Wie schrijft die blijft (5)

Eddy Evenhuis

Jong en veelbelovend was de Prins Der Zeven Meren eind jaren veertig. Maar een fulltime dichter werd hij nooit: Hoe moet je daarmee je dag vullen? Deel vijf in de serie over vergeten dichters.

Brulboei

De brulboei heeft zijn stem verloren
en drijft nu rond in open zee.
De meeuwen krijschen. Dit te hooren
brengt angst voor eigen stil zijn mee.

Vroeger, in dekking van een kust
en door een ankertouw gebonden,
stemde hij luid, zijn plicht bewust,
mee in het koor der duizend monden.

Nu zwijgend en door roest vervreten
en eenzaam zwalkend door een straat,
hechten zich blinkend in de reten
de eendenmossels van den haat.

Eddy Evenhuis,
uit: Pan in de stad (1946)


In Eddy Evenhuis (79) ontwaakt heel soms nog de Prins Der Zeven Meren. Het is, wat Eddy Evenhuis betreft, een beetje een lastige gast. In de Leeuwardense huiskamer schenkt zijn vrouw koele, witte wijn bij. Zelf kan hij maar moeilijk overeind komen. Hij heeft zijn enkel verstuikt. «Anders waren we ook wel even mijn bijdrage aan de Leeuwardense po ëzieroute gaan bezichtigen», zegt hij. Een rondeel van zijn hand is daarin opgenomen. «Leeuwarden. Eindstation. Laat staan/ Van Nijlens koffertje met dromen », zo vangt het aan. In het gedicht, dat tevens de in eigen beheer uitgegeven bundel Eigen keur (1995) afsluit, is een illusieloze dichter aan het woord. «Eindstation. Waarom nog gaan?» vraagt hij zich in de laatste regel af.
Prettig schijnt de zon de ruime woning binnen. Planken buigen onder boeken, een hond en een kat ravotten met elkaar, in de vensterbank bloeien fraaie cactussen. Waarom zou Eddy Evenhuis de Prins der Zeven Meren, die zestig jaar geleden zo'n zestig kilometer oostwaarts aan een fantasie ontsproot, nog te voorschijn laten komen?

In ’t Peerd van Ome Loeks, Ab Vissers kroniek van het vooroorlogse Groningen, wordt op pagina 41 melding gemaakt van een zeventienjarige muzenzoon: «Het was Eddy Evenhuis, destijds een ‘belijdend’ spiritist (…).» Nog altijd is hij ontstemd over die passage. Evenhuis: «Mijn vader was secretaris van Harmonia, destijds dé spiritistische vereniging. En ik grasduinde wel eens door wat boeken. Maar overtuigd spiritist? Zeker is dat ik er Ab Visser niet mee lastig heb gevallen.» Op de volgende bladzijde beschrijft Visser zijn geluk als Imy, het knappe zusje van Max Dendermonde «waar alle jonge dichters verliefd op waren», hem verkiest boven «wonderkind Evenhuis». Evenhuis: «Ik heb nooit iets met Imy gehad, noch heb ik ooit achter haar aan gelopen.»
Ook Jan G. Elburg had volgens Evenhuis te kampen met een selectief geheugen toen hij Geen letterheren schreef, zijn herinneringen aan Amsterdam in de oorlogsjaren, dat destijds van vernieuwing zinderde. Evenhuis: «Wij kwamen vanuit Groningen wel eens naar Amsterdam. Het was daar een lichtzinnige bedoening. Op drankfeesten voltrokken zich halve orgiën. Het was één grote spielerei, niemand wist dat het allemaal zo veelbetekenend was.» Dat hij zelf nog te boek zou worden gesteld als een voorname wegbereider van de beweging van Vijftig, zoals literatuurhistorici als Piet Calis en Siem Bakker in hun kloeke overzichtswerken beweren, komt Evenhuis nog altijd onwezenlijk voor. «Ik heb nooit geweten dat ik invloed heb gehad. Ik dichtte voor mijn plezier. »

