantreffen. Die eenvoud van middelen schiep nog een geruststellende afstand tussen de echte televisie en de nagespeelde versie van Theo & Thea.
BIJ KREATIEF MET KURK en Borreltijd was die afstand tussen parodie en origineel al veel minder geworden. Hier was het studiodecor bijna niet van echt te onderscheiden. Onbeschaamd precies was bij Kreatief met kurk de Teleac-cursus Kreatief met karton nagebootst. Als de makers van het origineel kwaad hadden gewild, hadden ze de splinternieuwe regels omtrent het beeldrecht op dit programma kunnen toepassen. Hier werd, naar analogie met de hedendaagse gebruiken op muziekgebied, een origineel beeld 'gesampled’ en in een nieuwe context geplaatst. En die samples duurden heus langer dan het wettelijk toegestane aantal seconden. Het resultaat was vergelijkbaar met wat Van Kooten en De Bie bereikten met hun naar het leven getekende typetjes: de originele personen gingen angstaanjagend veel lijken op hun persiflages.
Deze week nog stond er op de voorpagina van de Volkskrant een advertentie voor het RTL4-programma Koffietijd. Mijn eerste indruk van de advertentie was dat het een slimme promotieactie betrof van de VPRO. In het kielzog van alle publiciteit rondom Arjan Ederveens theaterrevue Fly Away wil de omroep natuurlijk nog eens wijzen op de oude afleveringen van Borreltijd die momenteel worden herhaald. Die geposeerde foto van een grijnzende Hans van Willigenburg, staande achter zijn fijne collega, die zag ik in eerste instantie aan voor een pastiche van Arjan Ederveen en Tosca Niterink. De originele personen werden weggedrukt door het beeld van de persiflages. Alleen de uitzendtijd verbaasde me: ’s morgens om tien uur. Fervente fans van Borreltijd zijn misschien wel in staat om die persoonsverwisseling een hele uitzending lang vol te houden. Die kunnen dan iedere ochtend om tien uur bij RTL4 genieten van het Borreltijd-gevoel.
Bij zijn 30 Minuten-filmpjes is Ederveen nog een stap verder gegaan. De mimicry is compleet nu hij per aflevering in een ander televisieprogramma kruipt. Door in ieder filmpje andere stijlmiddelen te gebruiken die behoren tot een specifiek genre, tonen hij en regisseur Pieter Kramer de oneindige variatie aan televisieclichés die onze beeldcultuur intussen rijk is. Iedere aflevering van deze serie bewijst dat er niet zoiets bestaat als een neutrale verteller en een neutrale camera. Ieder shot is beladen met de pretentie van een cameraman met een eigen visie op het gebeuren, en in iedere commentaarstem klinkt die zogenaamd afstandelijke betweterigheid door waar een hele televisiegeneratie mee is opgevoed.
Het is een nieuw soort realisme waar Ederveen en Kramer het patent op hebben. Maar de realiteit die zij laten zien is niet de werkelijkheid buiten die Erik de Vries in de huiskamers wilde brengen. Het is de realiteit van de Nederlandse televisie die hier wordt getoond.
EDERVEEN IS niet de enige die zich hiermee bezighoudt. Op de Amsterdamse lokale zender AT5 waren bijvoorbeeld het afgelopen seizoen nep-interviews te zien die nauwelijks van echt waren te onderscheiden. Theo van Gogh praatte wekelijks met een andere vrouw over de liefde, en die vrouw was telkens een andere creatie van Marianne Luyf, de cabaretière die een blauwe maandag deel uitmaakte van het komische trio Jiskefet. Ook Jiskefet heeft zich aardig gespecialiseerd in het nabootsen van de televisiemens, al wordt dat niet zo consequent uitgewerkt in de vorm van de programma’s. Wat deze makers onderscheidt van hun voorgangers Van Kooten en De Bie is het gebrek aan moralisme dat zij tentoonspreiden. Koot en Bie werken nog op een ouderwetse manier toe naar een conclusie. Er is altijd een nauwelijks verholen commentaar verweven in hun persiflages op televisieprogramma’s en televisiemensen. Bij Arjan Ederveens 30 Minuten-serie kun je daarentegen nauwelijks spreken van commentaar. Ederveen doet de televisie niet na om er kritiek op te leveren - het beginpunt bij hem is pure fascinatie. Net als een kind dat optreedt in de playback-show, bootst hij na wat hij op televisie ziet. En hij doet dat zo precies dat zijn 'visie’ versmelt met het origineel.
Dit is televisie die zichzelf in de staart bijt. Ederveens filmpjes tonen wat tv in essentie altijd al was: een gesloten circuit. Geen venster dat uitzicht biedt op de buitenwereld maar een luchtdicht aquarium waarin steeds dezelfde vissen voorbij zwemmen. De vraag is natuurlijk hoe het verder moet. Maar daarop hoeft een journalist gelukkig geen antwoord te bedenken. Het wachten is op wat Ederveen en zijn generatiegenoten komend seizoen weer weten te bedenken.