Interview Driek van Vugt

«Echte vrienden heb ik niet gemaakt»

Vorige maand werd de nieuwe Eerste Kamer beëdigd. De SP’er Driek van Vugt (23) was er niet bij. Vier jaar geleden wel. «Voor een goed onderbouwd verhaal hoef je niet met één been in het graf te staan.»

Vier jaar geleden was hij een opvallende verschijning tussen de oude heren en dames van de Eerste Kamer. Sommigen noemden hem «ons kind», sloegen voor de dinsdagse vergadering een grootvaderlijke arm om hem heen en vroegen hoe het met zijn studie ging. «Ze probeerden me in te kapselen. Want zo gaat dat: het establishment probeert het anti-establishment in te kapselen. Ze complimenteerden me als ik netjes gekleed was, complimenteerden me met een goed inhoudelijk verhaal en vroegen hoe het met mijn studie ging. Maar als ik een scherp betoog hield kreeg ik die complimenten niet. Ze hoopten dat ik onderdeel van het instituut zou worden en daardoor minder kritisch.»

Met de komst van de negentienjarige Driek van Vugt daalde de gemiddelde leeftijd in de senaat drastisch. Zijn politieke ervaring op dat moment: veertien maanden in de gemeenteraad van Leiden. Nog altijd is hij «meer een actievoerder dan een politicus», zegt hij. Van Vugt — bijnaam: Dolle Driek — zat de afgelopen vier jaar niet stil. Hij kraakte woningen, werd opgepakt omdat hij wilde controleren of de Spoorwegen bij de bouw van de Betuwelijn wel goed op de salamanders letten, en werd door de politie op zijn eigen Binnenhof met handboeien aan een hek vastgebonden omdat hij een bevriend staatshoofd beledigde. «Ik sta liever op de barricade dan achter het spreekgestoelte», zegt hij daarover. Inmiddels is hij bijna afgestudeerd politicoloog en de jongste ex-senator aller tijden. Zijn rol in Den Haag zit er op, voorlopig. Op het Rotterdamse partijbureau van de Socialistische Partij is hij de nieuwe spil van jongerenorganisatie Rood.

U bent twee keer gearresteerd. Is dat niet een volksvertegenwoordiger onwaardig?

Driek van Vugt: «Nee, integendeel. Een kamerlid moet belangen behartigen. Soms moet je regels overtreden, als die fatsoenlijke politiek belemmeren. Daar heb ik totaal geen moeite mee. Het is ook geen verzet dat anderen schaadt. Neem het bezoek van Chirac aan Den Haag. We wilden op het Binnenhof aandacht vragen voor Mururoa. We hadden spandoeken, we hebben hem geen kwaad gedaan. Toch zegt de rechter: u heeft een bevriend staatshoofd beledigd, u heeft als volksvertegenwoordiger een voorbeeldfunctie. Precies, daarom doe ik dat soort dingen. Ik kreeg een boete van vijftienhonderd gulden. Daar schrok ik behoorlijk van. Met de actie ‹Een piek voor Driek› hebben we dat bedrag op straat ingezameld.»

Vorig jaar droeg u tijdens de troonrede een pet met de tekst: «Geen aanval op Irak».

«Toen ik die pet opzette keek iedereen naar me. Er begon geroezemoes in de Ridderzaal en vrij snel kwamen twee pipo’s van de beveiliging naar me toe: of ik die pet wilde afzetten. Het hoofd voorlichting van de Eerste Kamer kwam er ook bij. Ik zei: ‹Ik zet die pet niet af.› Na twee pogingen gaven ze het op.»

Heeft het nog consequenties gehad?

«Ik ben bij de voorzitter op het matje geroepen. Hij zei: ‹Dit kan niet, de troonrede is niet bedoeld voor politieke uitingen.› De koningin spreekt en anderen zitten stil en houden hun bek dicht, met een mooie hoed op. Als de troonrede een hoedenparade is, dan doe ik daaraan mee.»

Geen spijt betuigd?

«Ik heb de voorzitter toen beterschap beloofd, maar niet gezegd dat ik het nooit meer zou doen. Voor dergelijke acties moet ruimte zijn, het houdt de politiek levendig. Als Nederland weer politieke steun verleent aan een imperialistische oorlog grijp ik opnieuw alle middelen aan om verzet te plegen. Het is toch ook belachelijk: die oorlog is helemaal niet in de Eerste Kamer besproken.»

Wat zeiden collega’s?

«Sommige collega’s vonden het wel een toffe stunt en vertelden anekdotes over hun eigen protesten in de jaren zestig. Dan denk ik: waarom doe je dat nu niet meer?»

Hoe was het contact met de andere senatoren. Hebt u vrienden gemaakt?