In zijn hbs-tijd - we schrijven de povere jaren dertig - was Evenhuis vaak te vinden in de Openbare Leeszaal en Boekerij aan de Groningse Vismarkt, waar de lokaal vermaarde literator Josef Cohen de scepter zwaaide. Iedereen keek op naar deze man die nog omgang had met J.J. Slauerhoff en met experimentelen rond kunstcollectief De Ploeg. Leden van deze avantgardistische beweging als de dichter Hendrik de Vries en de schilder Hendrik Werkman hadden de suffe provinciestad in het begin van de twintigste eeuw een artistieke oplawaai van jewelste verkocht.
Onder die invloed zoog Evenhuis in Cohens leeszaal de poëzie in literaire tijdschriften als Den Gulden Winckel, Groot Nederland en Forum gretig op om daarna thuis in eigen woorden leeg te stromen. Hij was inmiddels als volontair toegetreden tot het Groninger Dagblad toen hij eind jaren dertig kennismaakte met de dichter A. Marja, die in dezelfde courant een filmrecensie schreef. Marja spoorde hem aan zijn verzen op te sturen naar de tijdschriften. In 1938 ging Den Gulden Winckel tot publicatie over. Met Koos Schuur uit Veendam en Marja onderhield Evenhuis een uitbundige correspondentie. «Marja had een stempeldoos met allerlei beestenstempels. Op de enveloppe tekende hij er uitvergrote geslachtsorganen aan. Mijn ouders konden er om lachen als de postbode vreemd naar die enveloppen staarde. Koos zette altijd een blauw bloemetje onder zijn brieven.»

De oorlogsdreiging smolt de troep Gro-ningse dichters, die aangroeide met jong rijmtalent als Albert Redeker, Max Dendermonde, Ferdinand Langen, Reinold Kuipers en Ab Visser, onverbrekelijk samen. In een straatje in de Groningse hoerenbuurt huurden zij in de mobilisatiewinter van 1939 een leeg pakhuis dat Het Drieluik werd gedoopt. Evenhuis: «Het was een bouwvallige verdieping met oude stoelen en tafels. Er kwamen schilders, musici, schrijvers en dichters. We nodigden literatoren uit de Randstad uit om naar Groningen te komen. Ze hielden een voordracht, kregen onderdak en werden volgegoten met drank. Gerard den Brabander heeft nog voor heibel gezorgd door ongegeneerd op straat te gaan pissen.»
Een bezoek van Jan Elburg, door Koos Schuur naar het hoge noorden meegetroond, staat Evenhuis ook nog helder voor de geest. «In mijn ouderlijk huis dronken we een fles kummellikeur leeg. Het was op een zondag, laveloos waren we. Ik vond het pijnlijk want het was dure likeur. In diezelfde kast stond blanke levertraan en daarmee hebben we de likeurfles aangevuld. Toen mijn moeder een keer pudding maakte met een scheut kummellikeur was dat natuurlijk niet te vreten.»

