Kind van kleur

Echte verandering

Terwijl Maurice Seleky in zijn integratieproces steeds kleurlozer was geworden, leek kleur in de wereld steeds belangrijker te zijn. De antiracismeprotesten hebben hem bevrijd van de druk om altijd maar te ‘integreren’.

© Karen Eliot - Flickr

Ook ik stond op de Dam. Voor het eerst sinds tien weken intelligente lockdown tussen een grote groep mensen. Om mijn stem te laten horen over een thema waar ik mijn leven lang mee bezig ben geweest, maar waar ik me nooit nadrukkelijk over had uitgesproken, juist omdat het voor mij zo’n vanzelfsprekendheid was dat een expliciet statement overbodig leek. En ook omdat ik me als man van kleur in een witte wereld altijd behoedzaam heb opgesteld - ik wilde namelijk in die wereld worden erkend als een gelijke en niet als de ander. Het wereldwijde protest tegen racisme heeft me doen inzien dat het tijd is om mijn verhaal explicieter te delen.

Ik ben een hoogopgeleide vintage millennial met een vriendin, een baan in de culturele sector en een koophuis in Amsterdam. Maar bovenal ben ik buiten mijn familiesfeer in vrijwel alle contexten - school, studie en later ook in mijn banen - altijd een van de weinige mensen van kleur in een witte omgeving. Hoewel ogenschijnlijk volledig geassimileerd Nederlander, ben ik me mijn hele leven zeer bewust geweest van mijn huidskleur en culturele achtergrond. Als product van de zeldzame combinatie van Molukse, Javaanse én Antilliaanse roots ben ik een kind van de koloniën - zonder Nederland als voormalige kolonisator zou ik niet bestaan. Mijn grootouders komen alle vier van een ander eiland - de reden waarom ik zelf misschien zo melancholisch ben aangelegd. Men wil immers altijd weg van een eiland en daarna altijd weer terug.

Wat betekent het om als enkeling van kleur te zijn in een witte omgeving? Voor mij zijn het particuliere en specifieke kwesties die misschien toch ook door anderen worden herkend.

Zo zette ik al tijdens het opgroeien tussen drie culturen mijn vraagtekens bij de zogenaamde scheidslijn tussen zwart en wit. De werkelijkheid was diffuser. Dat merkte ik ook aan gesprekken bij ons thuis. Als mijn moeder het aan de telefoon had over witte Nederlanders als ‘Makamba’ riep dat precies hetzelfde gevoel op als het woord ‘Belanda’ dat door mijn Molukse familie werd gebruikt in het Maleis - de afstand tussen mijn ouders tot Nederland was een andere dan mijn eigen afstand tot Nederland.

Logisch, want mijn vader was als oudste zoon van een Molukse KNIL-militair en zijn Javaanse vrouw nog in Indonesië geboren en mijn moeder was opgegroeid op Curaçao - beide voormalige kolonies hadden een eeuwenlange geschiedenis met door Nederland geïntroduceerde raciale ongelijkheid.

Maar ik groeide zelf op als Nederlander, met vrijwel alleen maar witte vrienden. Ik was trots op mijn achtergrond, maar wilde niet worden gedefinieerd door mijn kleur. Toch werd ik regelmatig gedwongen om me tot mijn kleur te verhouden, bijvoorbeeld door witte micro-agressie die ik als kind van kleur overal wel tegenkwam. Zoals die keer dat ik op een verjaardagsfeestje in Rotterdam was en dat de opa tegen de vader van het jarige klasgenootje sprak over de hoeveelheid ‘zwartjes’ die hij op straat zag. Ja, het straatbeeld van de maasstad was veel kleurrijker dan die van de stad in het zuiden waar ik opgroeide, maar achter die constatering leek een nog veel scherpere gedachte schuil te gaan.

Een paar jaar later beschouwde ik het als jonge tiener op mijn witte gymnasium als een compliment toen een klasgenootje zei dat ze geen verschil zag tussen mij en de rest van de klas. Ze zag mijn kleur helemaal niet. Wat is daar mis mee, zou je denken? Pas veel later begreep ik het. Het had niet zozeer met haar beoordeling te maken, het was mijn eigen zelfbeeld dat werd bepaald door huidskleur. Dat ik me goed voelde, was omdat ik net zo goed wit had kunnen zijn en dat was voor mij in die tijd blijkbaar een status om te bereiken.

