Eddie van Halen, 26 januari 1955 – 6 oktober 2020

De Nederlandse Eddie van Halen werd in de VS de gitaarrockgod uit de wildste dromen van iedere gitarist. Van Halen kon zijn gitaar laten gieren, briesen en opstijgen, maar nooit klonk het als muzikaal machismo.

Het minst geliefde album dat rockband Van Halen ooit maakte, het album Van Halen III uit 1998, eindigt met een piano-ballad. ‘How Many Say I’ heet het nummer, gezongen door een lage stem, die klinkt zoals de oudere Leonard Cohen zong: pratend. Dit was niet de nieuwe zanger van de band, de van rockband Extreme afkomstige Gary Cherone. Nee, hier klonk Eddie van Halen, die met zijn band meer dan tachtig miljoen albums had verkocht, in ieder denkbaar lijstje van beste en invloedrijkste gitaristen aller tijden (er zijn er ontelbare van; je zou daar ook weer een lijstje van maken) bovenin was geëindigd of gewoon op één, en die nu voor het eerst in zijn leven eens zóng. Gewoon, omdat hij daar zin in had.

Je zou het soms vergeten bij een band die één charismatische zanger heeft gehad (Sammy Hager) en één zanger voor wiens flamboyante extravagantie de term ‘charisma’ tekortschiet (David Lee Roth), maar het plezíer van spelen, dat werd bij Van Halen nog het meest belichaamd door Eddie van Halen. Kijk in elke clip of bij elke live-opname naast de uitbundige showclown Roth en daar staat iemand te grijnzen, en dat is Edward Lodewijk van Halen, geboren in Amsterdam als zoon van de in Jakarta getrouwde Eugenia van Beers en jazzmuzikant Jan van Halen, en de eerste jaren van zijn leven opgegroeid in Nijmegen. Juist die vrijheidsdrang van Van Halen, de speelsheid en die losse bravoure, heeft de band altijd onderscheiden van veel andere grote (hard)rockbands.

Illustratief eigenwijs: het tweede nummer op het debuutalbum, ingeklemd tussen wereldhit ‘Runnin’ With the Devil’ en de Kinks-cover ‘You Really Got Me’ was ‘Eruption’, een gitaarsolo van 1’42’’. Het klinkt zoals iedereen die ooit een elektrische gitaar heeft opgepakt zou willen klinken, maar dat nooit deed. Technisch en vrij tegelijk. Geen zanger die er doorheen zingt bovendien; alle spotlights op de snaren. Eddie van Halen kon zijn gitaar laten gieren, briesen en opstijgen, maar nooit klonk als het muzikaal machismo. Het was niet opscheppen, het was lol trappen op een gitaar.

‘Ain’t Talkin’ bout Love’, ‘Panama’, ‘Hot for Teacher’, ‘Don’t Tell Me’: het zijn nummers waarbij de openingsriffs je bij de lurven grijpen. Die laatste komt uit de jaren met Sammy Hager, die de op papier onmogelijke taak had Roth op te volgen. Iets van de speelsheid van Van Halen verdween, maar de kwaliteit en populariteit van de band leden niet onder de wissel. Van Halen speelde in de jaren tachtig en begin jaren negentig in de Verenigde Staten zulke grote stadions vol dat de band nauwelijks naar het oorspronkelijke continent van Eddie en zijn broer (en drummer) Alex kwam.

Elke rockgitarist had ooit gitaar leren spelen door naar Eddie van Halen te luisteren

De donker getoonzette grunge van Nirvana, Pearl Jam en Alice in Chains maakte een hardhandig einde aan veel opgeföhnde rock en metal uit de jaren tachtig, maar Van Halen had daar geen last van, de band was ook populair bij alternatievere muzikanten. De reden was simpel: elke rockgitarist, ook die van de verre van vrolijke grungebands, had ooit gitaar leren spelen door naar Eddie van Halen te luisteren. In een Van Halen-nummer, of in ‘Beat It’ van Michael Jackson.

Eind jaren negentig werd Van Halen alsnog een rommeltje. Al was niet de zanger, maar de gitarist bij Van Halen onvervangbaar, nóg een zangerswissel was er toch een te veel, en daarna kwam Hagar weer terug, en toen Roth, en toch weer niet en toch weer wel, vloog de populaire bassist Michael Anthony eruit, en kreeg Eddie van Halen steeds meer last van zijn gezondheid, en van zijn verslavingen. Al kwam er dit millennium nog een album met Roth, verrassend sterk want gebaseerd op oude demo’s en ideeën, de afbladdering van het instituut Van Halen had ingezet, in een tijd bovendien waarin de gitarist niet meer de toon zet in de popmuziek, en rock al helemaal niet meer.

De beste laatste herinnering aan Van Halen voor Nederland is het glorieuze concert in het Goffertpark in de zomer van 1995, terug in de oude stad van de Van Halens. Zestien nummers, met wereldhit ‘Jump’ als afsluiter voor een springend veld. Tijdens die spaarzame bezoeken aan Nederland was het sentiment steevast chauvinistisch: ónze twee broers, die het gemaakt hebben in de wereld, die de Amerikaanse Droom hebben waargemaakt. En vervolgens testen hoeveel Nederlandse woorden ze nog kennen.

Bitter is de constatering dat het tegenovergestelde van respect voor de Van Halens ze het land uit dreef: discriminatie van hun Indonesische moeder was de belangrijkste reden voor hun immigratie naar de Verenigde Staten. En discriminatie was precies wat de jonge Eddie en Alex van Halen in Amerika weer ervoeren, vertelde Eddie in 2015 tijdens een openbaar interview voor scholieren over het thema What it means to be American: ‘We spraken de taal niet en wisten niets van het land. Het was meer dan angstaanjagend. De school waar we terechtkwamen hanteerde nog steeds de rassensegregatie, en omdat mijn broer en ik een minderheid werden geacht, werden we bij de zwarte kinderen gezet. Dat werden mijn vrienden. En de bully’s waren de witte kinderen, die mijn huiswerk verscheurden.’ En, zo kon de toeschouwer zelf invullen: die hen later zouden toejuichen in volle stadions.