Stof wolkt op als een verfomfaaid, blauw pakket op tafel ploft. «Eerste sekretaris van Dionysios himself, opgedragen aan de prins van het land der zeven meren », staat er op. «Dit stuurde Koos dan per post», zegt Evenhuis. Het is een paginalang, breed uitwaaierend epistel in versvorm. «Luister Eddy, zingend gaan wij door het land», begint het. «Eigenlijk moet dit hoognodig naar het Letterkundig Museum», zegt Evenhuis al bladerend. «Ik schreef dan weer een gedicht terug. Je tikte die dingen zo op. 'De maan is sneeuw’, zo'n zinnetje kon ik direct thuisbrengen. Het was een soort geheimtaal. 'Zij heeft het niet begrepen’, dat zal op Jacqueline slaan. Hij was toen verloofd met Jacqueline maar dat ging niet zo best en het ging uit. In Amsterdam liep hij Pauky Bigot tegen het lijf. Leuke meid, vlot in de omgang. » Deze wijze van corresponderen paste goed in het algehele mystificatieproces waaraan Koos Schuur zichzelf en anderen onderwierp. Evenhuis: «Hij noemde zich de Verbannen Koning en begon met die hofhouding. Hij kwam vaak in Amsterdam terwijl hij eigenlijk een echte veenkoloniaal was. Hij speelde die rol om dat onthechte gevoel te overwinnen.» Evenhuis ziet Koos Schuur nog steeds als de belangrijkste dichter uit die periode.
In het gedicht «Kindsch» dat in 1941 werd opgenomen in de, door Reinold Kuipers samengestelde, bloemlezing Groningsche Dichters schrijft Evenhuis: «Zijn grens ligt waar de raven krassen./ Dan blinkt na ’t lage gras de sneeuw/ met zeven onbevroren plassen,/ waar engelen Gods henden wasschen/ en drogen op zijn milden geeuw. » Schuur, die later tegenover de literatuurhistorici zou verklaren dat Evenhuis zijn eerste en enige inspirator was, kwam het enthousiasme nauwelijks te boven. Hij droeg zijn vers «Besluiteloos sprookje», dat in Criterium geplaatst werd, aan Evenhuis op en noemde hem vanaf dat moment de Prins Der Zeven Meren. Evenhuis: «Het was een hele eer als je in de hofhouding werd opgenomen. Met hem en de rest van de hofhouding reisden we zeker eens in de twee maanden naar Amsterdam, totdat de IJssel-linie niet langer gepasseerd mocht worden.» Ze zaten dan in de cafés van Reijnders en Eylders, of bij het Americain. «Daar vroegen de obers op een keer of wij belangstelling hadden voor wijn. We kregen dozen Château Margôt overhandigd; de Duitsers zouden de wijnvoorraad de volgende dag uit de kelder halen. Daarmee zijn we naar het Amsterdamse Bos getogen, een hele groep jonge dichters en schrijvers en een stel vriendinnen. En wij lagen in dat gras, dronken Ch âteau Margôt, het was mooi weer, en toen waren de copla’s nog in de mode en vandaar dat ik die hardop begon te bedenken. Albert Redeker heeft ze opgeschreven, anders waren ze verloren gegaan.» De copla’s, met strofen als: «Wanneer jij des daags niet zou kijven/ en ’s nachts niet naast mij lag,/ dan zou ik ballades schrijven/ en niet vier regels per dag», werden afgedrukt in Uit de pas, dat in 1943 in een oplage van driehonderd exemplaren in de clandestiene Homerusreeks uitkwam. Een jaar later publiceerde hij De leerling Alexander, min of meer een mythologisering van zijn belevenissen als surveillant op een jongenskostschool. In 1946 werden de bundels samengevoegd en met nieuwe gedichten werd een van de eerste Bezige Bij-publicaties samengesteld: Pan in de stad.

Met Louis Lehmann gold de Prins Der Zeven Meren in het bevrijde Nederland als de meest veelbelovende jonge dichter. De enige die twijfelde was Eddy Evenhuis zelf. «Volgens mij sprong het er helemaal niet zo uit. Ik wist wel dat ik niet helemaal in de dichtwereld terecht zou komen. Hoe moet je daar toch ook je dag mee vullen?» Omdat hij verplichtingen had bij het Groninger Dagblad, dat vanaf 23 april 1945 weer verscheen, heeft Evenhuis er geen moment over gepeinsd om zoals Schuur en Langen deden Groningen voor Amsterdam te verruilen en voor het fulltime dichterschap te kiezen. Van hun vernieuwingsfanatisme was bij hem eveneens weinig te bespeuren. Evenhuis: «Ik vond dat je met die poëzie niet zo bezig hoefde te zijn. Je moet je laten overvallen, meer niet. Die hele theoretische kant van poëzie had mijn belangstelling niet.»
Toch bleek dat de grote hang naar symboliek en romantiek, die het werk van de Groningers en zeker ook dat van Evenhuis zo kenmerkte, iets geheel nieuws toevoegde aan het literaire milieu in de hoofdstad, dat jarenlang was overschaduwd door de rationele afgewogenheid van Forum. Schuur en Langen zetten het Groningse experiment voort in maandblad Het Woord, dat zij in oktober 1945 oprichtten en waarin Evenhuis ook publiceerde. Volgens literatuurhistorici werd met Het Woord de basis gelegd voor de revolutie die zich in die naoorlogse jaren in de vaderlandse poëzie zou voltrekken. De principes van Het Woord werden overgenomen en versterkt in Reflex, om via Cobra in de beweging van Vijftig tot een agressieve eruptie te komen. De verzen van Evenhuis deden al gauw gedateerd aan. «Die nieuwe poëzie zei mij al snel niks meer. Bovendien was de hofhouding uit elkaar gevallen. Toen er onder invloed van Elburg ook nog communistische principes aan werden vastgeplakt, was ik er helemaal op uitgekeken.»