Ik viel voor witte vrouwen. Een vrouw van mijn eigen kleur voelde als familie. Ik vraag me af of een witte man dat ooit gedacht heeft van zijn witte vrouw. Ook spookte regelmatig de gedachte door mijn hoofd dat nog niet zo lang geleden het compleet onmogelijk zou zijn dat een donkere man een relatie zou hebben met een witte vrouw. Iedere keer dat ik in mijn jonge jaren met een wit meisje in bed lag, tartte ik het koloniale systeem van weleer. Dat was ook een opwindende gedachte moet ik bekennen, maar het kwam voort uit een hyperbewustzijn over mijn kleur en achtergrond.

Als witte mensen vroeger het verschrikkelijke woord ‘neger’ gebruikten, soms om mijzelf te omschrijven, liet ik dat van me af glijden, maar het woord deed me wel degelijk pijn. Ondanks mijn Molukse voorkomen, voelde ik mijn bloed - met daarin ook het bloed van mijn grootvader van moederszijde die ik altijd op Martin Luther King vond lijken - koken. Maar destijds leek het ondenkbaar om taal of cultuur aan te passen en het laatste wat ik wilde was om door dit - vaak terloops geplaatste woord - ter discussie te stellen de aandacht op mij te vestigen als iemand die zich gediscrimineerd of gekwetst voelde. Uit trots - want ik vond mezelf immers geen slachtoffer.

Ben ik gediscrimineerd of heb ik anderszins nadeel ondervonden van mijn kleur? Ik weet niet wat ik niet weet. Ik heb geen idee of mensen me ooit hebben beoordeeld op mijn huidskleur of afkomst. Geen bewijs dat ik daardoor misschien een baan of iets anders niet heb gekregen. Uiteindelijk wist ik natuurlijk ook niet hoe witte mensen echt over mensen van kleur praatten als wij er niet bij waren, of hoe ze diep in hun hart over ons dachten.

Maar goed, die witte mensen gaven wél de toon aan in deze samenleving - Nederland was immers ook een volledig witte maatschappij tot in een recent verleden en juist in dat verleden was het een koloniale mogendheid met een geïnstitutionaliseerd besef van eigen superioriteit over de gekoloniseerde volkeren, mijn voorvaderen, die al dan niet zwart (in de West) of bruin (in de Oost) waren.

Al deze bewust en onbewust opgeslagen signalen vanuit de maatschappij sublimeerden bij mij in het credo ‘integreren’. Als ik succesvol wilde worden in Nederland, dan moest ik me de taal, de cultuur, de gebruiken, de mores en de codes van dit land eigen maken. En heel hard werken natuurlijk. Dat was eigenlijk het enige wat ik hoefde te doen, want op papier waren er gelijke kansen voor iedereen.

In Nederland waren er weinig rolmodellen van kleur in mijn jeugd in de jaren tachtig en negentig. In de wereld van media en cultuur, die mij het meest aansprak, kon ik me alleen verwant voelen met Humberto Tan, Rocky Tuhuteru en Anil Ramdas - in de eerste plaats mannen van grote betekenis door hun werkzaamheden, en in de tweede plaats ook omdat ze zeer zeldzame voorbeeldfiguren waren in een wereld die overweldigend wit was.

Buiten Nederland waren er ook weinig rolmodellen. Voor mij persoonlijk vooral Mahatma Gandhi en Nelson Mandela, die me inspireerden om rechten te gaan studeren (ook al was geschiedenis mijn lievelingsvak) omdat zij dat ook hadden gedaan. En zij hadden in hun jeugd het witte systeem ook van binnenuit leren kennen.

