Economie

Economenvolk

Een ieder staat het vrij zich econoom te noemen: het is geen beschermd beroep. Dat is een verschil met bijvoorbeeld advocaten of artsen, waarvoor via de opleiding en een eed een drempel is opgeworpen. Zo’n drempel voorkomt niet een gevalletje-Moszkowicz of een geval-Jansen Steur, maar biedt wel de mogelijkheid om iemand eruit te trappen. Ook voor sommige hoogleraren is een aanstelling als econoom voor het leven te lang.

De verdeeldheid onder economen is haast spreekwoordelijk. Dat is eenvoudig te onderkennen in deze tijd waarin financieel-economische onderwerpen zoveel aandacht krijgen: voor of tegen loonmatiging, voor of tegen extra bezuinigingen, voor of tegen Grexit. Het is niet moeilijk om een econoom vóór en een econoom tégen te vinden. Maar dat is toch niet omdat econoom een vrij beroep is. Dat is wel omdat ‘meningsverschillen van de economen in de regel niet zozeer over de economische wetenschap gaan maar over de politiek’, om de overleden leermeester Jan Pen te citeren uit zijn Dat stomme economenvolk met zijn heilige koeien: ‘Er is maar één economische wet: het moet uit de lengte of uit de breedte komen. De keuze tussen lengte en breedte is politiek.’ De (zelfbenoemde) economen in de media laten zich toch graag verleiden tot een keuze; zonder een duidelijke keuze zouden ze niet door de media gevraagd worden. Over politieke keuzes verschillen economen.

Het gezelschap van economen is bovendien minder gemêleerd dan van een vrij beroep te verwachten is. Economen zijn door hun vak gelijk gevormd (of misvormd, zo u wilt). Ze hebben gemeen dat ze de keuze duidelijk benoemen en vertrouwen hebben in marktmechanismen en keuzevrijheid. ‘Ik zweer trouw aan de wetten van vraag en aanbod en zal de keuzevrijheid van individuen altijd hoog houden.’ Zo zou een deel van de economeneed kunnen luiden. Gevolg is dat er meer overeenstemming onder economen is dan gedacht wordt.

Een initiatief van de website ­MeJudicemaakt dat op een charmante wijze duidelijk. Sinds kort is er een panel van economen dat met enige regelmaat stellingen krijgt voorgelegd. Bij sommige stellingen zijn economen onderling verdeeld. Zo komen er uiteenlopende reacties op de stelling dat het beleid van bezuinigingen en lastenverzwaringen zal leiden tot langdurige stagnatie van de economie. Maar bij veel stellingen blijken economen opvallend eens­gezind. Zo is een ruime meerderheid van de economen het eens met de stelling dat versoepeling van het ontslagrecht de werkloosheid onder oudere werknemers zal laten stijgen, dat het topsectorenbeleid geen bijdrage aan de innovatiekracht van Nederland levert en dat het zorgstelsel zonder hogere eigen bijdragen of een kleiner basispakket onbetaalbaar is.

Het initiatief zou nog aan kracht winnen als de stellingen niet alleen aan een gezelschap van economen maar ook aan een steekproef onder de bevolking zouden worden voor­gelegd. In de VS is daarmee al de nodige ervaring opgedaan. Er gaapt een kloof tussen deskundigen en leken. De verschillen in antwoorden zijn opvallend groot. De gemiddelde Amerikaan ziet door internatio­nale handel, nieuwe technologieën en grensoverschrijdende immigratie banen verdwijnen, terwijl de gemiddelde econoom juist nieuwe banen ziet verschijnen en een impuls voor innovatie verwacht. Verder kijken deskundigen en leken geheel anders naar markten. Zo denkt de helft van de Amerikanen dat de beurskoersen te voorspellen zijn, terwijl geen van de economen dat denkt. Verder ziet de gemiddelde Amerikaan achter de stijging van de benzineprijs grijpgrage oliemaatschappijen terwijl de gemiddelde econoom een internationaal spel van vraag en aanbod ziet.

De kloof tussen onderlegde economen en gewone stervelingen is waarschijnlijk van alle tijden. Jan Pen heeft er meer dan dertig jaar geleden al over geschreven. Maar de posities zijn toch veranderd. Vóór de crisis, in 2007, verscheen het boek The Myth of Rational Voter, waarin de Amerikaanse econoom Bryan Caplan uitlegt dat de kiezer systematisch dezelfde fouten maakt. Na de crisis, in 2013, concludeert het Britse tijdschrift The Economist dat ‘to become more relevant, economists will have to do a better job of explaining how their findings apply to a very messy, very political world’. Economen zijn door de crisis net zo zeer getroffen als bankiers: hard van hun voetstuk gevallen.

Jan Pen wees op het gevaar dat politici zich achter economen verschuilen. Dat gevaar is voorlopig geweken; zoveel geloof wordt er nu niet aan woorden van economen gehecht. Het gevaar is eerder dat economen op politici lijken. De stelling dat de zorg onbetaalbaar is, waarmee zoveel economen instemmen, vraagt niet om een economisch oordeel maar is een politieke keuze. Politici en kiezers weten dat en hoeven zich weinig van dat economenvolk aan te trekken. Voor economen geldt hetzelfde als voor bankiers: back to basics. De basis is die ene wet van Jan Pen: het moet uit de lengte of uit de breedte komen.