De groeistuipen van het ooit in zijn Groningen gepote stekje ontgingen Evenhuis toen hij in 1948 naar Indonesië vertrok om voor De Vrije Pers hoofdredacteur te worden te Soerabaja. «Dat woog iets zwaarder dan de poëzie. Ik kwam daar in een heel nieuwe wereld, onvergelijkbaar met wat er in Amsterdam gebeurde. In Indonesië heb ik geen gedicht geschreven. Ik had wel wat anders aan mijn hoofd.» Wel sijpelde dankzij een knipseldienst mondjesmaat wat van de literaire perikelen binnen. «Ik las een bericht over de Cobra-rel in november 1949. Dat was zo onwezenlijk toen. Daar kwam de op hol geslagen vernieuwing in een ordinair handgemeen tot uitbarsting. Er werd geschreven over Lucebert die zich keizer waande. Wij hadden tenminste nog een koning, dacht ik toen. » Evenhuis voelde zich in zijn opvattingen gesterkt toen hij vernam dat Schuur, met wie hij tot diens dood in 1995 contact hield, zich gedistantieerd had en naar Australië verhuisde.
In 1954 keerde Evenhuis terug naar Nederland. Hij werd hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant. De Prins Der Zeven Meren leek voorgoed onder zeil, maar hij werd begin jaren zeventig ruw wakker gestoten. Evenhuis werd verliefd op een jonge vrouw. Toen het gevoel hem op een zeker moment te machtig werd, ramde hij er in korte tijd de bundel Een affaire uit, die in 1974 werd uitgegeven door De Arbeiderspers. «Dankzij het dichten wist ik die uit de hand lopende gekte te beteugelen.» Volgens Evenhuis verkocht de bundel goed. «Er kwamen een ook hoop aardige reacties op. Onbekende mannen schreven dat ik precies de juiste snaar had weten te raken. Ook Anne Vondeling, destijds voorzitter van de Tweede Kamer, liet weten dat hij krom ging onder een affaire en zich ontzettend gesterkt voelde.»
Na Een affaire schreef Evenhuis nauwelijks nog, opgeslokt als hij werd door de journalistieke sores. «Af en toe, tussen de telefoontjes door, noteerde ik wel eens wat regels maar daar bleef het vaak bij.» Bovendien schreef hij zijn hoofdcommentaren, die naar zijn stilistische maatstaven niet geheel van poëtische smetten vrij hoefden te zijn. Een andere uitlaatklep was de bijlage Lyrische Courant met ingezonden gedichten, die de Leeuwarder Courant in het leven riep om het provinciale po ëtische talent te bedienen. «Ik heb soms onder valse naam ingestuurd en dat werd dan geplaatst. Dan dacht ik: god ik kan het nog.» Na zijn pensionering rispte het af en toe toch weer op. Vermoedelijk ook omdat Gerrit Komrij en Menno Wigman hem ruim vertegenwoordigden in hun bloemlezingen. In 1995 bracht hij ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag bij Uitgeverij Dokkumer Diep Eigen keur uit, bestemd voor de vrienden en vriendinnen van zijn vrouw en hemzelf.
En waarom mag de Prins Der Zeven Meren, nu hij er op zijn oude dag toch alle tijd voor heeft, niet meer van zich doen spreken? «Ach, ik denk ook niet dat hem definitief het zwijgen kan worden opgelegd. Maar wat moet je nou op latere leeftijd nog aan po ëzie gaan doen? Bovendien voel ik mij verguisd noch vergeten.»