En zo kwam het dat ik via integreren, invechten en hard werken toegang kreeg tot enkele van de meest gesloten circuits van het land. Van de universiteit en het studentencorps tot de filmacademie en de literaire wereld. Later moest ik bij veel van die stappen vaak aan Barack Obama denken, een man van wie in het begin werd gezegd dat hij een post-raciale president zou kunnen zijn. Zo zag ik mezelf ook - als iemand die het vraagstuk van racisme kon overslaan, omdat ik immers al zo ver was gekomen, ondanks mijn kleur. Betekende dat dan dat kleur er inderdaad niet meer toe deed?

Die vraag bleek al snel naïef. Want één zwarte president was niet voldoende om een eeuwenoud construct van raciale ongelijkheid in de Verenigde Staten ongedaan te maken. En ook in mijn eigen leven kwam ik erachter dat kleur nog steeds een grote rol speelde in de maatschappij, wat onder meer bleek uit de opkomst van rechts-populistische partijen, het debat over de afschaffing van Zwarte Piet en de roep naar meer inclusie binnen de werelden van media, cultuur en onderwijs.

Terwijl ikzelf in mijn integratieproces kleurlozer was geworden, leek kleur in de wereld steeds belangrijker te zijn. Dat stimuleerde mij - inmiddels dertiger - om me hernieuwd te verdiepen in mijn eigen culturele achtergrond, waardoor ik bevriend raakte met andere Molukkers in Amsterdam. Ook ontdekte ik het belang van het publieke gesprek over racisme en discriminatie, en kritische reflecties op de geschiedenis, omdat ik via mijn werk in contact kwam met uitgesproken stemmen van kleur - wetenschappers, activisten, schrijvers, kunstenaars en opiniemakers.

Ook al was kleur voor mij persoonlijk slechts een van de vele facetten van mijn identiteit en had ik zelf vanwege mijn eigen privileges het monster van racisme nooit in de bek hoeven te kijken - dat betekende niet dat er voor grote groepen mensen van kleur geen andere realiteit gold. Ook al leken al mijn witte vrienden, collega’s en relaties van goede wil en ruimdenkend over diversiteit en inclusiviteit, dat betekende niet dat er in het ecosysteem van instituties in Nederland geen componenten van racisme konden bestaan. Laat staan dat een groot deel van de mensen buiten mijn kringen en algoritmes juist tegenovergesteld in dit hele vraagstuk stond.

De antiracismeprotesten, waarin mensen van alle kleuren schouder aan schouder de instituties tot verantwoording roepen, schudden de wereld momenteel wakker uit een sluimering die zij zichzelf veel te lang heeft gepermitteerd. Dat hebben ze gedaan bij veel witte mensen, maar ook zeker bij mensen van kleur - zoals ik. Daarom stond ik zelf op de Dam en schrijf ik nu dit stuk.

Want de protesten tonen aan dat de echt moeilijke gesprekken nog niet zijn gevoerd, ook al dacht de progressieve voorhoede van dit land wellicht dat we er al waren. Ook ikzelf moet dat gesprek op een nog dieper niveau aangaan. Want welke rol ga ik spelen bij de oplossing van dit vraagstuk? Zal ik, als lid van het managementteam van een museum nog steeds een enkeling van kleur in een witte context, bij kunnen dragen aan echte verandering? Bijvoorbeeld in de cultuursector, een collectief van instituties dat mits sterk hervormd bij uitstek kan dienen als bruggenhoofd van een rechtvaardiger wereld?

Het is duidelijk dat we aan het begin staan van een nieuwe fase binnen het publieke gesprek over racisme. Desalniettemin sluiten de protesten voor mij persoonlijk ook een fase af, want ze hebben me bevrijd van de druk om altijd maar te ‘integreren’. Ik ben inderdaad geen slachtoffer, maar een gelijke. Daarmee is er een einde gekomen aan een meer dan dertig jaar durende periode van hyperbewustzijn over kleur en achtergrond die ik in mezelf opgesloten hield met een intelligente lockdown.


Maurice Seleky (Utrecht, 1982) is auteur, presentator en communicatiestrateeg. Hij schreef de romans Ego Faber (Ambo-Anthos, 2010) en Een tragedie in New York (Ambo-Anthos, 2017). Sinds 1 april is hij hoofd Communicatie & Marketing van het Amsterdam Museum. Daarnaast is hij regelmatig actief als moderator van talkshows, podcasts en andere publieke programma’s.