Economie

Economisch patriottisme

De Amerikaanse regering mag volgend jaar ruim 34 miljard dollar uitgeven aan energie- en waterbeleid. Deze toestemming kwam van het Huis van Afgevaardigden toen die in juli The Energy and Water Development Appropriations Bill 2010 aannam. In de Verenigde Staten is voor een groot deel van de uitgaven van de federale overheid jaarlijks expliciete toestemming van het parlement nodig.
De wet staat vol mooie plannen over duurzame energie, waterkwaliteit en kustbescherming – al had president Barack Obama graag wat meer geld gekregen om aan projecten voor groene energie te besteden. Maar er staat ook een opvallende passage in die niets met energie of water te maken heeft. Artikel 504 is er door het Democratische congreslid Larry Kissell persoonlijk ingefietst. De tekst van de wet luidt als volgt: ‘Geen van de fondsen die door deze wet vrijkomen, mogen gebruikt worden voor het aankopen van andere motorvoertuigen dan die geproduceerd door Ford, General Motors of Chrysler.’
Geen Mitsubishi’s dus voor Amerikaanse waterbouwkundigen. Energiedeskundigen moeten hun Volvo laten staan. En als de in de wet aangekondigde studie naar overstroming van het Chowan River Basin in Kissells eigen staat North Carolina wordt uitgevoerd, mogen de onderzoekers zich niet per Toyota Landcruiser verplaatsen. Geld van de Amerikaanse belastingbetaler mag alleen worden uitgegeven aan Amerikaanse wielen. De drie grote autofabrikanten uit Detroit hebben het door de kredietcrisis en de daaropvolgende recessie bijzonder zwaar gekregen. General Motors ging failliet en werkt nu aan een doorstart, Chrysler werd eerder dit jaar ternauwernood gered door Fiat, en Ford weet maar net op eigen kracht te overleven. Vele duizenden banen in de auto-industrie staan op het spel. De autofabrikanten moeten op iedere mogelijke manier worden geholpen.
Maar er zit ook een zwarte kant aan het economisch patriottisme van politici als Kissell. Andere landen beschouwen de ‘koop Amerikaans’-clausule in de nieuwe wet als een onterechte handelsbelemmering. De ambassadeur van de Europese Unie in Washington, de Ier John Bruton, tekende dan ook direct bezwaar aan tegen het wetsartikel. In opvallend ondiplomatieke taal schrijft Bruton: ‘Het negeren van andere in Amerika geproduceerde voertuigen, en van voertuigen gemaakt buiten de VS, is slecht milieubeleid, slecht begrotingsbeleid en slecht economisch beleid.’ Ook waarschuwt de Ier dat dit soort wetgeving kan leiden tot soortgelijke maatregelen in andere landen in de wereld, en zo uiteindelijk het Amerikaanse belang kan schaden – een nauwelijks verholen dreigement aan het adres van de Amerikaanse wetgever.
Zit er een nieuwe handelsoorlog tussen de VS en Europa aan te komen? Dat is goed mogelijk. Dit soort voorbereidende beschietingen hebben de eigenschap snel uit de hand te lopen. Zeker als de auto-industrie onderwerp van de ruzie is, want die sector is in Europa minstens zo gepolitiseerd als in de VS.
Maar het is waarschijnlijker dat de zaak met een sisser afloopt. De ernstigste economische crisis in tachtig jaar tijd, die de wereldeconomie momenteel treft, heeft nog bijzonder weinig gevechten over handel opgeleverd. Dat mag een klein wonder heten. Normaal gesproken wentelen binnenlandse politici de economische problemen van de eigen bedrijven graag af op het buitenland. Vraaguitval bij binnenlandse producenten leidt dan bijvoorbeeld tot hogere invoerheffingen waardoor de concurrentie van buitenlandse producenten wordt uitgeschakeld. Als alle landen dat doen, stort de wereldhandel in elkaar en komt de economische neergang in een stroomversnelling. Zo ging dat ook tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig van de vorige eeuw. De Amerikanen verhoogden de invoertarieven voor ruim twintigduizend buitenlandse producten tot historische hoogte, handelspartners sloegen terug met soortgelijke maatregelen en de wereldhandel viel terug tot ongeveer een derde van het niveau van voor de depressie.
Economen zitten al een aantal maanden stilletjes te bidden dat de politici het deze keer verstandiger doen. En tot veler verbazing lijkt het de goede kant op te gaan. Op de website Globaltradealert.org houden verschillende internationale organisaties gezamenlijk het handelsbeleid in de gaten. Tot nu toe is er nog niet al te veel schokkends te melden. Larry Kissells artikel 504 is de uitzondering, niet de regel. Dat is goed nieuws. Zolang de politici in Amerika, Europa en Azië het hoofd koel houden en niet naar het verleidelijke middel van protectie grijpen, blijft de mogelijkheid aanwezig dat de wereldeconomie na de kredietcrisis weer snel opkrabbelt.