«Ik zat vaak aan de rooktafel. Dan kletste ik wat met andere rokers, maakte een grapje met Ed van Thijn, die een sigaartje rookte. Het was zoals gewone mensen met elkaar praten. Anderen spraken in de wandelgangen over politiek, ik nauwelijks. De oppositiepartijen doen daar niet ter zake. Maar echte vrienden heb ik niet gemaakt. Ik kon het wel goed vinden met Elske ter Veld. Zij is ook een beetje rebels. Soms zei ze voor een stemming tegen me: ‹Stem jij in mijn plaats maar tegen deze wet.› Zelf stemde ze dan wel voor — zij kon het niet maken tegen het kabinetsbeleid te stemmen. De paarse partijen hadden maar een nipte meerderheid in de Eerste Kamer: 38 tegen 37 stemmen. Voor haar had ik wel waardering, ergens brandde nog een rood lichtje. Aan de andere kant: je bent natuurlijk een slapjanus als je tegen je principes stemt.»

Kijkt u nu anders tegen de Eerste Kamer aan dan vier jaar geleden?

Van Vugt: «Toen ik senator werd was mijn mening gebaseerd op imago en vooroordelen. Helaas ben ik in mijn mening bevestigd. Het is me tegengevallen. Alles gaat zo traag, het is vooral gewichtigdoenerij. Hoeveel wetsvoorstellen heeft de Eerste Kamer de laatste jaren tegengehouden? Dat is op twee handen te tellen. Rechtvaardigt dat het in stand houden van het instituut?»

Is het niet vreemd lid te zijn van een orgaan dat je wilt afschaffen?

«Nee, dat is wel leuk. Als politieke partij moet je van alle podia gebruikmaken om je standpunten te verkondigen en de belangen van je achterban te behartigen. Daarnaast proberen we de toko van binnenuit op te heffen. Een andere mogelijkheid is er ook niet: om tot afschaffing te komen is wijziging van de grondwet nodig en dus een tweederde meerderheid in beide Kamers. Eigenlijk is het dus een surrealistisch verlangen: de grondwet maakt forse ingrepen in het staatsbestel vrijwel onmogelijk.»

Was uw afvaardiging naar de Eerste Kamer een provocatie van de SP?

«Nee. Het was een serieus signaal. Zo veel mogelijk mensen moeten zich herkennen in de volksvertegenwoordiging, ook jongeren. Hier geldt: als er één schaap over de dam is, volgen er meer. Dat zie je nu: de PvdA heeft iemand van 29 in de nieuwe Eerste Kamer (Kim Putters — rk). Voorheen was de jongste na mij dik in de veertig. Dat ik jong ben wil nog niet zeggen dat ik geen goed onderbouwd oordeel kan hebben of een goed verhaal voor de minister kan houden. Daarvoor hoef je echt geen zestig te zijn en met één been in je graf te staan.»

In het begin was er veel scepsis.

«Ik was nog niet geïnstalleerd of sommige kamerleden stonden al op hun achterste benen: dat kan toch niet, zo’n jochie zonder levenservaring. De toenmalige voorzitter van de Eerste Kamer, Korthals Altes, gaf een interview aan Netwerk. Wat vond hij van een negentienjarig kamerlid? Hij zei: ‹De grondwet verbiedt het niet.›

Na mijn maiden speech werd de scepsis minder. Mijn eerste optreden heb ik bewust serieus aangepakt. Ik had een doorwrocht en degelijk betoog over de prestatiebeurs voor studenten. Dat leverde respect op. De Kamer merkte dat ik niet kwam om het instituut belachelijk te maken, om mijn broek naar beneden te trekken. Daar waren ze misschien een beetje bang voor.»

Hebt u opstartproblemen gehad?

«In het begin ging ik naast mijn schoenen lopen. Dat ontken ik niet. Ik koketteerde met mijn kamerlidmaatschap. Maar moet je je voorstellen: ik was negentien jaar, had een jaar ervaring in de gemeenteraad van Leiden en stond vol in de spotlights. Maar het is er gauw uitgestampt. Partijgenoten zeiden: doe normaal, who the fuck is Driek van Vugt? Sindsdien stel ik me in dienst van anderen. Pijnlijke ervaring? Nee, leerzaam. Binnen de SP houden we niet van gedraal. Maak je een fout, dan hoor je dat direct.»

Onderscheidde u zich, behalve op straat, ook in de Kamer?

Van Vugt: «Als ik het woord nam veranderde er iets. Iedereen keek naar me. Ik koos een eigen stijl: normale spreektaal en weinig moeilijke woorden. En ik probeerde beeldend te vertellen. Een voorbeeld: bij de behandeling van de begroting van VWS heb ik verteld dat ik als kind met mijn vader naar Willem II ging. Nu moet een vader een clubcard hebben voordat hij kaarten mag kopen en is er een combi regeling voor uitwedstrijden. Dan moet dat kind zeker ook onder politiebegeleiding mee in die trein met al die supporters. Dat klopt toch niet? Zo belemmer je de goedwillenden. Tijdens mijn betoog droeg ik een spijkerbroek en een sportjack — niet vies, redelijk netjes. Ik dacht: als het over voetbal gaat kan ik dat best aandoen. Daar kreeg ik wel reacties op.»

Wat hebt u bereikt?

«Andere sprekers begonnen door mijn aanwezigheid vaker over jongeren. Ze wilden niet dat ik het alleenrecht kreeg op dat onderwerp.»